[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5214":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5214":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1260","ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F453863 \u002F HA ZA 25-275\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\n2. [naam eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna te noemen: [de eisers] ,\n\nadvocaat: mr. Z.J. Rittersma, op de voet van art. 16e van de Advocatenwet in samenwerking met mr. S. Wijnkamp, Rechtsanwalt te Mils bei Imst, Oostenrijk,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERALI DEUTSCHLAND AG,\n\ngevestigd te München, Duitsland,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Generali,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. Zeeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2023, aangebracht tegen de rol van 13 december 2023 en geregistreerd onder zaaknummer C\u002F05\u002F429092 \u002F HA ZA 23-538\n\n- de herhaalde en ingewilligde eenstemmige verzoeken om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord\n\n- de rolbeslissing van 16 april 2024, waarbij de zaak ambtshalve is doorgehaald op de rol\n\n- de rolbeslissingen van 16 en 18 april 2024, waarbij niet is teruggekomen van de beslissing tot doorhaling\n\n- het opbrengen van de zaak op de rol van 9 juli 2025, onder het huidige zaaknummer\n\n- de akte bij hervatting, tevens houdende eiswijziging\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het tussenvonnis van 22 oktober 2025\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 februari 2026 en de daarin genoemde aanvullende producties\n\n- de rolberichten van partijen 24 maart 2026.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nOp 2 januari 2017 is [vader eisers] , bestuurder van Topparken Holding B.V en vader van [de eisers] , in Gerlos, Oostenrijk, op straat aangereden door een bij (een rechtsvoorgangster van) Generali verzekerde personenauto. [eiser 1] heeft het ongeval zien gebeuren, [eiser 2] niet. [vader eisers] is aan zijn verwondingen overleden.\n\n [de eisers] waren destijds respectievelijk 17 en 13 jaar oud. [vader eisers] was tot de echtscheiding in 2016 gehuwd met [naam 1] .\n\n2.2.. De begrafenis van [vader eisers] vond plaats op 19 januari 2017. De uitvaartondernemer heeft de erven daarvoor een rekening gestuurd van € 31.589,47. In verband met de uitvaart zijn aan Topparken Holding B.V. (verder: Topparken) bedragen van in totaal € 211.204,20 in rekening gebracht. Voor de kosten van het grafmonument is aan [naam 2] een factuur van € 5.993,00 gezonden.\n\n2.3.. Bij e-mail van 19 juli 2017 heeft het Ausländerschadensbüro van het Verband der Versicherungsunternehmen Österreichs te Wenen (verder: het Verband) aan [de eisers] laten weten dat de belangen bij auto-ongevallen in Oostenrijk van de rechtsvoorgangster van Generali worden behartigd door Generali Versicherung AG, gevestigd in Wenen, Oostenrijk (verder: Generali Oostenrijk).\n\n2.4.. Bij vonnis van 9 augustus 2017 heeft het Landesgericht Innsbruck de bestuurder van de personenauto veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens dood door grove nalatigheid (grob fahrlässige Tötung). Vastgesteld werd dat de bestuurder in het donker en met door sneeuwval verminderd zicht, zonder licht te voeren en in beschonken toestand reed en [vader eisers] , die zich op de rijbaan bevond, over het hoofd heeft gezien en heeft aangereden, waardoor hij traumatisch hersenletsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij is overleden. De bestuurder is daarbij tevens veroordeeld om aan de benadeelde partijen (Privatbeteiligten) [eiser 1] en [eiser 2] (lees: [de eisers] , rb) ieder € 500,00 te betalen. Dit Oostenrijkse strafvonnis is onherroepelijk.\n\n2.5.. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft Generali Oostenrijk aan [de eisers] bericht “dass wir in den Schadenfall eintreten können”. Generali Oostenrijk heeft daarbij meegedeeld een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken te verwachten en ook een toelichting op de gezinssituatie.\n\n2.6.. Bij e-mail van 18 oktober 2019 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 15 december 2020 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.7.. Op 11 mei 2020 heeft Generali aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.000,00 betaald ter zake van smartengeld c.q. shockschade.