ECLI:NL:RBGEL:2026:5017
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/2634
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 januari 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.854 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.712.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om zonder mondelinge behandeling het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens de inspecteur gevraagd of hij hiermee instemt. De inspecteur heeft daarmee ingestemd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
1. Belanghebbende staat tot 2 februari 2017 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 2]. Met ingang van 2 februari 2017 staat zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1].
2. Belanghebbende en haar ex-partner hebben de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] (woning 1) op basis van een op 22 september 2016 gesloten voorlopige koopovereenkomst op 21 oktober 2016 geleverd aan een derde. De verkoopprijs bedraagt € 305.000.
3. Belanghebbende heeft op 28 oktober 2016 een voorlopige koopovereenkomst gesloten ter zake van het appartementsrecht met betrekking tot het adres [adres 2] te [plaats 1] (woning 2). De koopsom daarvan bedraagt € 160.000. Deze koopovereenkomst bevat, behoudens de wettelijke bedenktijd van drie dagen, geen opschortende of ontbindende voorwaarden.
4. Woning 2 is conform de voorlopige koopovereenkomst aan belanghebbende geleverd op 12 januari 2017. Op de notariële afrekening is vermeld dat belanghebbende uiterlijk vóór 12 januari 2017 een bedrag van € 148.745,49 diende over te maken op de derdengeldrekening van de notaris. Belanghebbende heeft de koopsom in drie delen op 6 januari 2017, 9 januari 2017 en 10 januari 2017 op de derdengeldrekening van de notaris overgemaakt.
5. Belanghebbende had op 1 januari 2017 in totaal € 181.525 aan bank-, giro- en spaartegoeden. In de aangifte heeft belanghebbende € 177.383 van dit totaalbedrag aan zichzelf toegerekend
6. Op 5 november 2018 is de aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 10.566. Het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen bedraagt € 5.712.
7. Op 14 februari 2018 is de definitieve aanslag IB/PVV 2017 vastgesteld conform de aangifte.
8. De inspecteur heeft op 9 januari 2019 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. Belanghebbende heeft daarin gesteld dat in de aangifte ten onrechte geen tot de rendementsgrondslag behorende schuld is opgenomen in verband met de aankoop van woning 2.
9. Bij brief van 12 december 2022 heeft gemachtigde de inspecteur in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom.
10. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende met dagtekening 19 januari 2023 afgewezen.
11. Met dagtekening 24 februari 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 ambtshalve verminderd in verband met toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is daarbij verminderd tot € 365.
12. Op 7 maart 2023 heeft de inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen. Op 22 maart 2023 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het voordeel uit sparen en beleggen, na vermindering op grond van het Besluit rechtsherstel box 3, terecht heeft vastgesteld op € 365. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende de uit de voorlopige koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van de koopsom als een tot de rendementsgrondslag behorende schuld in aanmerking kan nemen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat daar geen tot de rendementsgrondslag behorende bezitting tegenover staat.
14. Daarnaast is in geschil of het gelijkheidsbeginsel op regelniveau is geschonden, of de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd en of de inspecteur op juiste gronden heeft beslist dat geen dwangsom verschuldigd is.
15. Tenslotte heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële
schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
16. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
Wettelijk kader
17. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bestaat de rendementsgrondslag uit de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Het tweede lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat bezittingen zaken of rechten zijn met waarde in het economische verkeer. Het derde lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat schulden verplichtingen zijn met waarde in het economische verkeer.
18. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 is het uitgangspunt af te leiden dat voor de inhoud van de begrippen ‘bezittingen’ en ‘schulden’ kan worden aangesloten bij de jurisprudentie en doctrine die over deze begrippen is ontwikkeld voor de vermogensbelasting.
19. Voor de vermogensbelasting gold dat de zinsnede ‘met waarde in het economische verkeer’ naar de bedoeling van de wetgever uitdrukking moest geven aan het objectieve karakter van de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.
Bezitting
20. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag op de bankrekening geen bezitting vormt, omdat het geld afkomstig is uit de verkoop van de voormalige eigen woning en omdat dit geld bedoeld is om de nieuwe eigen woning mee te betalen. Het is volgens belanghebbende zeer onredelijk en onbillijk om het bedrag dat bestemd is om de koopprijs van woning 2 mee te betalen op de peildatum tot de rendementsgrondslag te rekenen. Dat is volgens belanghebbende niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.
21. De rechtbank stelt voorop dat het buiten twijfel is dat een geldbedrag dat op de peildatum op een bankrekening staat als bezitting moet worden aangemerkt, aangezien het bezit van een geldbedrag waarde in het economische verkeer heeft. De wetgever heeft bedoeld het begrip ‘bezittingen’ een objectief karakter te geven. Met dat objectieve karakter is niet verenigbaar om de herkomst of het bestedingsdoel van een geldbedrag bepalend te laten zijn voor het antwoord op de vraag of het een bezitting is. In de tekst van de wet en in de parlementaire geschiedenis is voor een dergelijke uitleg als door belanghebbende gegeven dan ook geen steun te vinden.
22. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat zij de toepassing van de wettelijke bepalingen in zijn geval onbillijk en onrechtvaardig vindt, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Deze beroepsgrond kan belanghebbende dan ook niet baten.
Gelijkheidsbeginsel
23. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van ongelijke behandeling van overigens gelijke gevallen. Indien de koopsom vóór 1 januari 2017 zou zijn betaald, zou er fiscaal geen sprake zijn geweest van belastbaar vermogen per 1 januari 2017 en had ook geen terugbetaling hoeven plaats te vinden van toeslagen.
