Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:3032

Tribunal

Arnhem

Date

17 April 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Belastingrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 24/7306, 24/7308 en 24/7309
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 17 april 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , uit [plaats 1] , belanghebbenden,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van 27 juni 2024, 12 juli 2024 en 1 augustus 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbenden voor het jaar 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en tevens belastingrente in rekening gebracht, naar de volgende bedragen:

[belanghebbende 1] (24/7306)

[belanghebbende 2] (24/7308)

Belastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1)

€ 68.770

€ 43.051

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3)

€ 36.163

€ 36.163

Belastingrente

€ 3.016

€ 1.903

De inspecteur heeft aan [belanghebbende 2] voor het jaar 2020 ook een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 6.937. Daarbij is € 32 aan belastingrente in rekening gebracht (24/7309).

De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2020 van [belanghebbende 1] ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en Zvw 2020 van [belanghebbende 2] heeft de inspecteur gegrond verklaard. Hij heeft de aanslag IB/PVV 2020 van [belanghebbende 2] verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.114 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 36.163. De belastingrente heeft de inspecteur verminderd tot € 1.605. De aanslag Zvw 2020 en de daarmee verband houdende belastingrente heeft de inspecteur verminderd tot nihil.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De inspecteur heeft verzocht de beroepen van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] te voegen. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en de zaken gevoegd behandeld.

De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [belanghebbende 1] en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B] .

Feiten

1. Belanghebbenden zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

2. Belanghebbenden zijn een vennootschap onder firma overeengekomen, waarvan de activiteiten bestaan uit het doen van boekhoudingen, het geven van advies, het geven van bijles en het doen van correctiewerk (hierna: De Boekhouder).

3. In de jaren 2019 tot en met 2024 heeft [belanghebbende 1] contact gehad met de gemeente Doetinchem over de mogelijke koop van een gebouw op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting [naam PI] , gelegen op de hoek van [locatie 1] en [locatie 2] in [plaats 2] , ten behoeve van een woningbouwtransformatieproject (project [bouwproject 1] ). De voormalige penitentiaire inrichting [naam PI] is in de jaren 2019 tot en met 2024 eigendom van de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf, hierna RVB). In november 2020 heeft [belanghebbende 1] aan RVB kenbaar gemaakt dat hij belangstelling heeft voor de aankoop van het pand.

4. In een e-mail van 24 maart 2021 van de gemeente Doetinchem aan [belanghebbende 1] is met betrekking tot het project [bouwproject 1] onder meer het volgende vermeld:

“(…) U hebt een aanvraag ingediend om op een deel van een perceel in eigendom van Rijksvastgoed de bestaande gebouwen te transformeren tot 3 a 5 woningen.

Op dit moment bent u geen eigenaar. Daarbij is Rijkvastgoedbedrijf bezig met een nota van uitgangspunten voor het heleterrein.

Pas als duidelijk is wat de uitgangspunten zijn is het zinvol om met een plan te komen.

Uw aanvraag is daarom niet inhoudelijk behandeld en op dit moment werken we dus niet mee. (…)”

5. In een e-mail van 19 november 2020 heeft de gemeente Bronckhorst het volgende aan [belanghebbende 1] geschreven:

“(…) Zoals telefonisch besproken vindt u hieronder het antwoord op uw vragen mbt het perceel aan de [locatie 3] .

De beoogde locatie heeft conform het geldende bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst de bestemming 'Sport'. U vraagt of het mogelijk is om op deze locatie buffalokevers te kweken.

Naar aanleiding van uw vraag, heb ik contact gehad met een aantal collega's. Voor hetgeen u voor ogen heeft, dient u een herzieningvan het bestemmingsplan te doorlopen. Echter op basis van de door u aangeleverde informatie, achten wij uw initiatief (op de betreffende locatie)niet kansrijkom medewerking aan te verlenen. Aangezien er destijds medewerking aan het initiatief is verleend vanwege het bijzondere concept; het ruitersportcentrum in combinatie met de woningen.

Echter om uw verzoek goed te kunnen beoordelen is het van belang dat u een verzoek mbt vooroverleg bestemmingsplanindient. Bij het indienen van een dergelijk verzoek is het essentieel dat u de aanvraag zo volledig mogelijk toestuurt. Graag zien wij een complete beschrijving van uw verzoek.(…)”

6. Op 29 maart 2021 heeft de gemeente Bronckhorst een Intakeformulier woningbouwinitiatief van [belanghebbende 1] ontvangen.

7. Op 26 april 2021 heeft [belanghebbende 1] een koopovereenkomst ondertekend voor de aankoop van een weiland gelegen aan de [locatie 3] in [plaats 3] en een bouwterrein aan [locatie 3] [nummer] in [plaats 3] . De koopprijs voor het weiland bedraagt € 362.500 exclusief btw en de koopprijs voor het bouwterrein bedraagt € 50.000 exclusief btw.