\n\n2.8.. Bij e-mail van 27 november 2020 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 31 december 2021 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.9.. Bij e-mail van 7 december 2021 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 30 juni 2022 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.10.. Bij e-mail van 26 mei 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat zij de verlangde bewijsstukken nog niet heeft ontvangen, dat de termijn van afzien van een beroep op verjaring al meerdere keren is verlengd, dat zij dit nu voor de laatste maal zal doen en tot 30 november 2023 geen verjaringsverweer zal tegenwerpen.\n\n2.11.. Op 23 augustus 2023 heeft Generali betreffende smartengeld c.q. shockschade een aanvullend bedrag van € 10.000,00 betaald aan [eiser 1] onder de vermelding “Betreffend Trauerschmerzengeld\u002FSchockschaden stellen wir lhrem Mandanten [eiser 1] , der diesen tragischen Unfall miterlebte, einen weiteren Betrag von 10.000,00 Euro zur Verfügung”. Ook heeft Generali toen de leges die [de eisers] als benadeelde partijen in de strafzaak hebben moeten betalen, in totaal een bedrag van € 1.761,42, aan hen betaald.\n\n2.12.. Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat na ruggenspraak met haar contactpersoon tot 31 december 2023 wordt afgezien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [de eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,\n\n1) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor alle door [de eisers] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 2 januari 2017,\n\n2) Generali zal veroordelen om wegens geleden schade tot en met 2020 te betalen, aan [eiser 1] een bedrag van € 369.425,05 en aan [eiser 2] een bedrag van € 366.871,63, althans in goede justitie vast te stellen schadevergoedingen, te vermeerderen met rente,\n\n3) voor recht zal verklaren dat Generali aan [eiser 1] en [eiser 2] met ingang van 1 januari 2021, althans een in goede justitie vast te stellen begindatum, ieder een jaarlijkse vergoeding voor gemiste onderhoudsbijdrage, gemiste bijdragen aan huishoudelijke taken en gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene verschuldigd is, op te maken bij staat,\n\n4) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\nmet veroordeling van Generali in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met rente.\n\n3.2.. \n [de eisers] baseren hun vorderingen kort gezegd erop dat zij als nabestaanden naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder aanspraak hebben op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade, van de begrafeniskosten, van gemist levensonderhoud, van de gemiste bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding en aan het onderhoud van de gezinswoning en van de belasting die zij over de te ontvangen schadevergoeding zullen moeten afdragen. Zij kunnen deze aanspraken rechtstreeks te gelde maken tegen Generali, bij wie de door de bestuurder bestuurde auto ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid was verzekerd, aldus [de eisers] .\n\n3.3.. \n\nDe aanspraak op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade hebben [de eisers] becijferd op respectievelijk € 30.000,00 en € 15.000,00, waarvan Generali reeds respectievelijk € 25.000,00 en € 15.000,00 heeft betaald, zodat in dit verband nog een aanspraak van [eiser 1] resteert van € 5.000,00.\n\nDe aanspraak op vergoeding van de kosten van de begrafenis hebben [de eisers] geraamd op € 248.786,67, het totaal van de in 2.2. genoemde bedragen. Voor zover deze kosten door Topparken Holding B.V,. zijn voldaan, heeft deze vennootschap haar vordering op de bestuurder c.q. Generali aan [de eisers] overgedragen. [de eisers] vorderen ieder de helft van de begrafeniskosten.\n\nDe aanspraak op gemiste onderhoudsbijdrage, waaronder opleidingskosten en ten behoeve van dit onderhoud door de overledene opgebouwd vermogen van € 100.000,00 per kind, en gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] tot en met 2020 becijferd op respectievelijk € 240.531,71 en € 242.978,29. Hun aanspraken op wezenpensioen en uit een lijfrente hebben zij daarin verdisconteerd.\n\nOp hun aanspraak hebben [de eisers] ieder de € 500,00 in mindering gebracht die zij op basis van het Oostenrijkse strafvonnis van de bestuurder hebben ontvangen.\n\n3.4.. Generali voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [de eisers] in de (na)kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen nadere akte\n\n4.1.. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om [de eisers] nog bij akte op productie 8 van Generali te laten reageren. Zij hebben zich over dit juridisch advies van dr. [adviseur] genoegzaam kunnen uitlaten, in aanmerking genomen dat de strekking ervan al grotendeels in de conclusie van antwoord was vervat, zij mede worden bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat en zij zich vervolgens ook daadwerkelijk ter zitting hebben uitgelaten. Een nadere akte is dan, met het oog op hoor en wederhoor of een goede instructie van de zaak, niet noodzakelijk.