Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5217

Tribunal

Zutphen

Date

2 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Strafrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Zutphen

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/229359-25

Datum uitspraak : 2 juli 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026 en 18 juni 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 200 kilogram hennep.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de politie bestuursrechtelijke controlebevoegdheden uitsluitend heeft gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs dat ziet op het tenlastegelegde, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en omdat dergelijke schendingen bij herhaling voorkomen. De raadsman heeft zich in dit verband subsidiair op het standpunt gesteld dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering, waarbij hij heeft gewezen op een zaak waarin vanwege het vormverzuim artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) werd toegepast.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte op verzoek van een ander het voertuig met daarin hennep in de buurt van Zwolle heeft opgehaald en dus niet binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De raadsman heeft zich in het verlengde hiervan meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van ofwel opzet had op de aanwezigheid van hennep in de bus en ook om die reden vrijgesproken dient te worden.

Beoordeling door de rechtbank

In verband met de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden bespreken die hebben geleid tot het onderzoek aan de laadruimte van het voertuig dat verdachte bestuurde, waarna zij zal bespreken of sprake is van détournement de pouvoir en daarmee een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.

Op 29 augustus 2025 kwam in de ochtend een melding van het ANPR-systeem binnen waaruit bleek dat een Ford Transit met kenteken [kenteken] over de A28 ter hoogte van Lankhorst reed. Deze Ford Transit was blijkens het ANPR-systeem eerder die ochtend om 8.29 uur op de A37 bij de grensovergang met Duitsland Nederland binnengekomen. Dit voertuig was met toestemming van een officier van justitie in het ANPR-systeem geplaatst met als doel dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. Verbalisanten zagen dit voertuig om. 9.19 uur vanaf de A28 ter hoogte van Zwolle de A50 oprijden.Dat is 50 minuten na de ANPR-hit. Volgens Google-Maps is de afgelegde afstand tussen de plek van de ANPR-hit en de plek waar het voertuig de A50 op reed, te rijden in 53 minuten.

De verbalisanten hebben beschreven dat bovenvermeld voertuig uitsluitend werd gebruikt voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 1.1 Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Eén van de verbalisanten zag dat de vering van het voertuig was ingezakt en daaruit maakte hij op dat het voertuig geladen was. Zij hielden het voertuig vervolgens in Hattem stil met als doel te onderzoeken of er voor het vervoer een vergunning dan wel een vrachtbrief vereist was. Deze verbalisant vroeg de bestuurder (verdachte) of het voertuig geladen was en daarop vertelde verdachte dat er spullen achterin lagen. Verdachte wilde verder geen antwoord meer geven op de vraag wat voor lading hij vervoerde en zei alleen maar “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Vervolgens stapte verdachte uit en openden verbalisanten de laadruimte. Bij het openen van de laadruimte roken verbalisanten een henneplucht en zagen zij grote gesealde zakken in die ruimte liggen.

Daarop stopten verbalisanten het onderzoek in het kader van de Wwg in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deelden verdachte mee dat nu sprake was van verdenking van een strafbaar feit en doorzochten zij het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Geen vormverzuim

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is van détournement de pouvoir. Daarvan zou sprake kunnen zijn als verbalisanten controlebevoegdheden uitsluitend inzetten ten behoeve van opsporing.

Op grond van artikel 5.1 van de Wwg jo. artikel 141 Sv en artikel 5:11 Awb zijn (onder meer) politieambtenaren als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wwg. In dit verband is de politieambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 5:19 Awb bevoegd vervoermiddelen, waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.

De vaststelling dat sprake was van een voertuig dat enkel gebruikt werd voor het vervoer van goederen en dat blijkens de ingezakte vering kennelijk was geladen, bracht mee dat de politieambtenaren bevoegd waren ter controle op de naleving van de Wwg, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 2.13 van die wet, na te gaan of sprake was van beroepsvervoer waarvoor een vrachtbrief of vergunning vereist was. In dat kader mochten de politieambtenaren het voertuig stilhouden en de lading aan een controle onderwerpen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de politieambtenaren de uitoefening van deze controlebevoegdheden op grond van de AWB en Wwg in de concrete bovenvermelde omstandigheden uitsluitend hebben aangewend met het oog op de opsporing in de zin van artikel 132a Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake. Dat dit voertuig in juni 2025 naar voren kwam in een onderzoek naar vermoedelijke overtreding van de Opiumwet maakt dat niet anders. Ten eerste niet omdat niet aannemelijk is geworden dat deze informatie bekend was bij de verbalisanten die het voertuig controleerden. En ten tweede niet omdat dan nog steeds zou gelden dat de controlebevoegdheid die er was, niet uitsluitend is gebruikt met het oog op de opsporing. Er waren immers feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisanten het voertuig mochten controleren. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim gaat zij niet over tot bewijsuitsluiting ofwel strafvermindering. Dit betekent dat de rechtbank de verweren van de raadsman die hierop zien verwerpt.

