[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5299":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5299":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"843","ECLI:NL:RBGEL:2026:5299","",68,"Zutphen","zutphen","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F242161-25 en 08\u002F277661-25 (gev. ttz.)\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Tunesië),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nop dit moment gedetineerd in het Detentiecentrum [verblijfplaats] .\n\nRaadsman: mr. R. van Rhijn, advocaat in Amersfoort, als waarnemer van mr. A.H.T. de Haas.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever 1] van het leven te beroven,\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam heeft vastgepakt en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam)\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam heeft vastgepakt en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem [aangever 1] heeft mishandeld, door\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam vast te pakken en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) dicht te knijpen\u002F dicht te drukken en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond te duwen, waardoor zij ten val kwam.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nhij op of omstreeks 21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland, opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron), een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten\n\n- het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupe en\u002Fof\n\n- het naar beneden trekken van zijn onderkleding en\u002Fof het naar boven trekken van zijn bovenkleding en\u002Fof\n\n- het tonen en\u002Fof zichtbaar maken van zijn penis en\u002Fof\n\n- het vastpakken van zijn penis.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Volgens de officier van justitie is sprake van voorwaardelijk opzet. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft verdachte door met beide handen hard de keel van aangeefster dicht te knijpen, waarbij letsel is ontstaan, het risico aanvaard dat het slachtoffer door de verwurging zou komen te overlijden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van het aangeefster. Alle omstandigheden van het geval, te weten het letsel en de aard en de duur van de tenlastegelegde gedraging maken dat naar algemene ervaringsregels geen sprake is geweest van een reële, aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. Het letsel dat daadwerkelijk is opgetreden werd door de deskundigen omschreven als niet levensbedreigend. Het slachtoffer had dus niet aan dit daadwerkelijk ontstane letsel kunnen overlijden.\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat op geen enkele wijze de conclusie kan worden getrokken dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm enig overtuigend opzet op de dood had en heeft daarbij ook opgemerkt dat het juist aangeefster en haar dochter waren die geruime tijd (over een afstand van een paar honderd meter) achter verdachte aanliepen - niet andersom.\n\nTen aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangeefster\n\nOp zaterdagavond 13 september 2025 rond 19.00 uur arriveerde aangeefster samen met haar dochter en partner bij de woning van de dochter in Hattem. Zij zagen een voor hen onbekende man (verdachte) op het bouwterrein van de naastgelegen woning, waar ook een bouwkeet en een portable toilet stonden. Aangeefster vond dat hij er niet hoorde. De dochter sprak hem aan. Verdachte wees naar de bouwkeet en sprak in een voor aangeefster onverstaanbare taal. Daarna verliet hij het terrein en liep de straat op richting de bushalte. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter. De dochter had op dat moment telefonisch contact met de meldkamer van de politie. Verdachte zette zijn tas bij de bushalte neer en liep een aantal keren heen en weer. Vervolgens keerde hij zich in de richting van aangeefster en kwam ineens op haar af. Hij ging met beide handen richting de keel van aangeefster en kneep met kracht haar keel dicht. Zij voelde dat haar strot werd dichtgeknepen. Hierdoor kreeg zij geen lucht meer. Dat duurde ongeveer 10 seconden. Verdachte liet haar daarna los en aangeefster viel achterover.\n\nAangeefster gaf aan dat zij daarna hees was en dat haar keel een beetje rafelig aanvoelde. Zij had lichte rode plekken aan zowel de rechter- als de linkerzijde van haar hals op de plek waar de vingers van verdachte de hals hadden omvat. \n\nOp 14 september 2024 verklaarde aangeefster dat het voor haar voelde alsof verdachte haar zeker een halve minuut vast had tijdens het wurgen, maar ze weet niet of het ook zo lang was. Ze had heel even het gevoel gehad dat ze geen adem kon halen, maar dat besefte ze zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Ze merkt dat ze dingen is vergeten van gisteren. Ze lag ineens op de grond en weet via haar dochter hoe het is gegaan. Ze is niet buiten westen geweest en heeft goede oren. Ze hoorde haar dochter wel op de achtergrond tijdens het wurgen.