\n\nIPR\n\n4.2.. In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht op grond van art. 11 lid 1 sub b j° art. 13 lid 2 en art. 26 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215\u002F2012). Het betreft hier een vordering die door getroffenen rechtstreeks tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar wordt en kan worden ingesteld, Generali heeft woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de EU en [de eisers] wonen in het rechtsgebied van deze rechtbank. Generali is bovendien verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten.\n\n4.3.. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oostenrijk. Uit art. 3 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971\u002F118), welk Verdrag gelet op art. 10:158 BW en art. 28 van de Rome II-Verordening (nr. 864\u002F2007) voor gaat op die Verordening en bij welk Verdrag Nederland en Oostenrijk partij zijn, volgt dan dat Oostenrijks recht van toepassing is. Ingevolge art. 8 van dit Verdrag bepaalt Oostenrijks recht onder meer welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade, alsmede de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing. [de eisers] en ook Topparken, die haar vordering aan hen heeft overgedragen, hebben krachtens Oostenrijks recht een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding op Generali, de verzekeraar van de aansprakelijke partij, in de zin van art. 9 lid 1 van het hiervoor bedoelde Verdrag.\n\nCessies\n\n4.4.. \n [de eisers] hebben bij akte van 1 juli 2025, vlak voordat de zaak opnieuw werd opgebracht, hun vorderingen op Generali overgedragen aan Topparken. Generali heeft bij antwoord opgeworpen dat [de eisers] daarom niets meer van haar te vorderen te hebben, zodat het gevorderde moet worden afgewezen. Bij akte van 10 februari 2026, vlak voor de mondelinge behandeling, heeft Topparken haar vorderingen op Generali overgedragen aan [de eisers] , zoals klaarblijkelijk van aanvang af de bedoeling was. Het verweer van Generali slaagt daarom niet.\n\nVerjaring\n\n4.5.. Generali beroept zich erop dat de vorderingen die [de eisers] hebben ingesteld zijn verjaard, in de eerste plaats omdat de verklaringen dat dit verweer niet zal worden gevoerd, niet namens Generali zijn gedaan en dus jegens haar geen werking hebben. De verjaringstermijn, naar Oostenrijks recht drie jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke partij (§ 1489 Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch, verder: ABGB), is daarom verstreken zodat de vorderingen zijn verjaard, aldus Generali.\n\n4.6.. Dit verweer slaagt niet. Generali leidt uit de verklaringen van Generali Oostenrijk af dat Generali Oostenrijk uitsluitend namens het Verband tijdelijk afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring en niet namens Generali. De rechtbank verwerpt dat standpunt.\n\n4.7.. Zoals [de eisers] in de dagvaarding onbetwist hebben gesteld en ter zitting met een citaat uit de betreffende e-mail hebben onderbouwd, heeft het Verband op 19 juli 2017 aan [de eisers] laten weten dat de belangen van de rechtsvoorgangster van Generali bij ongevallen met motorrijtuigen in Oostenrijk worden behartigd door Generali Oostenrijk, als de bevoegde contactpersoon. Daarbij is hun gevraagd zich voor de verdere correspondentie over de schadeafwikkeling tot Generali Oostenrijk te wenden. Generali Oostenrijk heeft zich vervolgens ook als zodanig gemanifesteerd, bijvoorbeeld door [de eisers] op 24 oktober 2017 te berichten “dass wir in den Schadenfall eintreten können” met het verzoek om een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken en een toelichting op de gezinssituatie. Op 26 mei 2023 heeft Generali Oostenrijk nog gerappelleerd over ontbrekende bewijsstukken. De contacten van [de eisers] met Generali Oostenrijk hebben bovendien geleid tot betalingen door Generali.\n\n4.8.. Generali Oostenrijk is aldus opgetreden als schaderegelaar (Schadenregulierungs-beauftragte) van Generali, in de zin van art. 21 van Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (verder: Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG). Zie voor de verplichting van Generali om in Oostenrijk een schaderegelaar aan te wijzen § 163 van het huidige Duitse Versicherungsaufsichtsgesetz. Een dergelijke schadebehandelaar moet, gelet op lid 1 van dit art. 21 en lid 1 van deze § 163, geacht worden de verzekeraar ter zake van de behandeling en afwikkeling van een vordering als de onderhavige bevoegd te vertegenwoordigen. De verklaringen van Generali Oostenrijk over het afzien van een beroep op verjaring binden Generali dus wel degelijk, nog daargelaten dat Generali Oostenrijk in de e-mailberichten van 26 mei 2023 en 16 november 2023 niet heeft verklaard dat zij namens het Verband afziet van een beroep op verjaring. Dit betekent dat de vorderingen van [de eisers] in ieder geval tot 31 december 2023 niet zijn verjaard.