8. Op 25 juli 2022 heeft de gemeente Bronckhorst een ‘principeverzoek bestemmingsplanherziening’ van [belanghebbende 1] ontvangen voor het bouwproject [bouwproject 2] op de locatie [locatie 3] [nummer] te [plaats 3] . Op 21 maart 2023 heeft de gemeente medegedeeld in principe medewerking te verlenen aan het woningbouwinitiatief.

9. Op 29 januari 2024 heeft [belanghebbende 1] met de gemeente Bronckhorst een anterieure overeenkomst gesloten voor het project [bouwproject 2] . Op 29 juli 2024 heeft de gemeente Bronckhorst de aangevraagde omgevingsvergunningen verleend.

10. [belanghebbende 1] beschikt over een effectenportefeuille die bij een bank wordt aangehouden. In het jaaroverzicht 2020 van de effectenportefeuille zijn de volgende gegevens vermeld:

1-1-2020

31-12-2020

Saldo rekening-courant

€ -321.350,44

€ -109.455,99

Portefeuillewaarde

€ 1.604.967,84

€ 465.299,38

Waarde uitgeleende stukken

€ 396.190,12

€ 127.476,40

Totale waarde

€ 1.679.807,52

€ 483.319,79

In het jaaroverzicht is tevens vermeld dat [belanghebbende 1] in 2020 een rendement van € - 1.325.238 (een verlies) heeft behaald.

11. In de aangiften IB/PVV voor het jaar 2019 van belanghebbenden is de effectenportefeuille per 31 december 2019 voor een bedrag van € 1.679.807 als activum op de balans van De Boekhouder vermeld. Op 1 januari 2019 is de effectenportefeuille echter niet op de balans vermeld.

12. Op 7 april 2021 hebben belanghebbenden aangiften IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend. In de aangiften IB/PVV 2020 hebben belanghebbenden een verlies van € 1.289.777 aangegeven, waarvan € 1.260.000 (98%) is toegerekend aan [belanghebbende 1] en € 29.777 aan [belanghebbende 2] (2%). In de aangiften is een bijzondere waardevermindering vlottende activa van € 1.305.912 opgenomen. Deze bijzondere waardevermindering heeft uitsluitend betrekking op de effectenportefeuille.

13. Op 18 januari 2023 hebben belanghebbenden een verzoek om vooroverleg ingediend voor het belastingjaar 2019. In het verzoek is vermeld dat:

in de onderneming geld is gereserveerd voor projectontwikkeling;

een rijksgebouw in 2019 zou vrijkomen, maar dat dit nog niet is gebeurd;

(andere) grond is aangekocht voor de realisatie van 17 woningen, welke aankoop is gefinancierd met bedrijfsgeld;

diverse andere kosten ten behoeve van het project zijn gemaakt;

instemming van de inspecteur wordt gevraagd dat het gaat om bedrijfsmatig handelen.

14. Naar aanleiding van het verzoek om vooroverleg heeft de inspecteur vragen gesteld, die door belanghebbenden zijn beantwoord.

15. Bij brief van 30 mei 2023 heeft de inspecteur zijn standpunt naar aanleiding van het verzoek om vooroverleg aan belanghebbenden kenbaar gemaakt en het standpunt ingenomen dat de projecten in 2019 en 2020 geen bron van inkomen vormen. Ook heeft hij medegedeeld dat hij de bijzondere waardevermindering van € 1.305.912 zal corrigeren, omdat de effectenportefeuille ten onrechte is geactiveerd op de balans. De winst heeft de inspecteur vastgesteld op € 16.135 en deze voor ieder de helft toegerekend aan belanghebbenden. De effectenportefeuille heeft de inspecteur belast als onderdeel van de rendementsgrondslag in box 3.

16. De inspecteur heeft vervolgens de aanslagen opgelegd met inachtneming van de hiervoor genoemde correctie.

17. Belanghebbenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 21 juli 2023.

18. In de bezwaarfase heeft de inspecteur vastgesteld dat [belanghebbende 2] geen werkzaamheden verricht in de onderneming. De inspecteur heeft daarom het belastbaar inkomen uit werk en woning van [belanghebbende 2] verminderd en de aanslag Zvw tot nihil verminderd.

Beoordeling door de rechtbank

19. De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020. Daarnaast beoordeelt zij of de aanslagen IB/PVV 2020 niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.

20. In geschil is of de inspecteur de bijzondere waardevermindering van € 1.305.912 terecht heeft gecorrigeerd. Daarbij zijn in het bijzonder de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

Kan de effectenportefeuille als ondernemingsvermogen, subsidiair resultaatsvermogen, worden aangemerkt, omdat deze middelen waren geoormerkt voor de financiering van de projecten [bouwproject 1] en [bouwproject 2] die als bron van inkomen kwalificeren, namelijk winst uit onderneming, subsidiair resultaat uit overige werkzaamheden?