\n\nVerklaring van de dochter\n\nDe dochter van aangeefster verklaarde dat zij verdachte heeft aangesproken en dat hij zei dat hij op zoek was naar een toilet. Zij zei tegen hem dat hij niet op haar erf mocht komen. Zij heeft – met zijn instemming – een foto van hem gemaakt en 112 gebeld. Daarna liep verdachte rustig weg. Samen met haar moeder liep zij op een afstandje achter verdachte aan. Verdachte stopte bij de bushalte en ging daar zitten. Moeder en dochter bleven in de buurt van het bushokje wachten op de komst van de politie. Verdachte stond weer op en pakte zijn tas. Hij werd gevolgd door moeder en dochter. Uit het niets draaide verdachte zich ineens om en liep recht op haar moeder af. De dochter zag dat verdachte zijn beide handen om de hals van haar moeder bracht en de hals met veel kracht dichtkneep. Zij zag aan het gezicht van haar moeder dat ze heel erg angstig was en dat ze geen lucht meer kreeg door de kracht waarmee verdachte haar hals dichtkneep. Tijdens het wurgen kreeg haar moeder grote ogen en haar hoofd stond door de opwaartse kracht van verdachte op een onnatuurlijke wijze naar achteren. Dit duurde ongeveer 5 seconden. Daarna heeft hij aangeefster met een harde duw op de hals van zich afgeduwd, waardoor hij haar met een smak op de grond gooide. Ze zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte verklaarde dat hij met de bus uit Zwolle was gekomen en op weg was naar Arnhem. Hij stapte in Hattem uit omdat hij nodig moest plassen. Hij zag op een bouwterrein een Dixi-toilet. Hij wilde aangeefster vragen of hij het toilet mocht gebruiken, maar werd weggestuurd. Aangeefster en haar dochter hebben zijn tas doorzocht, een foto van hem gemaakt en aangegeven dat zij de politie gingen bellen. Ze zeiden tegen hem dat hij niet weg mocht gaan. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter en paar honderd meter tot aan de bushalte. Toen hij daar wilde gaan plassen werd hij door aangeefster tegengehouden. Zij pakte hem bij de mouw van zijn vest. Verdachte trok zijn arm weg en duwde aangeefster met zijn andere hand tegen de borst. Door de duw viel zij op het gras.\n\nLetsel\n\nOp 14 september werd bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) een forensisch-medisch onderzoek niet-fatale strangulatie uitgevoerd bij aangeefster. Aangeefster gaf bij het onderzoek aan dat zij tijdens het incident gedurende 5 tot 10 seconden geen adem kon halen. Direct na het incident had zij moeite en pijn met slikken, keelpijn, hoofdpijn en mogelijk ook oorsuizen. Zij had ook last van keelschrapen, echter daar had ze voor het incident al vaker klachten van. Zij was een fragment van haar geheugen kwijt. Het is onduidelijk of er bewustzijnsverlies is geweest. Na het incident heeft er geen medische behandeling plaatsgevonden.\n\nTijdens het onderzoek werd bij aangeefster het volgende letsel vastgesteld:\n\n- een krasletsel op de rechterflank;\n\n- een zwelling van de aryepiglottische plooi rechts, zichtbaar tijdens het keelonderzoek;\n\n- vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen.\n\nEr waren geen bloedingen of rupturen op het netvlies te zien. Na aanleiding van het onderzoek werd geadviseerd om een deskundigenrapport met interpretatie aan te vragen. \n\nIn het deskundigenrapport van het LOEF van 21 januari 2026 is de ontstaanswijze van het letsel getoetst aan specifieke scenario’s. Volgens de deskundigen passen de letsels zoals beschreven en de klachten zoals vermeld door aangeefster tijdens het FMO bij de verklaringen van aangeefster en de getuige. Volgens de KNO-artsen past het letsel in de keelholte bij een traumatische stompe of samendrukkende krachtsinwerking op het strottenhoofd. Op de MRI-scan was een onderhuidse zwelling zichtbaar. Volgens de forensisch radioloog zijn de zwellingen rondom de onderkaak, de kin en in de dieper gelegen weke delen rondom de rechterhoorn van het schildkraakbeen ontstaan door een stompe krachtsinwerking, waarschijnlijk door een samendrukkende kracht op de hals.\n\nVolgens de deskundigen is het daadwerkelijk opgetreden letsel niet levensbedreigend geweest. De genezingstijd werd geschat op enkele weken. Er was geen verwachting op restverschijnselen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster op 13 september 2025 met beide handen met kracht bij de keel\u002Fhals heeft vastgepakt en\n\ngedurende een korte periode krachtig met beide handen de keel\u002Fhals heeft dichtgeknepen en haar daarna met kracht op de grond heeft geduwd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van verdachte het volgende.\n\nVrijspraak poging doodslagDe rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt de beantwoording van die vraag af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Niet elk dichtknijpen van de keel levert daarom zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefster met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij naar eigen zeggen moeilijk adem kon halen. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster inwendig letsel in de hals en keel is ontstaan dat past bij een samendrukkende kracht op de hals en bij de verklaringen van aangeefster en haar dochter. Daarmee staat vast dat sprake is geweest van krachtig en gevaarzettend geweld tegen een kwetsbaar deel van het lichaam.