\n\n4.9.. Dit geldt niet voor de aan [de eisers] overgedragen vordering van Topparken ter zake van de aan haar in rekening gebrachte kosten van de uitvaart. Zoals [de eisers] aanvoeren en Generali onderschrijft, heeft Topparken naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder en Generali een eigen recht op vergoeding van kosten die zij in verband met het ongeval heeft gemaakt, althans tot op zekere hoogte. Gesteld noch gebleken is echter dat Topparken tegenover de bestuurder, Generali, het Verband of Generali Oostenrijk op enigerlei wijze de verjaring heeft gestuit. Dat er door of namens Topparken enige communicatie is geweest in de richting van een van deze partijen totdat in 2025 mededeling werd gedaan van de eerste cessie, is niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Haar aanspraak op vergoeding van deze kosten is dan verjaard. Dit betreft het totaal van de rekeningen die ter zake van het overlijden en de uitvaart aan Topparken zijn gezonden, ter hoogte van het in 2.2. bedoelde bedrag van € 211.204,20. Dat Topparken haar vordering aan [de eisers] heeft overgedragen maakt het voorgaande niet anders. Die vordering was toen al verjaard.\n\n4.10.. Generali beroept zich in de tweede plaats erop dat de vorderingen van [de eisers] zijn verjaard, omdat zij de onderhavige procedure, die voor 31 december 2023 werd ingeleid, onvoldoende voortvarend hebben voortgezet.\n\n4.11.. Volgens § 1497 ABGB wordt de verjaring gestuit door de schuldenaar in rechte aan te spreken en die procedure behoorlijk voort te zetten (Die Verjährung wird unterbrochen wenn er (degene die zich op verjaring wil beroepen, rb) von dem Berechtigten belangt, und die Klage gehörig fortgesetzt wird). Wordt een procedure gestart, maar niet behoorlijk vervolgd, dan verjaart dus alsnog de vordering. Volgens vaste Oostenrijkse rechtspraak is pas sprake van onbehoorlijke voortzetting als de eiser een ongebruikelijke inactiviteit aan de dag legt, waaruit kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het bereiken van het procesdoel. (… wenn der Kläger eine ungewöhnliche Untätigkeit an den Tag legt, die darauf schließen lässt, dass ihm an der Erreichung des Prozesszieles nicht mehr gelegen ist.)\n\n4.12.. Generali wijst in dit verband erop dat [de eisers] , na doorhaling van de zaak op de rol bij beslissing van 16 april 2024, totdat zij op 1 juli 2025 aankondigden dat de zaak opnieuw zou worden opgebracht, niet van zich hebben laten horen. Deze inactieve periode van 14½ maand betekent dat [de eisers] de procedure niet behoorlijk hebben vervolgd. Daarom is de vordering verjaard, aldus Generali.\n\n4.13.. Dit verweer slaagt niet. Naar Oostenrijks recht is inactiviteit slechts relevant voor zover deze inactiviteit valt in de periode na het vollopen van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn. (Die Untätigkeit ist nur soweit relevant, als sie in die Zeit nach Ablauf der (ursprünglichen) Verjährungsfrist fällt.)\n\n4.14.. Uit § 1497 ABGB volgt dat de verjaring ook wordt gestuit als degene die zich op verjaring wil beroepen vóór het vollopen van de verjaringstermijn het recht van de ander uitdrukkelijk of stilzwijgend erkent. (Die Verjährung wird unterbrochen wenn derjenige, welcher sich auf dieselbe berufen will, vor dem Verlaufe der Verjährungszeit entweder ausdrücklich oder stillschweigend das Recht des Andern anerkannt hat.) De erkenning hoeft niet uitdrukkelijk te geschieden; gedrag waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar zich ervan bewust is tot betaling verplicht te zijn, is voldoende. De verjaring wordt onderbroken door elke handeling van de schuldenaar die op enigerlei wijze uitdrukking geeft aan zijn besef dat hij uit hoofde van de betreffende schuldverhouding verplicht is jegens de schuldeiser, waarbij de objectieve verklarende waarde van de wilsuiting doorslaggevend is. Door deelbetalingen wordt de verjaring onderbroken wanneer er geen twijfel over bestaat dat de schuldenaar daarmee slechts een deel van zijn schuld wilde dekken. (Die Anerkennung muss nicht ausdrücklich erfolgen; ein Verhalten, aus dem sich entnehmen lässt, dass der Schuldner das Bewusstsein hat, zur Zahlung verpflichtet zu sein, ist ausreichend. Die Unterbrechung der Verjährung bewirkt jede Handlung des Schuldners, die in irgendeiner Weise sein Bewusstsein, aus dem betreffenden Schuldverhältnis dem Gläubiger verpflichtet zu sein, zum Ausdruck bringt, wobei es auf den objektiven Erklärungswert der Willensäußerung ankommt. Durch Teilzahlungen wird die Verjährung dann unterbrochen, wenn zweifelsfrei ist, dass der Schuldner mit ihnen nur einen Teil seiner Schuld abdecken wollte.)