ECLI:NL:RBGEL:2026:4985
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7335
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 juli 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns van € 3.182 opgelegd (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 258 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Bij uitspraak met dagtekening 20 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding van een stuk op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht toegewezen. Omdat ook de rechter die de zaak inhoudelijk zal behandelen geen belang bij kennisneming van de ongeanonimiseerde stukken heeft, heeft de geheimhoudingskamer in haar uitspraak opgemerkt dat zij daarom de ongeanonimiseerde stukken aan de inspecteur zal terugsturen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 10 december 2025, op het adres [adres 1] te [plaats 1] , uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Deze brief is onbestelbaar geretourneerd. De uitnodiging is vervolgens, na controle in de Basisregistratie Personen, per gewone brief naar hetzelfde adres verstuurd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging op de juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden.
Feiten
1. Op 15 december 2021 heeft de douane een controle ingesteld op het adres [adres 2] te [plaats 2] . Deze controle werd ingesteld naar aanleiding van een tip die was binnengekomen bij de politie. Volgens de tip werd op dit adres vermoedelijk waterpijptabak geproduceerd.
2. De bevindingen van de verbalisanten van de douane bij deze controle zijn neergelegd in een proces-verbaal met bijlagen, proces-verbaalnummer [nummer] . Hierin is onder meer vermeld:
“(…) Omstreeks 17.15 uur heb ik, verbalisant [naam verbalisant] , aan de voor- en achterzijde van de [adres 2] te [plaats 2] , de deuren die toegang tot de opslagboxen verschaffen gecontroleerd. Ik zag en voelde dat beide deuren op slot zaten. Ook zag ik dat er door het rooster boven de deur aan zowel de voor- als achterzijde geen licht te zien was. Op of omstreeks 17.20 uur heb ik de aan mijn zorgen toevertrouwde en op tabak en precursoren afgerichte Rijksspeurhond ' [naam hond] ' uit mijn dienstvoertuig gehaald en haar de buitendeur die toegang verschaft tot de opslagboxen aan zowel de voor- als aan de achterzijde van het complex af laten zoeken. Omstreeks 17.25 uur zag en hoorde ik [naam hond] bij de deur aan de voorzijde van het pand, aan de onderzijde bij de naad tussen deur en deurpost blaffen.
Vervolgens ben ik met [naam hond] naar de achterzijde gelopen. Omstreeks 17.30 uur zag en hoorde ik [naam hond] ook daar, wederom aan de onderzijde bij de naad tussen deur en deurpost, eenzelfde blafmelding maken. Het door [naam hond] aanblaffen van objecten is door mij aangeleerd gedrag om er mij als geleider op te wijzen dat er zich mogelijk tabak en/of precursoren in een object bevinden. Hier heb ik collega [naam collega/verbalisant] terstond van op de hoogte gebracht. Opvallend was dat bij de voorverkenning van voornoemde deuren door het rooster geen licht zichtbaar was, maar op het moment van melden aan de achterzijde nu wel licht boven de buitendeur zichtbaar was. Ook hier heb ik collega [naam collega/verbalisant] direct van op de hoogte gebracht.
Omstreeks 18.00 uur kreeg ik van [naam coordinator] , coordinator Ambulant Toezicht Binnenland, het verzoek om de opslagbox behorende bij [adres 2] te openen. Met behulp van de van de deursleutel van de bewoners op [adres 3] [rechtbank: onleesbaar gemaakt] heb ik mijzelf toegang verschaft tot de rij opslagboxen van voornoemd complex. Ik zag bij het binnentreden dat de vloer voor de opslagboxen bezaaid lag met vermoedelijk tabakssnippers, komende vanaf opslag box behorende bij nummer 14 aan de voorzijde van het pand tot aan de buitendeur aan de achterzijde van voornoemde boxenrij. Omstreeks 18.10 uur heb ik met gebruikmaking van een kerntrekker het cilinderslot uit de deur verwijderd om de collega's toegang te verschaffen tot voornoemde opslag box.
