Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5169

Tribunal

Arnhem

Date

1 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Belastingrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 24/3061 en 24/4796
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 237 en een vergrijpboete opgelegd van € 490.

De inspecteur heeft met dagtekening 29 december 2021 een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 15.885 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 2.351 en een vergrijpboete opgelegd van € 5.345.

De inspecteur heeft het bezwaar van 21 december 2021 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 met dagtekening 7 december 2023 gegrond verklaard en de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en vergrijpboete vernietigd.

De inspecteur heeft het bezwaar van 31 december 2021 tegen de naheffingsaanslag OB met dagtekening 22 januari 2024 gegrond verklaard, het te betalen bedrag verminderd met € 2.066 tot € 13.819, de vergrijpboete verminderd met € 1.033 tot € 4.312 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur, mr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .

Feiten

1. Belanghebbende is opgericht op 5 december 2016 en is een 100% dochtervennootschap van [belanghebbende] ( [belanghebbende] )., waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder was de heer [gemachtigde 2] .

2. Tot eind 2016 was de bestuurder van [belanghebbende] namens [belanghebbende] werkzaam voor het advocatenkantoor van [bedrijf] . Vanaf 2017 was de bestuurder namens belanghebbende werkzaam voor [bedrijf] .

Navorderingsaanslag Vpb 2016

3. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2016 gedaan over een verlengd boekjaar van 5 december 2016 tot en met 31 december 2017 naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 25.103.

4. De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2016 overeenkomstig de aangifte opgelegd en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 400.

5. De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig opgelegd een vergrijpboete van € 490 en een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 237.

6. De inspecteur is bij uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft de navorderingsaanslag Vpb 2016 en de gelijktijdig opgelegde vergrijpboete en genomen belastingrentebeschikking vernietigd. Hij heeft een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. In de uitspraak op bezwaar is het volgende vermeld omtrent het terugnemen van de correctie:

“(…) In het boekenonderzoek is aangegeven dat [belanghebbende] in het jaar 2017 uren heeft gemaakt voor een cliënt die ten onrechte niet als omzet of als onderhanden werk zijn aangegeven. Daarnaast is in het boekenonderzoek aangegeven dat de cliënt waarvoor de uren zijn gemaakt een auto ter beschikking heeft gesteld aan [belanghebbende] Het gebruik van de auto door [belanghebbende] is verrekend met de gemaakte uren voor deze cliënt.

Ik ben van mening dat in het boekenonderzoek voldoende aannemelijk is gemaakt dat [belanghebbende] uren heeft gemaakt voor de betreffende cliënt en dat zij deze uren niet heeft gefactureerd. Ook is naar mijn mening aannemelijk gemaakt dat er een auto ter beschikking is gesteld door cliënt aan [belanghebbende] en/of de heer en mevrouw [gemachtigde 2] . Tijdens het behandelen van uw bezwaarschrift heb ik geconstateerd dat [belanghebbende] en de heer [naam] en zijn vennootschappen overeengekomen zijn om de verrekening van de vordering van [belanghebbende] en het ter beschikking stellen van de auto met gesloten beurzen af te wikkelen. Hierdoor is, per saldo geen sprake van een te belasten winst in [belanghebbende] De in het boekenonderzoek toegepaste correctie ad € 5.765 kan dan ook niet in stand blijven. (…)”

Naheffingsaanslag OB

7. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport.

8. Hoofdstuk 4 van het controlerapport bevat correcties die betrekking hebben op de omzetbelasting. Punt 4.12 van het controlerapport bevat de correcties voor de omzetbelasting met betrekking tot het privégebruik van de auto. Daarin staat:

[afbeelding gepseudonimiseerd]

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag Vpb 2016 en naheffingsaanslag OB 2017. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

10. Belanghebbende voert aan dat in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding is toegekend en dat de naheffingsaanslag OB 2017 te hoog is vastgesteld.

11. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding en dat de naheffingsaanslag OB 2017 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Integrale proceskostenvergoeding

12. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding na de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. Volgens haar was het van tevoren al duidelijk dat de correcties waarop de navorderingsaanslag was gebaseerd geen stand konden houden.