\n\n4.15.. Uit de door [de eisers] gestelde feiten volgt dat Generali laatstelijk op 23 augustus 2023 ter zake van smartengeld c.q. shockschade en ter vergoeding van leges, betalingen heeft gedaan aan [de eisers] , zonder twijfel ter delging van slechts een deel van haar schuld aan hen. Die schuld bestond immers uit meer dan smartengeld c.q. shockschade, zoals Generali, getuige de herhaalde verzoeken om bewijsstukken ten aanzien van gederfd levensonderhoud, ook wist. Uit voormelde deelbetalingen van Generali aan [de eisers] kan worden afgeleid dat Generali zich bewust was tot betaling verplicht te zijn. De betalingen geven immers objectief beschouwd blijk van haar besef van de aanspraken van [de eisers] jegens haar uit hoofde van het ongeval. De verjaring is dan ook wegens erkenning gestuit op 23 augustus 2023. Op dat moment is de verjaringstermijn van drie jaar uit § 1489 ABGB opnieuw aangevangen. Volgens Oostenrijks recht wordt door de erkenning de lopende verjaringstermijn gestuit; deze begint volledig opnieuw te lopen zodra de reden voor de stuiting is weggevallen. (Durch die Anerkennung wird die laufende Verjährung unterbrochen; sie beginnt nach Wegfall des Unterbrechungsgrundes völlig neu zu laufen.) Sinds 23 augustus 2023 zijn nog geen drie jaar verstreken. Talmen van [de eisers] tijdens de onderhavige procedure kan dan naar Oostenrijks recht hun vorderingen niet doen verjaren, wat daarvan verder zij.\n\nAansprakelijkheid\n\n4.16.. Niet in geschil is dat de bestuurder en houder van de bij Generali verzekerde personenauto jegens [de eisers] aansprakelijk is uit hoofde van § 1 en § 5 van het Eisenbahn- und Kraftfahrzeughaftpflichtgesetz (verder: EKHG). Onbetwist is ook dat [de eisers] op basis van § 26 van het Kraftfahrzeug-Haftpflichtversicherungsgesetz 1994 deze schadevergoedingsaanspraak rechtstreeks jegens Generali geldend kunnen maken. Over de schade waarvan [de eisers] vergoeding vorderen, wordt, uitgesplitst per schadepost, het volgende overwogen.\n\nBegrafeniskosten\n\n4.17.. In § 12 van het EKHG, dat de inhoud van de schadeloosstelling betreft, is in lid 1 aanhef en onder 5 bepaald dat, in geval van overlijden, degene die de kosten van de begrafenis moet dragen of deze kosten daadwerkelijk heeft gedragen, aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van een passende begrafenis. Niet in geschil is dat [de eisers] jegens Generali recht hebben op vergoeding van de kosten van de begrafenis die zij hebben gemaakt, voor zover deze passend was.\n\n4.18.. Ter zake van de begrafenis is, zoals gezegd, aan de erven een bedrag van € 31.589,47 in rekening gebracht, van welk bedrag [de eisers] in deze procedure vergoeding vorderen. Generali betwist dat [de eisers] deze kosten hebben voldaan. Omdat (vrijwel) alle andere facturen ter zake van de begrafenis door Topparken zijn betaald acht Generali aannemelijk dat ook de factuur van de uitvaartondernemer door Topparken is voldaan en niet door [de eisers] . Daarbij heeft Generali gewezen op de eerste cessieakte, waarin staat dat Topparken een belangrijk deel van de kosten van de uitvaart heeft voldaan. De kosten van de uitvaart hebben volgens [de eisers] in totaal € 248.786,67 bedragen, waarvan een bedrag van € 211.204,20 door Topparken is voldaan, zoals hiervoor in 4.9. is aangenomen. Dit sluit aan bij de tekst van de cessieakte waarin staat dat de kosten slechts voor een belangrijk deel en dus niet (bijna) volledig door Topparken zijn voldaan. De cessieakte lijkt dan juist het standpunt van [de eisers] te ondersteunen dan zij het verhoudingsgewijs geringe bedrag van € 31.589,47 wel zelf hebben voldaan. In ieder geval heeft Generali dit aldus onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat zonder bewijslevering wordt vastgesteld dat [de eisers] zelf voor een bedrag van € 31.589,47 de kosten van de begrafenis hebben moeten dragen, zoals Generali uiteindelijk ook ‘hooguit’ wel wil aannemen. [eiser 1] heeft in de dagvaarding vergoeding van dit volledige bedrag gevorderd. Na wijziging van eis vorderen [de eisers] ieder de helft van deze kosten. In het juridisch advies van dr. [adviseur] dat Generali in het geding heeft gebracht worden aan deze eiswijziging verjaringsgevolgen verbonden, maar dat is niet concreet gebeurd in de processtukken of ter zitting, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.\n\n4.19.. De kosten van het grafmonument ad € 5.993,00 zijn bij [naam 2] in rekening zijn gebracht. [de eisers] hebben niet toegelicht dat en hoe deze kosten toch voor hun rekening zijn gekomen. In zoverre is het gevorderde daarom niet toewijsbaar.