Wij, verbalisanten [naam collega/verbalisant] en [naam verbalisant] , zijn vervolgens de kelderbox binnengegaan en zagen en telden daar 7 jerrycans.
Op de etiketten van de jerrycans lazen wij dat het hier ging om vermoedelijk Glycerine, waarvan wij door kennis en ervaring weten dat dit gebruikt wordt bij de vervaardiging van waterpijptabak.
Daarnaast zagen wij een doos staan met daarin een aantal lege dozen, zakken en deksels. Daarop lazen wij liet opschrift Al Fakher . Door kennis en ervaring weten wij dat dergelijke verpakkingsmiddelen gebruikt worden voor het verpakken van waterpijptabak. in dezelfde doos zagen wij een adressticker liggen. Daarop lazen wij als geadresseerde [rechtbank:onleesbaar gemaakt] te [rechtbank:onleesbaar gemaakt].
Toen ik, verbalisant [naam collega/verbalisant] , het tabaksspoor volgde vanuit de opslag box van de [adres 2] naar [adres 4] zag ik in de bosjes naast het pand 2 zwarte vuilniszakken met vermoedelijk tabak liggen en heb deze vervolgens meegenomen en alle aanwezige collega's daarover ingelicht.”
3. In de in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal genoemde twee zwarte vuilniszakken is in totaal 19.780 gram ongesorteerde tabak aangetroffen. Deze tabak is in beslag genomen. Uit onderzoek van het Douanelaboratorium is gebleken dat het hier ging om rooktabak.
4. Op 4 januari 2022 is belanghebbende, met bijstand van een tolk gehoord door de douane. Van het verhoor is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin zijn, voor zover van belang, de volgende vragen gesteld en beantwoord:
“Vraag: Bent u de hoofdbewoner van het adres [adres 2] te [plaats 2] ?
Antwoord: Ja, dat klopt
Vraag: zit er op dat adres ook een schuur bij?
Antwoord: ja, dat klopt ook!
Vraag: heeft u een sleutel van de schuur?
Antwoord: Ja ik heb een sleutel. (…)
Vraag: Wat kunt u verklaren over de aangetroffen zakken vermoedelijk rooktabak die die de douane heeft aangetroffen nadat zij een spoor van tabakssnippers hadden gevolgd vanaf uw schuur naar de [adres 4] ter hoogte van nummer [huisnummer] .
Antwoord: Dat weet ik niet!
Vraag: Zijn deze vuilniszakken met vermoedelijk rooktabak van u?
Antwoord: Dat weet ik ook niet! Mijn broer heeft ook een sleutel van de schuur van de schuur van [adres 2] ! (…)
Vraag: Wat kunt u verklaren over de door de douane aangetroffen verpakkingsmaterialen voor shishatabak in·uw schuur?
Antwoord: Daar weet ik niets vanaf.”
5. Op 3 oktober 2023 is het voornemen tot naheffen aan belanghebbende verzonden.
6. Met dagtekening 17 november 2023 is de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd voor een bedrag van € 3.440, inclusief € 258 belastingrente.
7. Op 21 mei 2024 heeft het hoorgesprek in bezwaar plaatsgevonden tussen de inspecteur in de persoon van mevrouw [persoon D] en de toenmalige advocaat van belanghebbende, [persoon E] . De inspecteur heeft een conceptverslag van dit gesprek naar [persoon E] gestuurd. Hierop is desgevraagd niet gereageerd. In dit conceptverslag staat onder meer vermeld:
“De heer [persoon E] verklaart dat zijn cliënt heeft aangegeven dat het hoofdzakelijk gaat om zaken die niet bij de woning zijn aangetroffen, maar in de omgeving. Er is veel gewicht toegekend aan de berging (of schuur). De cliënt heeft verklaard dat hij rondom het bezoek van de Douane niet bij de berging kon, ondanks dat hij de sleutel van de berging had. Hij wist niet meer waar die sleutel lag.