12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat door de inspecteur geen aanslag is opgelegd tegen beter weten in en dat evenmin door de inspecteur in de aanslagregelende

fase of de bezwaarfase onzorgvuldig is gehandeld. Zo al onzorgvuldig is gehandeld –

hetgeen hij betwist – is dit handelen niet zodanig onzorgvuldig dat dit een

integrale vergoeding van de kosten rechtvaardigt.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een integrale proceskostenvergoeding geen plaats omdat eerst in de bezwaarfase duidelijk is geworden dat de correctie van € 5.765 (zie 6.) geen stand kon houden, omdat toen pas is gebleken dat belanghebbende en de client beoogden de door belanghebbende gemaakte uren te verrekenen met de terbeschikkingstelling door client van een auto aan belanghebbende. Van een handelen tegen beter weten in of verregaande onzorgvuldigheid is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.

Naheffingsaanslag OB

15. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur, aldus belanghebbende, geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk/privé.

16. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 12. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het controlerapport en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.

17. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en/of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.

18. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 15) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport voor de loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.

Vergrijpboete

20. Ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat aanvankelijk niet is betaald, door opzet of grove schuld van de belastingplichtige.

20. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist.Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Dit volgt ook uit de door [gemachtigde 2] en zijn boekhouder gegeven verklaringen. Vaststaat dat slechts voor 1 auto (BMW Cabrio [kenteken] ) in Black Box in de periode tot en met 1 november 2018 een rittenadministratie is bijgehouden, dat voor de resterende periode en de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen omzetbelasting ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. Van schending van het nemo tenetur-beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat de boete niet uitsluitend is gebaseerd op de door belanghebbende afgelegde verklaringen, maar ook op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen voor zover de boete ziet op het privégebruik van de auto. Deze boete wordt dan 25% van € 2.243= € 560. De totale boete is dan € 4.312 -/- € 1.234 = € 3.078. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd tot een bedrag van € 3.078.

Immateriële schadevergoeding

23. Belanghebbende heeft ter zitting een vergoeding verzocht voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.

23. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.

25. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak niet betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat in beginsel per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of recht bestaat op een immateriële schadevergoeding.

25. De rechtbank stelt ter zake van de procedure die ziet op de navorderingsaanslag Vpb 2016 vast dat belanghebbende op 21 december 2021 bezwaar heeft gemaakt en dat de inspecteur aan dat bezwaar volledig tegemoet is gekomen en de navorderingsaanslag en de gelijktijdig genomen belastingrentebeschikking en opgelegde vergrijpboete heeft vernietigd. De door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie wordt dus geacht ten einde te zijn gekomen op het moment dat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist, namelijk 7 december 2023. Dat is binnen een termijn van twee jaar, zodat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding voor die procedure. Dat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar omdat hij het niet eens is met de hoogte van de proceskostenvergoeding kan niet worden geacht een voortzetting te zijn van de eerder door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie.

27. Met betrekking tot de procedure die ziet op de naheffingsaanslag OB geldt het volgende. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting op 31 december 2021 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 54 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 30 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 22 januari 2024. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van (19/30 * € 3.000 =) € 1.900 aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.100.

27. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep dat betrekking heeft op de naheffingsaanslag OB 2017 is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft. De rechtbank zal die boete verminderen tot een bedrag van € 3.078. Het beroep over de navorderingsaanslag Vpb 2016 is ongegrond. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2017 gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de vergrijpboete;

vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 3.078;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

verklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb 2016 ongegrond;

veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.900;

veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.100;

veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3.200;

bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en

mr. R.J.W. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 1 juli 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

voorzitter

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Hoge Raad 10 maart 2017; ECLI:NL:HR:2017:392.

Nr. BLKB2012/639M, Staatscourant 2012, 14822.

Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.

ECLI:NL:HR:2022:526.

Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.

Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.

ECLI:NL:HR:2016:252.

ECLI:NL:HR:2024:853.

Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.

Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.

Plus de Décisions