\n\nDe officier van justitie heeft betoogd dat in geval van verwurging sprake is van een “allesofniets”-situatie nu bij aangeefster letsel is vastgesteld op plaatsen in de hals waar strangulatie fataal kán zijn en aangeefster en haar dochter verklaren dat krachtig is geknepen, en reeds daaruit volgt dat in dit geval een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. De rechtbank volgt die redenering niet. Daarmee zou immers het bewijs voor verwurging in belangrijke mate samenvallen met het bewijs voor poging doodslag, terwijl voor poging doodslag méér nodig is dan het vaststellen van verwurging als zodanig.\n\n De rechtbank onderkent dat verwurging in abstracto een zeer gevaarlijke geweldsvorm is en dat het hals en keelgebied anatomisch kwetsbaar is. Ook volgt uit de deskundigenrapportage in algemene zin dat strangulatie fataal kan zijn, doordat bij voldoende en voldoende lang aangehouden druk op halsvaten en\u002Fof de ademweg bewusteloosheid en uiteindelijk de dood kunnen intreden. In dat verband kan worden gesproken van een medisch “allesofniets”-karakter, zoals door de officier van justitie is betoogd: de grens tussen een nietfatale en een fatale afloop kan, afhankelijk van plaats, duur en mate van druk, betrekkelijk smal zijn.\n\nDe enkele omstandigheid dat strangulatie in algemene zin een potentieel dodelijke geweldsvorm is, dat zich letsel ter hoogte van structuren bevindt die in andere gevallen bij fatale strangulatie betrokken kunnen zijn en de subjectieve beleving van aangeefster (en haar dochter) is dat “krachtig” is geknepen, betekent nog niet dat sprake is van de voor poging doodslag vereiste aanmerkelijkekans op de dood. Voor een bewezenverklaring van poging doodslag is méér vereist. Beslissend is of deze concrete verwurging, gelet op duur, verloop, objectieve verschijnselen en deskundigenduiding, naar algemene ervaringsregels de dood reëel deed duchten. Dat kan in deze zaak niet worden vastgesteld.\n\n Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend heeft gekwalificeerd en heeft geconcludeerd dat aangeefster aan dit letsel niet had kunnen overlijden. Ook is gerapporteerd dat de letsels binnen enkele weken zullen genezen en dat geen restverschijnselen worden verwacht. Het inwendige letsel in de hals was daarmee medisch gezien beperkt: het betrof wekedelenzwellingen zonder fracturen of blijvende schade. Verder zijn geen netvliesbloedingen, geen petechiën of andere asfyxiespecifieke tekenen en geen uitwendige halsletsels vastgesteld.\n\n In de anamnese van LOEFF is vermeld dat aangeefster een fragment van haar geheugen kwijt zou zijn, maar daarbij is expliciet opgetekend dat onduidelijk is of sprake is geweest van bewustzijnsverlies. Objectieve aanwijzingen voor bewustzijnsverlies, neurologische uitval of een ander bijnafataal klinisch beloop ontbreken.\n\n De rechtbank betrekt verder in haar beoordeling dat de duur van het dichtknijpen door aangeefster in haar aangifte is geschat op ongeveer tien seconden en door haar dochter op ongeveer vijf seconden. Later heeft aangeefster vervolgens weer verklaard dat zij heel evenhet gevoel had gehad dat zij geen adem kon halen, maar dat besefte zij zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Mede omdat aangeefster daarbij heeft aangegeven niet te weten of het daadwerkelijk zo lang heeft geduurd, acht de rechtbank de uitlating vooral een uitdrukking van haar subjectieve beleving onder stress.\n\nOok de uitlatingen van aangeefster over de ernst van de situatie zijn niet eenduidig. In de anamnese bij LOEFF is vastgelegd dat zij niet voor haar leven vreesde, terwijl zij later heeft verklaard dat zij het gevoel had dat het “zo met haar gebeurd kon zijn”. De rechtbank neemt beide uitlatingen in aanmerking, maar verbindt daaraan niet de conclusie dat daaruit een objectieve aanmerkelijke kans op overlijden kan worden afgeleid. Daar komt bij dat de rechtbank het verloop van de situatie direct ná de vermeende verwurging en het op de grond vallen van aangeefster in haar beoordeling heeft betrokken. Daarbij is de verklaring van de dochter van aangeefster, die het incident van het begin tot het eind van zeer dichtbij heeft meegemaakt van bijzonder belang. Met name voor wat betreft de beantwoording van de vraag of bij aangeefster sprake is geweest van bewustzijnsverlies. De dochter van aangeefster zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de dochter van aangeefster haar moeder zo kort na een dergelijk incident achter zou laten om achter verdachte aan te lopen, als haar moeder gedurende dat incident op enig moment het bewustzijn had verloren en\u002Fof als zij de situatie van haar moeder direct na het incident als dusdanig had ingeschat dat zij haar op dat moment niet kon achterlaten.\n\n Samengevat ziet de rechtbank drie gewichtige aanwijzingen tégen het aannemen van een aanmerkelijke kans op de dood in deze zaak:\n\nDe verwurging is kortdurend geweest en direct geëindigd, terwijl de duur door aangeefster en haar dochter in de orde van enkele seconden wordt geplaatst;\n\nObjectieve tekenen van een bijnafatale strangulatie ontbreken, zoals vastgesteld bewustzijnsverlies, neurologische uitval, petechiën of andere asfyxiespecifieke bevindingen;\n\nDe deskundige heeft het concrete letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend gekwalificeerd en geconcludeerd dat aangeefster daaraan niet had kunnen overlijden, terwijl de passages in het rapport over de in algemene zin levensbedreigende aard van strangulatie niet op deze concrete casus zijn toegespitst.