Mevrouw [persoon D] vraagt of de cliënt dit nader heeft toegelicht.
De heer [persoon E] zegt dat dit niet het geval is. De cliënt heeft verklaard dat hij in die periode niet bij de berging kon en dat hij zich niet kon herinneren waar die sleutel lag. De heer [persoon E] verklaart dat het ook voor hem lastig is om te achterhalen wat hij precies bedoelt omdat zijn cliënt niet goed de Nederlandse taal beheerst.
Mevrouw [persoon D] vraagt of de reden dat belanghebbende niet bij de berging kon dus is dat belanghebbende niet meer wist waar de sleutel lag.
De heer [persoon E] bevestigt dit en vult aan dat de sleutel wellicht bij een ander in bezit was. Meer kan hij niet verklaren. Hij weet niet of er een tweede sleutel was en wat een ander met die sleutel heeft gedaan. Zijn cliënt heeft op de vraag wat zijn rol was geantwoord dat hij niets te maken heeft met het feit waarvoor de aanslag is opgelegd.
Mevrouw [persoon D] zegt dat ze uit het proces-verbaal opmaakt dat belanghebbende heeft verklaard een sleutel te hebben en zijn broer ook.
De heer [persoon E] bevestigt dat zijn cliënt een sleutel had, maar hij kon zich dus niet herinneren waar die lag. In de betrokken periode is hij ook niet in de buurt geweest van de berging.”
8. Met dagtekening 1 juli 2024 heeft de inspecteur het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Daarbij zijn in geschil de volgende vragen:
10. had belanghebbende op 15 december 2021 onveraccijnsde tabaksproducten voorhanden?
11. is de naheffingsaanslag in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur opgelegd, in het bijzonder het motiverings-, zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel?
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
11. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van onder andere tabaksproducten.Onder tabaksproducten wordt verstaan het tot verbruik bereide tabak in de vorm van sigaren, sigaretten en rooktabak.Ter zake van de uitslag tot verbruik van onder andere tabaksgoederen wordt accijns verschuldigd.Onder uitslag tot verbruik wordt onder meer verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.Tabaksproducten moeten bij de uitslag tot verbruik zijn voorzien van het voor het desbetreffende tabaksproduct voorgeschreven accijnszegel.Het is niet toegestaan een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.
12. Bij toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet wordt de accijns geheven van “de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is”.Met deze wetsbepaling is uitvoering gegeven aan hetgeen artikel 8, eerste lid, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG voorschrijft.
13. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in het hiervoor genoemde Richtlijnartikel ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Niet relevant is of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen en evenmin is relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd. Naast de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, is iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de zin van genoemde Richtlijnbepaling aangewezen als schuldenaar.
14. De bewijslast dat belanghebbende belastingplichtige is voor de nageheven accijns, omdat hij onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of daarbij betrokken is geweest, rust op de inspecteur.
15. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende de tabaksproducten voorhanden had dan wel daarbij betrokken is geweest. Belanghebbende heeft tijdens zijn verhoor verklaard hoofdbewoner van de woning [adres 2] in [plaats 2] (de woning) te zijn en over een sleutel te beschikken waarmee hij de bij de woning behorende berging (de berging) kon betreden. Uit het proces-verbaal blijkt dat in de berging zeven jerrycans zijn aangetroffen. Op de etiketten van de jerrycans lazen de verbalisanten dat het vermoedelijk om Glycerine ging dat gebruikt wordt bij de vervaardiging van waterpijptabak. Daarnaast zijn er in een doos lege verpakkingen aangetroffen met het opschrift Al Fakher , welke verpakkingen gebruikt worden voor het verpakken van waterpijptabak. Door de verbalisanten is vanaf de berging verder een tabaksspoor naar buiten gevolgd, waarna twee zwarte vuilniszakken met ongesorteerde rooktabak zijn aangetroffen.