24. De rechtbank oordeelt als volgt. Het wettelijke systeem maakt onderscheid tussen wel of niet uitgegeven geld. Dat is in het licht van het doel van de regeling een redelijk onderscheid, omdat het gaat om het in de belastingheffing betrekken van inkomsten uit bezit. Dat de vermogensrendementsheffing geen rekening houdt met een koper die zijn woning in jaar 1 geleverd krijgt ten opzichte van een koper die de woning pas in het daarop volgende jaar geleverd krijgt, is geen verschil dat tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van beide groepen leidt. De groep die de koopsom voor een andere woning in jaar 1 meteen betaalt, heeft immers ook geen profijt van geld op de rekening. Terwijl de groep kopers die het geld wel in hun bezit heeft gehad, daar ook profijt van kon hebben. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
25. Nu het geldbedrag moet worden aangemerkt als bezitting faalt deze stelling van belanghebbende. De rechtbank komt dan toe aan de stelling van belanghebbende, dat tegenover die bezitting een even grote schuld staat.
Schuld
26. Belanghebbende stelt dat het aangaan van de koopovereenkomst voor woning 2 tot verplichtingen voor haar heeft geleid en dat daarom op 1 januari 2017 sprake is van een schuld. Er waren immers op dat moment geen ontbindende voorwaarden meer die konden worden ingeroepen.
27. De rechtbank is van oordeel dat tegenover het geldbedrag dat op de bankrekening van belanghebbende staat, niet een even grote schuld in aanmerking kan worden genomen vanwege de op grond van de koopovereenkomst door belanghebbende aangegane verbintenis tot betaling van de koopsom. De koopovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een door belanghebbende aangegane verbintenis tot betaling van een geldbedrag onder een bepaalde voorwaarde, maar er is sprake van een overeenkomst met tegenover elkaar staande verbintenissen in de vorm van rechten en verplichtingen. Er is een verbintenis in de vorm van de verplichting tot betaling van de koopsom, maar daartegenover staat het recht op levering van woning 2. Van de koopovereenkomst kan dus niet enkel de betalingskant worden afgezonderd, de prestaties uit de koopovereenkomst hangen immers met elkaar samen.Deze beroepsgrond slaagt niet.
Toeslag
28. Belanghebbende heeft gesteld dat het belang in deze zaak vooral is gelegen in het feit dat zij het door haar van de Belastingdienst Toeslagen ontvangen kindgebonden budget moest terugbetalen als gevolg van de heffing van inkomstenbelasting in box 3. De belastingrechter is echter niet bevoegd te oordelen over toeslagen. Belanghebbende dient zich zo mogelijk te wenden tot de Belastingdienst Toeslagen en/of de algemene bestuursrechter.
Dwangsom
Vooraf
29. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaar van belanghebbende inzake de dwangsom. Gelet op het belang dat partijen hechten aan een (spoedige) uitspraak, heeft de rechtbank afgezien van het terugverwijzen en zal, met inachtneming van hetgeen beide partijen in beroep hebben aangevoerd, uitspraak doen.
30. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur een dwangsom van € 276 is verschuldigd in verband met het niet-tijdig beslissen op haar bezwaarschrift van 7 januari 2019 (ontvangen door de inspecteur op 9 januari 2019). Volgens de inspecteur heeft belanghebbende hem onredelijk laat in gebreke gesteld en is daarom geen dwangsom verschuldigd.
31. De rechtbank constateert dat het tijdsverloop tussen het einde van de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar en het moment waarop belanghebbende de inspecteur in gebreke heeft gesteld veel langer is dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. De beantwoording van de vraag of sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan.De inspecteur heeft gesteld dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van contacten tussen hem en (de gemachtigde van) belanghebbende in de periode vanaf de datum van het hoorgesprek (11 februari 2021) tot 13 december 2022 (de datum van ontvangst van de ingebrekestelling). Belanghebbende heeft dit als zodanig ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarmee de inspecteur onredelijk laat in gebreke gesteld (pas ruim 21 maanden later). Dat bijvoorbeeld van een nog lopend overleg sprake zou zijn of van andere bijzondere omstandigheden waarom de ingebrekestelling zo laat is ingediend, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
Overschrijding van de redelijke termijn
32. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
33. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016.Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.
34. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 9 januari 2019. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 5 jaar en 6 maanden (66 maanden) langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven 11 keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 5.500 (€ 500 per half jaar). De uitspraak op bezwaar is van 19 januari 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 43/66 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 23/66 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 3.583 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.917 aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
35. Het beroep is gegrond door de vermindering van de aanslag IB/PVV in de beroepsfase als gevolg van de toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3 (punt 11). hiervoor). Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd blijft op € 4.854 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 365.
36. Belanghebbende krijgt een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De rechtbank hanteert een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak. De vergoeding bedraagt dan € 934. De inspecteur moet die vergoeding betalen. Belanghebbende krijgt vanwege het gegronde beroep het betaalde griffierecht van € 50 terug.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 4.854 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 365;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 3.583;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.917;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 24 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Besluit van 28 juni 2022, nr. 2022-176296.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, A, blz. 84 en 85.
Kamerstukken II 1958/59, 5380, nr. 5, blz. 7.
Vergelijk Rechtbank Noord-Holland, 12 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10031.
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:3288.
Zie ook Centrale Raad van Beroep van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2642 waarin is geoordeeld dat een periode van 4,5 maand reeds als onredelijk laat wordt aangemerkt.
Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
ECLI:NL:HR:2016:252.