\n\n Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijkekans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen. Nu die aanmerkelijke kans niet kan worden aangenomen, kan evenmin worden bewezen dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 05\u002F242161-25 primair ten laste gelegde poging doodslag.\n\nBewezenverklaring poging zware mishandelingDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake indien de gedraging van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept en verdachte die kans bewust heeft aanvaard.\n\n Vast staat dat verdachte aangeefster onverwachts met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij mogelijk korte tijd geen adem kon halen. Uit de verklaringen van aangeefster en haar dochter volgt dat verdachte daarbij kracht heeft gebruikt. De dochter heeft gezien dat het hoofd van aangeefster door de opwaartse kracht naar achteren werd gedrukt en dat aangeefster grote ogen kreeg en geen lucht meer leek te krijgen.\n\n De hals is een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam. In de hals bevinden zich vitale en kwetsbare structuren, waaronder de luchtweg, bloedvaten en kraakbeenstructuren. Het met beide handen krachtig dichtknijpen van iemands keel roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat, zoals ernstig letsel aan de luchtweg, kraakbeenstructuren of andere halsweefsels. Anders dan voor poging doodslag is voor een bewezenverklaring van poging zware mishandeling niet vereist dat de kans op overlijden aanmerkelijk was; voldoende is dat de gedraging een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebracht. Juist die drempel is hier wél bereikt.\n\n Dat oordeel vindt steun in het daadwerkelijk ontstane letsel. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster sprake was van een zwelling van de rechter aryepiglottische plooi en vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen. De deskundige heeft geconcludeerd dat deze bevindingen passen bij een samendrukkende kracht op de hals en waarschijnlijker zijn te verklaren door externe krachtsinwerking dan door een medische oorzaak of een val. Ook had aangeefster direct na het incident pijn in de hals, slikklachten en heesheid.\n\n De rechtbank onderkent dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel als niet levensbedreigend en medisch gezien beperkt heeft gekwalificeerd. Dat staat echter niet aan een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling in de weg. Juist het onderscheid met de vrijspraak van poging doodslag ligt daarin besloten: het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan, maar wél voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte door het krachtig dichtknijpen van de hals willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster ernstig letsel aan dit kwetsbare lichaamsdeel zou oplopen. Dat het letsel uiteindelijk relatief beperkt is gebleven en zonder restschade zal genezen, maakt niet dat die kans op zwaar lichamelijk letsel ontbrak.\n\n De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 21 juli 2025, p. 5 t\u002Fm 7;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het parketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair en onder parketnummer 08\u002F277661-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair\n\nhij op of omstreeks13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaamheeft vastgepakt en\u002Fof(vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nhij op of omstreeks21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland,opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron),een of meerhandelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten\n\n- het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupé en\u002Fof\n\n- het naar beneden trekken van zijn onderkleding en\u002Fofhet naar boven trekken van zijn bovenkleding en\u002Fof\n\n- het tonen en\u002Fof zichtbaar makenvan zijn penis en\u002Fof\n\n- het vastpakken van zijn penis.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling;\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nopzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid\n\nverrichten.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van de strafbare feiten aan verdachte.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte te maken heeft met psychopathologie en dat rekening dient te worden gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen van maximaal de duur van het voorarrest.