Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5091

Tribunal

Arnhem

Date

1 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/918uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. van Leeuwen),

en

de minister van Financiën

(gemachtigde: mr. J. Rhebergen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om het door eiseres ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart in het bestreden besluit. Om die reden is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO Bank N.V. (ABN AMRO) niet voldoet aan de voorwaarde van opeisbaarheid in artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister hoeft de hardheidsclausule niet toe te passen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Eiseres heeft een schuldenlijst opgestuurd naar de Sociale Banken Nederland (SBN), waarop een openstaande schuld aan de ABN AMRO staat van € 5.886,93. Eiseres heeft verzocht om overname van deze schuld.

2.1.. De SBN heeft namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister) in het besluit van 7 juni 2024 geweigerd de schuld over te nemen. De minister heeft het bezwaar van eiseres met het bestreden besluit van 7 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om eiseres in de gelegenheid te stellen de kredietovereenkomst met ABN AMRO te overleggen. Eiseres heeft op 24 maart 2026 stukken overgelegd en de minister heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 11 mei 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. De minister stelt in het bestreden besluit dat eiseres na het besluit op 7 juni 2024 binnen zes weken bezwaar had moeten maken, maar pas op 25 september 2024 bezwaar heeft gemaakt. Dat is te laat. Eiseres geeft geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Daarom verklaart de minister het bezwaar niet-ontvankelijk.

De minister beoordeelt de bezwaargronden wel ambtshalve. De minister stelt ten aanzien van de schuld aan ABN AMRO dat geen achterstanden zijn ontstaan en de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is gesteld of is opgeëist. Daarom komt de schuld niet voor overname in aanmerking.

In beroep

Verklaart de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk?

4. Eiseres voert aan dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart. Daarbij licht eiseres toe dat het besluit van 7 juni 2024 was bezorgd bij de buren. Op die dag was zij dus ook niet op de hoogte van het besluit. Daar komt bij dat ook niet duidelijk is of het besluit daadwerkelijk op 7 juni 2024 is verzonden en bezorgd.

5. De rechtbank overweegt dat rechtspraak bestaat over een betwiste verzending.Daaruit volgt dat als de geadresseerde stelt dat hij of zij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het besluit wél op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Omdat de bij deze postvervoerbedrijven aangeboden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het gebruik maken van deze bedrijven het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Wel is vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder mag niet gebleken zijn van recente, concrete problemen bij de verzending van poststukken.

5.1.. De rechtbank heeft aan de minister gevraagd of hij informatie over de verzending van het besluit van 7 juni 2024 kan overleggen. Hierop gaf de minister aan dat het besluit per reguliere post (PostNL) is verzonden waardoor geen verzendbewijs kan worden overgelegd. De verzending is ook niet afzonderlijk geregistreerd. In het geautomatiseerde systeem dat de minister bijhoudt staat wel dat het besluit op 7 juni 2024 is genomen, en er staat ook dat de beschikking op die dag is verstuurd.

5.2.. De rechtbank oordeelt dat de minister met deze toelichting niet voldoet aan de onder 5 weergegeven bewijslast. Het besluit van 7 juni 2024 is voorzien van een verzenddatum en adressering, maar verder is niet duidelijk waaruit de daadwerkelijke verzending van het besluit blijkt. Dat blijkt ook niet uit (de uitdraai van) het geautomatiseerde systeem waar de minister op wijst. Daaruit blijkt immers enkel op welke datum is beslist. De minister heeft dus geen deugdelijke verzendadministratie bijgehouden. De verzending en ontvangst van het besluit is om die reden niet aannemelijk. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat eiseres, door eerst op 25 september 2024 bezwaar te maken, niet in verzuim is geweest. De minister verklaart het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

5.3.. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Hoe nu verder?

6. Als de rechtbank een besluit vernietigt, moet zij de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil onderzoeken.

6.1.. Als de rechtbank het besluit enkel vernietigt, valt de bezwaarprocedure weer ‘open’. De minister moet dan beslissen op wat eiseres in haar bezwaarschrift aanvoert. In dit geval heeft de minister dit eigenlijk al gedaan, omdat hij de bezwaargronden ambtshalve beoordeelt in het te vernietigen besluit en uitlegt dat- en waarom hij de schuld niet overneemt. Eiseres geeft in haar beroepsgronden ook aan waarom zij het niet eens is met dit standpunt. Tijdens de zitting heeft de minister naar voren gebracht dat de uitkomst en motivering van de ‘ambtshalve beoordeling’ niet wijzigt als hij een nieuwe beslissing zou moeten nemen op het bezwaar.

6.2.. De rechtbank heeft dit met partijen besproken tijdens de zitting en aan hen de vraag voorgelegd of zij een oordeel wensen over de uitkomst en motivering van de door de minister, verrichtte ‘ambtshalve beoordeling’. Partijen hebben daarmee ingestemd. Concreet betekent dit dat de rechtbank - aan de hand van de beroepsgronden van eiseres - hieronder beoordeelt of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO niet voor overname in aanmerking komt.