Kwalificeert het beheer van de effectenportefeuille op zichzelf als bron van inkomen?

Vormt de effectenportefeuille in 2020 ondernemings- of resultaatsvermogen van De Boekhouder?

Daarnaast is in geschil of het voordeel uit sparen en beleggen lager dient te worden vastgesteld in verband met een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRMen artikel 14 van het EVRM?

21. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld en dat de bijzondere waardevermindering in aanmerking genomen kan worden, omdat deze betrekking heeft op de projecten, die bronnen van inkomen zijn. De effectenportefeuille behoort hoe dan ook tot het ondernemingsvermogen. De inspecteur trekt de ondernemersactiviteiten ten onrechte uit elkaar.

22. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen IB/PVV 2020 te hoog zijn vastgesteld, omdat bij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geen rekening is gehouden met de rekening-courantschulden. Voor het overige stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de projecten geen bronnen van inkomen zijn, het beheer van de effectenportefeuille niet kwalificeert als meer dan normaal vermogensbeheer en de effectenportefeuille niet kan worden geëtiketteerd als ondernemingsvermogen.

23. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2020 gegrond zijn en het beroep tegen de aanslag Zvw 2020 niet-ontvankelijk is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Ontvankelijkheid van het beroep aanslag Zvw 2020

24. De inspecteur heeft met de uitspraak op bezwaar de aanslag Zvw 2020 en de belastingrente verminderd tot nihil. Niet gesteld of gebleken is dat met betrekking tot deze aanslag sprake is van nevenvorderingen. Belanghebbenden kunnen daarom met het beroep ter zake van de aanslag Zvw 2020 niet in betere positie komen dan zij nu al zijn. Belanghebbenden hebben daarom geen procesbelang bij dit beroep. De rechtbank zal het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020 om die reden niet-ontvankelijk verklaren.

De bijzondere waardevermindering

25. De vraag of sprake is van een bron van inkomen en, zo ja, welke bron van inkomen, moet worden beantwoord aan de hand van regels die in de rechtspraak zijn ontwikkeld. De rechtbank zal daarom eerst deze regels benoemen. Daarna past de rechtbank deze regels toe op de feiten en omstandigheden van deze zaak.

De regels

26. Wil sprake zijn van een bron van inkomen dan moet aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:

er moet worden deelgenomen aan het economische verkeer;

er moet sprake zijn van het (subjectieve) oogmerk om een voordeel te behalen;

er moet sprake zijn van de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

27. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen wel licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom ook in aanmerking worden genomen.

28. Of sprake is van een bron van inkomen dient per activiteit te worden beoordeeld.

29. Om voordelen uit een bron van inkomen bestaande uit activiteiten die ook als belegging kunnen kwalificeren, zoals handel in effecten, te kunnen aanmerken als belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, moet verder sprake zijn van het (niet in dienstbetrekking) verrichten van arbeid. Die arbeid moet bovendien naar aard en omvang van zodanig belang zijn dat deze kan worden geacht te zijn bedoeld om een rendement te behalen dat het aan een belegger in zodanige goederen normaliter opkomende rendement te boven gaat.

30. De handel in effecten zal in de regel als normaal actief vermogensbeheer worden beschouwd. De aard van de handel in effecten brengt immers mee dat de (hoeveelheid) verrichte arbeid geen enkele invloed heeft op het koersverloop van de aandelen. Dat kan anders zijn indien de belanghebbende met zijn deskundigheid, ervaring en relaties het koersverloop van de aandelen kan beïnvloeden.

31. Een effectenportefeuille kan ook tot het ondernemingsvermogen behoren indien de effectenportefeuille is verworven binnen het kader van de normale uitoefening van de onderneming. Daaronder valt niet de investering in een effectenportefeuille voor doeleinden die op zichzelf vreemd zijn aan de onderneming, tenzij sprake is van belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aldus belegde middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zullen zijn.

De toepassing van de regels op deze zaak

32. De rechtbank komt tot het oordeel dat zowel het project [bouwproject 1] als het project [bouwproject 2] in 2020 (nog) geen bron van inkomen vormden. Zij licht dit oordeel als volgt toe.

33. Bij project [bouwproject 1] zijn belanghebbenden nooit eigenaar geweest van het gebouw op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting en het project is ook nooit daadwerkelijk uitgevoerd. Belanghebbenden hebben wel plannen gemaakt, maar verder geen concrete handelingen verricht. Van handelingen in het economische verkeer en van een objectieve voordeelsverwachting is daarom geen sprake.