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een kwetsbare vrouw van 70 jaar. Hij heeft haar, nadat zij en haar volwassen dochter enige tijd achter hem aanliepen, op een openbare locatie bij de keel gegrepen en haar keel dichtgeknepen. Vervolgens heeft hij haar ten val gebracht. Het slachtoffer heeft hierdoor meerdere verwondingen opgelopen en is zeer geschrokken. In haar slachtofferverklaring heeft het slachtoffer duidelijk gemaakt dat het incident ernstige gevolgen voor haar heeft gehad. Naast de lichamelijke pijn ervaart zij nog steeds gevoelens van boosheid, woede en verdriet. Haar gevoel van veiligheid heeft een ernstige deuk opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit en de persoonlijke veiligheid van een oudere, kwetsbare vrouw op grove wijze aangetast. Bovendien had het voor het slachtoffer ernstiger kunnen aflopen.\n\nDe rechtbank betrekt bij de straftoemeting ook de omstandigheden waaronder het tot deze confrontatie is gekomen. Uit de verklaringen volgt dat aangeefster en haar dochter verdachte opmerkten nabij de woning van de dochter, hem aanspraken en hem verzochten daar weg te gaan, omdat hij daar volgens hen niet hoorde. Er werd een foto van hem gemaakt. Verdachte is daarop weggelopen. Het slachtoffer en haar dochter hebben verdachte vervolgens over een afstand van een paar honderd meter en op korte afstand gevolgd terwijl hij naar een bushalte liep en zij de politie belden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat verdachte deze situatie als belastend heeft ervaren, bestond op geen enkel moment een rechtvaardiging om een 70jarige vrouw bij de keel te grijpen, haar keel dicht te knijpen en haar ten val te brengen. Verdachte had zich aan de situatie moeten blijven onttrekken door dóór te lopen. Door desondanks voor fysiek geweld te kiezen, heeft hij de grenzen van het toelaatbare overschreden. Tegelijkertijd beschouwt de rechtbank de gang van zaken niet als een volstrekt onverwachte, eenzijdige aanval op een nietsvermoedende voorbijgangster, maar als een geleidelijk geëscaleerde confrontatie, waaraan ook het geruime tijd en op korte afstand achter verdachte aanlopen door het slachtoffer en haar dochter, heeft bijgedragen.\n\nVerdachte heeft zich naast voornoemde poging tot zware mishandeling op een andere dag schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door een tiener en haar vrienden in het openbaar te confronteren met zijn ontblote geslachtsdeel. Het hoeft geen nader betoog dat het slachtoffer daarvan is geschrokken, met name omdat zij de ontbloting van verdachte niet aan zag komen. Het gedrag van verdachte wordt als hinderlijk, onfatsoenlijk, aanstootgevend en angstaanjagend beschouwd en is in strijd met de publieke moraal. Verdachte ziet zelf echter de ernst hiervan niet in.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 30 maart 2026 blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt. Verdachte is in de periode van augustus 2025 tot en met februari 2026 meerdere keren veroordeeld voor vermogensdelicten en zwartrijden, echter niet voor soortgelijke delicten.\n\nPro Justitia rapport\n\nOp 10 april 2026 heeft de psychiater een rapport over verdachte opgemaakt. De psychiater\n\nschetst een beeld van een man die zijn gedrag kan berekenen, met sterke aanwijzingen voor een psychotisch toestandsbeeld ten tijde van het onder parketnummer 05\u002F242161-25 tenlastegelegde, maar dat kon niet worden vastgesteld.\n\nBij verdachte is wel sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en verdovende middelen (cannabis, alcohol, pregabaline en cocaïne).\n\nDeze stoornis was ook aanwezig tijdens het plegen van het onder 08\u002F277661-25 tenlastegelegde , waardoor verdachte mogelijk verminderd in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen, het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien of minder invloed had op zijn impulsen en handelen. De psychiater adviseert het onder parketnummer 08\u002F277661-25 ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nReclasseringsadvies\n\nReclassering Nederland heeft op 1 juni 2026 een advies uitgebracht. Verdachte komt uit Tunesië en heeft in Nederland asiel aangevraagd. Voordat hij naar Nederland kwam, heeft hij in meerdere Europese landen gewoond en gewerkt. De autoriteiten hebben aangegeven dat verdachte’s asielaanvraag weinig kansrijk is. Aansluitend op een eventueel strafrechtelijk traject zal verdachte middels vreemdelingenbewaring worden aangemerkt voor gedwongen terugkeer naar Tunesië.\n\nDe reclassering adviseert daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een taakstraf of een financiële sanctie wordt als niet haalbaar gezien.\n\nStrafoplegging\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de rapporterende psychiater over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal de voor de eerbaarheid aanstotelijke handelingen dan ook in verminderde mate aan verdachte toerekenen en daarmee bij de oplegging van de straf rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter - in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving - niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank tot een andere grondslag ten aanzien van de bewezenverklaring komt, ziet de rechtbank reden om van de strafeis van de officier van justitie af te wijken en een kortere gevangenisstraf op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van\n\n6 maanden met aftrek van de tijd, die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\n8. De beoordeling van de civiele vorderingen\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nDe benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de poging tot zware mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 91,17 aan materiële schade en € 1.100,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nTer onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het lichamelijke letsel bestaat kort gezegd uit pijn en letsel aan de hals, keel en rechterzijde van de ribbenkast. Voor het letselonderzoek en het bezoek aan Slachtofferhulp Nederland heeft de benadeeld partij reis- en parkeerkosten gemaakt, die zij wenst te verhalen op verdachte.