\n\n4.20.. Ter zake van de hoogte van het gevorderde bedrag is het volgende van belang. Niet in geschil is dat de factuur van de begrafenisondernemer diensten en zaken betreft die naar Oostenrijks recht als kosten van de begrafenis hebben te gelden. De vraag is vervolgens wat de kosten van een passende begrafenis in dit geval zijn, omdat slechts in zoverre een vergoedingsplicht bestaat. Volgens Generali is het gevorderde bedrag onredelijk hoog. Volgens haar wordt in Oostenrijk doorgaans een bedrag van tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 als redelijk beschouwd, waaraan in het advies van [adviseur] is toegevoegd dat zelfs als rekening wordt gehouden met de hoge beroepsstatus van [vader eisers] de gevorderde kosten ad € 248.000,00 onredelijk hoog zijn.\n\n4.21.. Zoals [de eisers] aanvoeren moet voor de uitleg van het begrip ‘passende begrafenis’ in § 12 lid 1 aanhef en onder 5 EKHG § 549 ABGB analoog worden toegepast, waarin is bepaald dat de gewoonten van de plaats, alsmede de stand en het vermogen van de overledene doorslaggevend zijn.Niet in geschil is dat de stand en het vermogen van [vader eisers] aanzienlijk bovengemiddeld waren. Dan kan een bedrag dat iets hoger ligt dan anderhalf keer een kennelijk doorgaans nog passend bedrag, niet bovenmatig worden beschouwd. Gelet hierop is aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.794,74 voor begrafeniskosten toewijsbaar. Zoals gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag en wel vanaf 28 juli 2023. Generali heeft onweersproken opgeworpen dat naar Oostenrijks recht de wettelijke rente pas gaat lopen vanaf het moment waarop een concreet bedrag aan schadevergoeding wordt gevorderd. Dit is volgens [de eisers] gebeurd door bij brief van 29 juni 2023 uiterlijk op 28 juli 2023 betaling te verlangen. [de eisers] hebben er dan geen belang meer bij dat voor recht wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nSmartengeld [eiser 1]\n\n4.22.. Niet in geschil is dat [eiser 1] , nu de bestuurder grove schuld heeft aan het ongeval, aanspraak heeft op vergoeding van het verdriet om het verlies van zijn vader (zogenoemd Trauerschmerzengeld). Generali heeft hem in dit verband buiten rechte al een vergoeding betaald van in totaal € 25.000,00. [eiser 1] vordert nu € 5.000,00 meer. Daartoe wijst hij erop dat hij destijds als minderjarige in gezinsverband samenleefde met zijn vader met wie hij de gebruikelijke intensieve emotionele band had, dat hij persoonlijk getuige was van het ongeval en heeft moeten zien hoe zijn stervende vader met zware hoofdwonden op de grond was gevallen en dat hij nog steeds lijdt aan slaap- en concentratiestoornissen, onevenwichtigheid en depressie. Hij heeft daarbij verwezen naar § 273 Zivilprozessordnung (ZPO), waarin een algemene regeling voor bewijsnood in gevallen van schadevergoeding is gegeven. Omdat in deze zaak Nederlands procesrecht moet worden toegepastgaat de rechtbank hieraan voorbij, met dien verstande dat het in dit geval, gelet op het hierna volgende, niet op bewijslevering aankomt.\n\n4.23.. Generali heeft de door [eiser 1] aangevoerde omstandigheden niet betwist, maar meent dat de reeds uitgekeerde vergoeding meer dan redelijk is.\n\n4.24.. In de door [de eisers] aangehaalde uitspraak van het Oberste Gerichtshof werd de € 20.000,00 die in eerste aanleg werd toegewezen aan ieder van de ouders van een kind van zes jaar dat op 31 maart 2004 bij een verkeersongeval om het leven kwam, door het Oberste Gerichtshof in stand gelaten.Die € 20.000,00 bedroeg, rekening houdend met de geldontwaarding in Oostenrijk tussen 31 maart 2004 en 2 januari 2017, op laatstgenoemde datum ongeveer € 25.000,00. De benadeelden hadden in dat geval, anders dan [eiser 1] in de onderhavige zaak, het ongeval niet zien gebeuren. Zoals ook volgt uit de nabetaling door Generali op 23 augustus 2023 en de reden die zij daarvoor toen heeft opgegeven, is het feit dat de benadeelde getuige was van het verongelukken, een wezenlijk verhogende omstandigheid voor het verschuldigde Trauerschmerzengeld. Generali heeft niet concreet betwist dat de overige omstandigheden van de door het Oberste Gerichtshof berechte geval vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In het licht hiervan overvraagt [eiser 1] niet door in totaal € 30.000,00 aan smartengeld c.q. shockschade te verlangen. De nog niet vergoede € 5.000,00 zal dus aan hem worden toegewezen. Zoals onbetwist gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag vanaf 28 juli 2023, op de hiervoor genoemde gronden. Het belang van een verklaring voor recht dat wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade komt daarmee te ontvallen. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nGemist levensonderhoud en gemiste zelfwerkzaamheid\n\n4.25.. Ingevolge § 12 lid 2 j° § 19 EKHG en § 1327 ABGB moeten in een geval als dit, waarin lichamelijk letsel de dood tot gevolg heeft, de nabestaanden, voor wier onderhoud de overledene volgens de wet moest zorgen, schadeloos worden gesteld voor hetgeen hun daardoor ontgaat. Niet in geschil is dat tot dit gemiste onderhoud ook behoort de gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene in het huishouden en aan de gezinswoning. De sub 1 en sub 3 gevorderde verklaringen voor recht zijn dan ook toewijsbaar in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] . Ter zitting hebben [de eisers] verklaard dat met de eiswijziging na hervatting van de procedure bedoeld is de term ‘levenslang’ in het petitum van de dagvaarding sub 3 te laten vervallen en dat de rechtbank het zo moet begrijpen dat het gaat om de periode totdat de kinderen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Ook volgens Generali is dat zo. De toe te wijzen verklaring voor recht zal in deze zin worden aangevuld.\n\n4.26.. \n [de eisers] hebben sub 2 een veroordeling gevorderd tot betaling van de volgens hen tot en met 2020 in dit verband concreet verschenen schade. Voor nadien in dit verband verschenen en te verschijnen schade vorderen zij sub 3 klaarblijkelijk een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.\n\n4.27.. Ter zake van de tot en met 2020 verschenen schade geldt het volgende. Niet in geschil is dat [de eisers] aanspraak (kunnen) hebben op enig bedrag als compensatie voor het missen van onderhoud. Het is aan hen om in dit verband het nodige te stellen en te bewijzen. Om dit schadebedrag te kunnen becijferen is inzicht nodig in het gezinsinkomen, in het bijzonder het vrij besteedbare gezinsinkomen en het aandeel van de afzonderlijke gezinsleden daarin, de zogenoemde Konsumquote.Ook is hiervoor van belang of en zo ja in welke mate de moeder van [de eisers] in hun onderhoud voorzag of (volgens het echtscheidingsconvenant) moest voorzien. Verder moet daarvoor in kaart worden gebracht op welke bedragen [de eisers] vanwege het overlijden jegens derden aanspraak konden maken, zoals bijvoorbeeld uit wezenpensioen en lijfrente. Als [de eisers] zelf inkomsten genereerden is dat ook van belang.\n\n4.28.. \n [de eisers] hebben in dit verband stellingen betrokken en hebben op basis van deze stellingen de schade laten berekenen. Zij hebben echter nagelaten om hun stellingen behoorlijk met stukken concreet toe te lichten en te onderbouwen, hoewel van de zijde van Generali vanaf 24 oktober 2017 bij herhaling om dergelijke stukken is verzocht. Als bewijs voor studiekosten wordt bijvoorbeeld verwezen naar een simpel staatje, zonder onderliggende bewijsstukken te delen. De basis voor de Konsumquote, een bedrag van € 49.717,00 in 2016, hebben zij als feit gepresenteerd, zonder concrete onderbouwing. Over de inkomsten van de overledene en hun eigen inkomsten hebben [de eisers] geen concrete, met stukken onderbouwde informatie verschaft. Bovendien hebben [de eisers] , hoewel zij onderkennen dat hun aanspraken door het Oostenrijkse recht worden bepaald, hun berekening van de schade gebaseerd op Nederlands recht, omdat het rekenprogramma van hun actuaris daarop is ingericht.\n\n4.29.. Het rapport met deze berekening bevat, behalve jaaropgaven van een pensioenfonds en een offerte voor een lijfrente, geen bewijsstukken van de uitgangspunten die aan de berekening ten grondslag zijn gelegd. Deze uitgangspunten zijn volgens het rapport aangedragen door dr. Wijnkamp en een accountant, waarnaar [de eisers] vervolgens in hun dagvaarding weer verwijzen ten bewijze van hun stellingen. Dit is een cirkelredenering. Ter zake van bewijs voor gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] in de dagvaarding nog verwezen naar een berekening met bijlagen van [expertisekantoor] B.V. van 6 november 2014, zonder deze stukken, die overigens gelet op het jaartal dateren van voor het ongeval, in het geding te brengen. Bij akte na hervatting hebben zij deze verwijzing weer teruggenomen.