16. Gelet op deze omstandigheden heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank de feitelijke beschikkingsmacht gehad over de aangetroffen rooktabak en deze voorhanden heeft gehad dan wel bij het voorhanden hebben daarvan betrokken was, een en ander als bedoeld in artikel 51, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet. Doorslaggevend is dat belanghebbende hoofdbewoner is van de woning waartoe de berging behoort, waar goederen zijn aangetroffen die gebruikt worden voor de vervaardiging van waterpijptabak en waarvandaan een spoor van tabaksbladen is aangetroffen naar vuilniszakken met tabak, dat belanghebbende heeft verklaard te beschikken over een sleutel van de berging en dat belanghebbende geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de aangetroffen goederen in de berging en het tabaksspoor naar de vuilniszakken met tabak. Daarbij is niet relevant dat mogelijk een of meer anderen ook beschikten over een sleutel van de berging. Voor het zijn van accijnsschuldenaar is ook niet relevant dat belanghebbende, zoals hij heeft gesteld, niet wist van de aanwezigheid van de rooktabak in en nabij de berging. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag dus aan belanghebbende kunnen en mogen opleggen.
17. Dat wat belanghebbende heeft gezegd in het hoorgesprek in tegenspraak is met wat hij heeft verklaard in het verhoor tegenover de douane, in het bijzonder over de vraag wie een sleutel bezat van en/of toegang had tot de berging, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Anders dan bij het horen in de bezwaarfase, was bij het verhoor door de douane ter bijstand van belanghebbende een tolk aanwezig. Daarnaast heeft de toenmalig gemachtigde van belanghebbende tijdens het hoorgesprek gezegd dat het ook voor hem lastig is te achterhalen wat belanghebbende precies bedoelt, omdat belanghebbende de Nederlandse taal niet goed beheerst.
18. Belanghebbende beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt verder nog op een uitspraak van deze rechtbank.Deze uitspraak betreft echter een geheel andere situatie dan de onderhavige zaak. In de door belanghebbende genoemde zaak was vastgesteld dat sprake was van één, door de betreffende belanghebbende uitgeleende, sleutel. Door de belanghebbende in die zaak was vanaf het begin geloofwaardig en consistent verklaard dat hij de sleutel had uitgeleend om de kosten van de loods te delen en deze verklaring werd ondersteund door de feiten. In de onderhavige zaak heeft belanghebbende tijdens zijn verhoor verklaard dat zijn broer ook een sleutel had van de berging. Daarnaast heeft belanghebbende na de controle door de douane tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het sleutelbezit en -gebruik van de berging. Deze door belanghebbende genoemde uitspraak kan daarom niet tot vermindering/vernietiging van de naheffingsaanslag leiden.
19. De rechtbank komt tot het oordeel dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel, niet zijn geschonden. Uit de uitspraak op bezwaar is niet af te leiden dat verklaringen van belanghebbende ongemotiveerd terzijde zijn geschoven. Evenmin is gebleken van een onzorgvuldige voorbereiding bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar. Dat de inspecteur belanghebbende niet volgt in zijn standpunt (mede vanwege de inconsistentie van de verklaringen over de sleutel) en dat de inspecteur niets ziet in het sluiten van een compromis, maakt nog niet dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende heeft de door hem opgevoerde schendingen onvoldoende geconcretiseerd. Het evenredigheidsbeginsel is ook niet geschonden. De naheffingsaanslag is opgelegd binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.Anders dan belanghebbende bepleit, heeft de aanslagregelende fase daarmee niet onredelijk lang geduurd.
20. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Belanghebbende heeft niets ingebracht tegen de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslag en de rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de berekening van de inspecteur. De naheffingsaanslag is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.
Belastingrente
21. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 24 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBGEL:2025:10373.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet op de accijns (de Wet).
Artikel 29 van de Wet.
Artikel 1, tweede lid, van de Wet.
Artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet.
Artikel 73, eerste lid, van de Wet.
Artikel 5, eerste lid, van de Wet.
Artikel 51, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet.
Hoge Raad 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:473.
Rechtbank Gelderland 19 april 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:2208. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6548.
Artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.