Bij doorzoeking van de laadruimte van het voertuig werden negen gevulde strijkzakken gevonden.In één zak zat een scheur en verbalisant herkende de inhoud op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep. Uit deze zak werd een monster genomen dat indicatief werd getest. Deze test gaf een indicatie voor de aanwezigheid van THC. Een verbalisant, opgeleid om verdovende middelen te onderzoeken, herkende de inhoud van de overige acht zakken op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.De verbalisanten die de hennep vervoerden naar de plaats waar het vernietigd zou worden hebben voorafgaand aan het uitladen hun auto op een geijkte weegbrug gewogen. De inbeslaggenomen hennep werd vervolgens uitgeladen. De auto van verbalisanten werd vervolgens weer gewogen en na geijkte weging bleek dat de inbeslaggenomen strijkzakken met hennep in totaal 200 kilo wogen.

De rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat in de laadruimte van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder en tevens enig inzittende was, 200 kilo hennep lag.

Verdachte heeft op zitting voor het eerst een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2025 door een vriend werd gevraagd om in de buurt van Zwolle een busje op te halen en naar Den Bosch te brengen. Hij wist niet dat er hennep in het busje lag. Verdachte wist ook niet waarom het busje opgehaald moest worden, heeft daar ook op geen enkel moment vragen over gesteld en wil niet verklaren welke vriend hem dat destijds heeft gevraagd te doen. Ook wil verdachte niet verklaren waar het busje precies heen gebracht moest worden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij met een vriend van die vriend in de auto naar een parkeerplaats of tankstation in de buurt van Zwolle reed, hij weet niet precies waar, en vervolgens op die parkeerplaats of bij dat tankstation in het desbetreffende busje is overgestapt. Hij stapte in het busje, waarvan de sleutel nog in het contact zat, reed weg en werd kort daarna door de politie van de weg gehaald.

De verklaring van verdachte die inhoudt dat hij niets wist van de hennep en dat iemand anders het busje vanuit Duitsland Nederland in heeft gereden en dat verdachte pas is ingestapt in Zwolle, staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier of anderszins. Uit de gegevens van Google Maps blijkt bijvoorbeeld ook niet dat het busje langer over de route heeft gedaan dan gebruikelijk. Omdat verdachte verder niets wil verklaren over wie hem dat zou hebben gevraagd te doen en waarom, is zijn verklaring daarnaast nauwelijks concreet en niet verifieerbaar. Feitelijk verklaart verdachte alleen dat hij voor iemand anders reed en blijft verder ieder detail achterwege. Bovendien wordt deze verklaring weersproken door het feit dat verdachte – voordat de laadruimte door de politie was geopend en hij uit de auto was gestapt – niet wilde antwoorden op de vraag wat voor lading hij vervoerde maar zei “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte heel goed wist wat hij vervoerde.

Alles afwegende staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder en tevens enig inzittende van het voertuig, beschikkingsmacht en wetenschap van de lading in zijn voertuig heeft gehad en dat hij opzettelijk 200 kilo hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer200 kilogram, in elk geval een hoeveelheidhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), aangaande de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het kweken van 500 hennepplanten. Daar wordt uitgegaan van taakstraffen. Verdachte had namelijk strijkzakken met volledige planten onder zich. De raadsman heeft verder gesteld dat het niet redelijk is om bij de strafbepaling uit te gaan van het brutogewicht van de planten, omdat ze vochtig waren.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft een grote hoeveelheid hennep vanuit het buitenland binnen het Nederlandse grondgebied gebracht. De bijdrage van de verdachte aan de invoer van softdrugs houdt de illegale handel in deze drugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Het is algemeen bekend dat de verspreiding van deze grote hoeveelheden en de organisatie daaromheen leiden tot zeer grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en voor de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen – naar mag worden aangenomen – uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in 2022 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar vanwege de vervaardiging of productie van verdovende middelen. Oplegging van deze straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig drugsdelict te plegen.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering gelet op de bovenvermelde veroordeling een patroon in het plegen van drugsdelicten ziet. Zij schatten het risico op herhaling in als hoog, onder meer omdat verdachte blijkbaar niet heeft geleerd van de eerdere veroordeling. Omdat de reclassering geen contact met verdachte kreeg, is hen niets bekend over de verschillende leefgebieden van verdachte. Het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding of gedragsinterventie was daardoor niet mogelijk. Verdachte heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan reclasseringsbemoeienis, omdat hij zijn leven op orde heeft.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor het kweken van 500 hennepplanten, omdat nergens uit blijkt dat het in deze zaak ging om 500 planten en het bovendien gaat om een ander feit. In de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In deze zaak heeft verdachte niet enkel een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, maar deze hennep vanuit het buitenland ingevoerd. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er rekening mee houden dat het in deze zaak gaat om een brutogewicht van vochtige hennep, terwijl vochtige hennep doorgaans vier keer zo zwaar is als droge hennep. Zij zal daarom uitgaan van het droge gewicht van deze hennep.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf en/of een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet passend, omdat het geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit, in het bijzonder dat het gaat om invoer, in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, tot gevolg moet hebben dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden opleggen. Oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend gelet op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

  • 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • 3 en 11 van de Opiumwet.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid van de politie, team infrastructuur, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025415671, gesloten op 2 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32.

Afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen PL0600-2025415671-22, p. 2

Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 39.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het bijschrift bij de fotobijlage op p. 9 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-20.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.

Plus de Décisions