Opeisbaarheid

7. De rechtbank stelt eerst het volgende vast. Eiseres heeft op 1 juli 2006 een kredietrekening afgesloten bij ABN AMRO (Privélimiet Plus). Op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, wordt de hoofdsom van zo’n lening overgenomen, als die vanwege betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.

7.1.. Uit informatie van ABN AMRO volgt dat bij eiseres op 31 mei 2021 geen vorderingen zijn opgeëist. Er is geen sprake van een opeisbare betalingsachterstand. Dit is verder ook niet in geschil.

8. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de hoofdsom van de kredietrekening opeisbaar is. Om die vraag te beantwoorden, is onder meer van belang wat daarover in de voorwaarden is bepaald. Hierbij is niet van belang of de schuldeiser ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet.

9. Eiseres voert aan dat de schuld (hoofdsom) weliswaar niet is opgeëist, maar wel opeisbaar ís. Daarbij wijst eiseres op artikel 4 van de Bijlage van de kredietovereenkomst. Daarin staat:

‘Zowel de Bank als de Kredietnemer zijn bevoegd deze kredietfaciliteit te allen tijde te beëindigen. Op verzoek van Kredietnemer zal de Bank de reden(en) mededelen. De Bank zal hiertoe met name overgaan als gedurende een onafgebroken periode van twee maanden de kredietlimiet, zonder toestemming van de Bank met minimaal een bedrag gelijk aan 5% van de kredietlimiet wordt overschreden.’

Volgens eiseres volgt hieruit dat de ABN AMRO op ieder moment de kredietrekening kan intrekken en het openstaande bedrag kan opeisen. Eiseres betoogt dat de schuld daarom wél in aanmerking komt voor overname.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister wijst terecht op artikel 7 van de Bijlage van de kredietovereenkomst. Daarin staat in welke gevallen de hoofdsom ineens opeisbaar wordt, bijvoorbeeld - kort gezegd - als iemand na een ingebrekestelling niet voldoet aan de betalingsverplichting of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietnemer binnen vier maanden Nederland zal verlaten. Uit artikel 7 van de Bijlage volgt dat pas sprake is van opeisbaarheid als aan een voorwaarde uit dit artikel is voldaan. In het geval van eiseres is niet aan een voorwaarde voor opeisbaarheid uit dat artikel voldaan. De stelling van eiseres dat de hoofdsom op grond van artikel 4 van de Bijlage altijd opzegbaar en dus opeisbaar is, is dus niet juist. De hoofdsom van de kredietovereenkomst wordt immers alleen onder de in artikel 7 bepaalde voorwaarden opeisbaar. Artikel 4 van de Bijlage ziet op de mogelijkheid van beëindiging van de kredietrekening. Van beëindiging van de overeenkomst op grond van dat artikel is niet gebleken, en evenmin is gebleken dat de in dat artikel genoemde kredietoverschrijding zich bij eiseres heeft voorgedaan..

10.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarde van opeisbaarheid in artikel 4.1 van de Wht.

Evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule

11. Eiseres voert aan dat zij de kredietrekening heeft afgesloten om de openstaande schulden te betalen die zijn ontstaan door de toeslagenaffaire. Eiseres voldeed altijd aan haar betalingsverplichting en betaalt nu nog een maandelijks bedrag aan rente. Als zij dat niet had gedaan was een opeisbare betalingsachterstand ontstaan, die wél zou worden overgenomen. Volgens eiseres leidt dit tot een ongerechtvaardigd onderscheid.

12. Deze beroepsgrond strekt ertoe dat de rechtbank de eis dat een schuld opeisbaar is toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Deze eis staat echter in een wet in formele zin (artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht) en valt daarom onder het toetsingsverbod. De rechtbank mag deze bepaling in beginsel niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.

13. De rechtbank komt vanwege het toetsingsverbod niet toe aan de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij wijst zij op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken. Daaruit volgt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden over te nemen. Daarmee heeft de wetgever met zoveel woorden onder ogen gezien dat dit tot situaties kan leiden die onrechtvaardig kunnen aanvoelen. Daaronder kan ook de situatie van ouders vallen, die zoals eiseres, onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben.

14. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule slaagt ook niet. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht een hardheidsclausule is opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1 van de Wht, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang.

14.1.. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres oneerlijk voelt dat zij niet volledig gecompenseerd wordt, terwijl zij alles op alles heeft gezet om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Toch is de omstandigheid dat de schuld daardoor niet opeisbaar is geworden, ‘geen onbillijkheid van overwegende aard’. Zoals onder 13 staat, heeft de wetgever er bewust voor gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden over te nemen. Eiseres geeft verder geen inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor eiseres heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk maakt dat haar actuele situatie zodanig bijzonder of schrijnend is, dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.

16. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing. De rechtbank verklaart het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2024 ongegrond en stelt haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit. De minister hoeft daarom niet opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift.

17. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank stelt de vergoeding voor de proceskosten vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, en 0,5 punt voor de reactie na schorsing ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2335.

Dat staat in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101.

De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045 en 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.

Plus de Décisions