ECLI:NL:RBGEL:2026:5352
Résumé de l'Affaire
Strafrecht; Materieel strafrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-249116-25
Datum uitspraak : 29 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. F.J. Mascini, advocaat in Haarlem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
16 maart 2026 en 8 juni 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en/of gebotst, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of hersenkneusing en/of hersenbloedingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie), het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en/of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 16 mei 2024 was verdachte bestuurder van een motor en reed hij op de Tafelbergweg in Amsterdam. Hij bereed de rijbaan van de Tafelbergweg, de foodstrip, komende uit de richting van de Meibergdreef en gaande in de richting van de Rijksweg A9. Ter hoogte van de Fastned laadlocatie verloor hij de controle over zijn motor. Ten gevolge hiervan schoot de motorfiets door en reed tegen een voetganger, [slachtoffer] aan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) niet wordt gehaald. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de militaire kamer
Uit de verkeersongevallenanalyse is gebleken dat er geen bijzonderheden waren met betrekking tot de motor, de weersomstandigheden en de verlichting. Ook is er forensisch technisch geen aanwijzing dat de snelheid van de motor significant hoger heeft gelegen dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De oorzaak waardoor de bestuurder van de motor de controle over de motor verloor is forensisch technisch niet vastgesteld. Het meest waarschijnlijke scenario is dat de bestuurder van de motor tijdens het rijden over de verkeersdrempel een bedieningsfout maakte en hierdoor de controle over de motorfiets verloor. De bestuurder van de motor was niet in staat om zijn voertuig tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.
Verdachte was niet onder invloed van alcohol of drugs.
Verdachte heeft verklaard dat hij niet precies weet wat er is gebeurd omdat het zo snel ging, maar dat hij vermoedt dat de motor op een of andere manier bij het terugschakelen schokte. Hierdoor greep verdachte uit automatisme zijn stuur vast en trok daardoor het gas open waardoor de motor begon te accelereren en de motor naar voren schoot. Verdachte heeft nog geprobeerd te remmen en uit te wijken, maar er was geen houden meer aan. Verdachte vergelijkt het met een whiskey throttle.
Artikel 6 WVW 1994
Van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Het rijgedrag van verdachte is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Verdachte heeft weliswaar de controle over zijn motor verloren en heeft daardoor [slachtoffer] geraakt, maar er is geen sprake van bijkomende omstandigheden of fouten van verdachte die van invloed zijn geweest op het plaatsvinden van het ongeval. Onder die omstandigheden acht de militaire kamer dat niet voldaan is aan de voor artikel 6 WVW 1994 vereiste mate van schuld om te kunnen spreken van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Artikel 5 WVW 1994
Het subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 5 WVW 1994, waarin strafbaar wordt gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij om concrete gevaarzetting of hinder. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarlijk gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.
Door zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. De militaire kamer acht overtreding van artikel 5 WVW 1994, het subsidiair tenlastegelegde, dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks16 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie), het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en/ofzijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was ten gevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en/of gebotst, door welke gedraging(en)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is in beginsel strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.000,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft in het geval van een veroordeling verzocht tot toepassing van artikel 9a Strafrecht, schuldig verklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De militaire kamer is van oordeel dat door het bewezenverklaarde het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het slachtoffer ernstig letsel met blijvende gevolgen heeft opgelopen. Met dit gegeven en de gevolgen die dit heeft gehad moet – naast het slachtoffer – ook verdachte verder door het leven. De militaire kamer heeft ter terechtzitting geconstateerd dat verdachte zijn verantwoordelijkheid voor de aanrijding inziet en hiermee nog regelmatig wordt geconfronteerd. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de militaire kamer niet gezegd worden dat met een op te leggen straf nog enig strafdoel wordt bereikt. Evenals de verdediging is de militaire kamer dan ook van oordeel dat geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.
Gelet op alle omstandigheden zal de militaire kamer met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opleggen.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
9 a van het Wetboek van Strafrecht;
5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De militaire kamer:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. Y. van Wezel, rechters, en kapitein-ter-zee (LD) mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.
mr. C.F. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Noord-Holland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WN/25-002583, gesloten op 8 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van FO verkeer, p. 124-125, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.
Proces-verbaal FO verkeer, p. 82-128.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 13.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.