\n\n4.30.. Generali heeft in haar conclusie van antwoord aandacht gevraagd voor deze voortdurende gebrekkige onderbouwing van stellingen. In reactie daarop hebben [de eisers] 14 dagen voor de zitting een groot aantal bewijsstukken overgelegd. Zij hebben echter nagelaten de rechtbank en Generali wegwijs te maken in die stukken, in die zin dat niet duidelijk is gemaakt hoe deze stukken hun vorderingen concreet onderbouwen. Ter zitting hebben [de eisers] over deze stukken in de eerste plaats opgemerkt dat ze vooral van belang zijn voor zover concrete beslissingen nodig zijn over een andere berekeningsmethode dan hun actuaris heeft toegepast of als na bewijslevering over de omvang van de schade moet worden geconcludeerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Verder is ter zitting door [de eisers] over de stukken opgemerkt dat het te ver voert om die allemaal in detail te bespreken, maar dat daarmee de vordering ter zake van gemist onderhoud is onderbouwd. Aldus is de concrete relevantie van de stukken voor de vorderingen niet inzichtelijk gemaakt. [de eisers] refereren in dit verband nog aan de gang van zaken in een Oostenrijkse schadevergoedingsprocedure, waarin een deskundige het voortouw neemt. Reeds omdat deze zaak naar Nederlands procesrecht moet worden behandeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Naar Nederlands procesrecht kan weliswaar een deskundige worden benoemd om de schade te berekenen, maar het begint ermee dat vorderingen deugdelijk worden toegelicht en onderbouwd, ook om verweer daartegen en bespreking ervan mogelijk te maken.\n\n4.31.. Het voorgaande leidt ertoe dat tot op heden geen inhoudelijk partijdebat over de omvang van deze schadepost heeft kunnen plaatsvinden. Dit brengt mee dat weliswaar vastgesteld kan worden dat Generali aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat de rechtbank niet in staat is het beloop van de schade in dit vonnis te bepalen. [de eisers] hebben daarover bovendien zoveel onduidelijk gelaten dat de rechtbank geen nader onderzoek in de hoofdzaak zal gelasten, maar een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zal uitspreken.\n\n4.32.. Van de na 2020 verschenen en nog te verschijnen schade vorderen [de eisers] , naast de in 4.25. bedoelde verklaring voor recht, klaarblijkelijk een veroordeling tot vergoeding op te maken bij staat. De mogelijkheid van deze schade is ook voldoende aannemelijk. De vordering zal worden toegewezen.\n\n4.33.. Het verweer van Generali dat de vordering tot vergoeding van schade die is verschenen vanaf 2021 tot de dag van dagvaarding niet toewijsbaar is, wordt verworpen. Generali heeft haar verweer erop gebaseerd dat het naar Oostenrijks recht niet mogelijk is om ter zake van deze verschenen schade alleen een verklaring voor recht te vorderen. [de eisers] hadden deze schade concreet moeten vorderen en dat hebben zij niet gedaan, aldus Generali. Dit betreft klaarblijkelijk een regel van Oostenrijks procesrecht. Het Nederlandse procesrecht, dat hier geldt, kent een dergelijke regel niet. Voor zover Generali zich in dit verband op verjaring beroept slaagt ook dat verweer niet, omdat, zoals gezegd, de verjaring reeds door erkenning is gestuit.\n\nFiscaliteit\n\n4.34.. Generali heeft niet betwist dat zij gehouden is op te komen voor door [de eisers] eventueel te lijden schade in de vorm van belasting die zij verschuldigd zijn over te ontvangen schadevergoedingen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt Generali om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 20.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Generali om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 15.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] , tot het moment dat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien,\n\n5.4.. veroordeelt Generali om de in 5.3. bedoelde schade te vergoeden, op te maken bij staat,\n\n5.5.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mrs. K. van Vlimmeren-van Ommen, S.J. Peerdeman en A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n167\u002F512\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 21 februari 2023, 2Ob12\u002F23p, ECLI:AT:OGH0002:2023:0020OB00012.23P.0221.000 en Rechtssatznummer RS0034765.\n\n Zie OGH 23 maart 2011, 4Ob191\u002F10g, ECLI:AT:OGH0002:2011:0040OB00191.10G.0323.000, r.o. 2.2., onder verwijzing naar OGH 17 november 2009, 1Ob165\u002F09k, ECLI:AT:OGH0002:2009:0010OB00165.09K.1117.000.\n\n OGH 28 april 2015, 8Ob10\u002F15a, ECLI:AT:OGH0002:2015:0080OB00010.15A.0428.000.\n\n Zie OGH 21 april 1995, 2Ob26\u002F94, ECLI:AT:OGH0002:1995:0020OB00026.94.0421.000.\n\n Zie OGH 26 november 1998, 6Ob297\u002F98i, ECLI:AT:OGH0002:1998:0060OB00297.98I.1126.000.\n\n Zie OGH 6 mei 2001, 2Ob84\u002F01v, ECLI:AT:OGH0002:2001:0020OB00084.01V.0516.000.\n\n Zie art. 1 lid 3 Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen en art. 10:3 BW.\n\n Zie OGH 12 juli 2007, 2Ob263\u002F06z, ECLI:AT:OGH0002:2007:0020OB00263.06Z.0712.000.\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 28 januari 2021, 8Ob98\u002F20z, ECLI:AT:OGH0002:2022:E130646, r.o. 65 e.v.\n\n Vergelijk bijvoorbeeld HR 21 december 1984, NJ 1985\u002F904.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","ecli-nl-rbgel-2026-5214",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]