34. Project [bouwproject 2] is wel daadwerkelijk uitgevoerd. Echter, in 2020 waren belanghebbenden nog geen eigenaar van de grond waarop de woningen in latere jaren zijn gerealiseerd. Uit het dossier blijkt ook niet dat belanghebbenden in 2020 zich concreet bezig hebben gehouden met het project [bouwproject 2] . Pas in 2021 is aan de gemeente een initiatiefvoorstel toegezonden en is de koopovereenkomst voor de aankoop van de grond gesloten. In het jaar 2020 is daarom geen sprake van een bron van inkomen, omdat in 2020 geen handelingen in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en ook geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De rechtbank merkt daarbij op dat zij daarmee geen oordeel geeft over de vraag of in latere jaren sprake is van een bron van inkomen. Belanghebbenden kunnen dit aan de orde stellen bij de aanslagen IB/PVV voor de latere jaren.

35. Nu de projecten geen bron van inkomen vormen, kan de beleggingsportefeuille niet als onderdeel daarvan worden aangemerkt als ondernemings- of resultaatsvermogen.

36. De rechtbank komt voorts tot het oordeel dat het beheer van de effectenportefeuille op zichzelf ook niet als een bron van inkomen kan worden beschouwd, omdat belanghebbenden geen arbeid hebben verricht die normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. Belanghebbenden hebben wel gesteld dat zij vele transacties hebben verricht, maar dit is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Ook beleggers kunnen namelijk veel transacties verrichten, waardoor dit enkele feit geen onderscheidend criterium is. Belanghebbende hebben ook geen feiten gesteld op grond waarvan volgt dat zij met deskundigheid, ervaring en/of relaties het koersverloop van de effecten hebben kunnen beïnvloeden.

37. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de effectenportefeuille niet als ondernemings- of resultaatsvermogen van De Boekhouder kan worden geëtiketteerd. Op de zitting hebben belanghebbenden gesteld dat de effectenportefeuille aanvankelijk in privé werd beheerd. De effectenportefeuille is dus niet verworven binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening van De Boekhouder, waarvan de activiteiten wezenlijk anders zijn dan effectenbeheer (zie punt 2.). De effectenportefeuille is daarom (verplicht) privévermogen.

38. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de effectenportefeuille niet tot box 1 kan worden gerekend, maar tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort. De inspecteur heeft de bijzondere waardevermindering terecht gecorrigeerd.

Box 3

39. De inspecteur heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen lager moet worden vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met de rekening-courantschuld (zie punt 11.). De beroepen zijn in zoverre gegrond.

40. In het nader stuk van 23 september 2025 hebben belanghebbenden het volgende geschreven:

“Omdat er nog geen uitspraak is gedaan over de zaak, heb ik om te voorkomen dat ik te laat ben, bezwaar gemaakt mbt box 3 (hoewel ik van mening ben dat het box 1 is)”

41. De rechtbank begrijpt deze stelling zo dat belanghebbenden zich op het standpunt stellen dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nog steeds te hoog is vastgesteld, gelet op het zogenoemde kerstarrest. Hierin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de box 3-heffing (onder omstandigheden) in strijd is met enkele bepalingen van het EVRM. De Hoge Raad heeft in een later arrest geoordeeld dat dit ook geldt voor de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3.

42. Als reactie op deze stelling van belanghebbenden, heeft de inspecteur op de zitting gesteld dat in dat geval, gelet op de verliezen die zijn behaald op de effectenportefeuille, het voordeel uit sparen en beleggen negatief uitkomt en dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen daarom op nihil moet worden gesteld.

43. De rechtbank ziet geen reden om van het standpunt van de inspecteur af te wijken. Dit brengt met zich dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet worden verminderd naar nihil.

Belastingrente

44. De beroepen inzake de aanslagen IB/PVV 2020 worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbenden geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente hebben aangevoerd, dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.

Conclusie en gevolgen

45. Het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020 is niet-ontvankelijk. De beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2020 zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar worden vernietigd en de aanslagen IB/PVV 2020 en de bijbehorende beschikkingen belastingrente worden verminderd. Belanghebbenden krijgen het griffierecht terug. Zij krijgen geen vergoeding van de proceskosten, omdat niet is gesteld dat belanghebbenden kosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020 (24/7309) niet-ontvankelijk;

verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2020 (24/7306 en 24/7308) gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

vermindert de aanslag IB/PVV 2020 in zaak 24/7306 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.770 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;

vermindert de aanslag IB/PVV 2020 in zaak 24/7308 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.114 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;

vermindert de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 102 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. M.F. Kossen, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 17 april 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763.

Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707; Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:128.

Hoge Raad 7 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9757.

Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2071.

Hoge Raad 15 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2860; Gerechtshof Leeuwarden 7 juli 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AY3619.

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

Hoge Raad van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705.

Plus de Décisions