\n\nDe benadeelde partij heeft ten aanzien van de vaststelling van de immateriële schade verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:855, waarbij de benadeelde partij een smartengeldvergoeding ter hoogte van € 950,00 (geïndexeerd naar 2025: € 981,35) is toegewezen.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft de gevorderde vergoeding van de materiële schade en het smartengeld niet betwist.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 91,17 kan worden toegewezen.\n\nSmartengeld\n\nOp basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. De benadeelde heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Daarmee is een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie ziet op een andere context waarbij het ging om een willekeurige voorbijganger die uit het niets bij de keel werd gepakt. In de onderhavige zaak werd verdachte nadat hij werd opgemerkt nabij de woning van de dochter van aangeefster, gevraagd weg te gaan, heeft de dochter een foto van verdachte gemaakt, is tegen verdachte gezegd dat de politie zou worden gebeld en hebben aangeefster en haar dochter verdachte op korte afstand gevolgd toen hij weg liep van de woning. Gelet hierop zijn de zaken niet geheel vergelijkbaar. De rechtbank ziet hierin reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 550,00 vaststellen en de vordering voor het overige af te wijzen.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 13 september 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nDe benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het onder Parketnummer 08\u002F277661-25 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 300,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nTer onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte sprake is van een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht, in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangemerkt. Dit vormt de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.\n\nDe benadeelde partij heeft verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3832, waarbij het hof ter zake van openbare schennis van de eerbaarheid smartengeld ter hoogte van € 300,00 heeft toegekend.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft de vordering niet betwist.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nOp basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. Benadeelde is in haar persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. In de zaak van de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden toonde de verdachte niet alleen zijn penis, maar verrichte ook seksuele handelingen. De zaken zijn derhalve niet vergelijkbaar. Dat is voor de rechtbank reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 200,00 vaststellen en wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 21 juli 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 45, 36f, 57, 63, 254b en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het primair onder parketnummer 05\u002F242161-25 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maanden;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nt.a.v. de vordering van benadeelde partij [aangever 1] (parketnummer 05\u002F242161-25):\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 91,17 aan materiële schadeen€ 550,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 91,17 aan materiële schade en € 550,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;\n\nt.a.v. de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (parketnummer 08\u002F277661-25):\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 200,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 200,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno, voorzitter, mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025443729, gesloten op 15 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 13 september 2025, p. 8 en 9.\n\n Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 1] d.d. 14 september 2025, p. 14.\n\n Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige] d.d. 13 september 2025, p. 17 en 18.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2026 en\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 14 september 2025, p. 48.\n\n Forensisch-medische letselbeschrijving LOEF d.d. 13 oktober 2025.\n\n Forensisch-medische letselrapportage LOEF d.d. 21 januari 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025347885, gesloten op\n\n13 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5299","ecli-nl-rbgel-2026-5299",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]