ECLI:NL:RBLIM:2025:11921
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Arbeidsrecht
Uitspraak
Roermond
RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 11893065 \ AZ VERZ 25-106
Beschikking van 2 december 2025
in de zaak van
HUMBY B.V.,
gevestigd te Panningen, kantoorhoudende te Venlo,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Humby,
gemachtigde: mr. P. Caris,
tegen
1. [bedrijfsnaam 1] B.V.,
gevestigd te Venlo, 2. [verweerder sub 2],
wonende te [plaatsnaam] ,
verwerende partijen,
verzoekende partijen in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,
gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties,
het verweerschrift met producties, met zelfstandig tegenverzoek,
het verweerschrift in het tegenverzoek, met producties in het verzoek en tegenverzoek,
de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van mr. Oudenhoven.
1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.. Humby is een dienstverlener, actief op het gebied van opslag en transport (warehouse & logistics).
2.2..
[verweerder sub 2] heeft vanaf 1 januari 2023 werkzaamheden voor Humby verricht.
2.3.. Humby en [verweerder sub 1] hebben op 12 juli 2023 met ingang van 1 januari 2023 een schriftelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, met als titel “overeenkomst van opdracht tussen Humby B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V.” (productie 1 van Humby).
2.4.. Humby en [verweerder sub 2] hebben op 12 juli 2023 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Door middel van een separate overeenkomst van koop en verkoop heeft [verweerder sub 2] 25% van de aandelen in Humby verworven, tegen een koopprijs van € 230.000,00.
2.5.. Humby heeft aan [verweerder sub 1] over de periode van 1 januari 2023 tot 27 februari 2025 een bedrag van € 6.611,00 exclusief BTW per maand betaald voor de verrichte werkzaamheden.
2.6.. Bij e-mailbericht van 27 februari 2025 heeft Humby de overeenkomst met [verweerder sub 1] opgezegd met inachtneming van de in artikel 3 opgenomen opzegtermijn van drie maanden (productie 3 van Humby).
3. Het verzoek en het verweer
3.1.. Humby verzoekt, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd en verkort weergegeven;
I. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,
II. in het geval wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat deze door opzegging is geëindigd en dat [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] niet binnen twee maanden ex artikel 7:686a lid 4 onder a BW een vordering tot vernietiging of herstel heeft ingesteld, zodat deze rechtsvordering is komen te vervallen,
III. in het geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd,
IV. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten, begroot op € 5.000,00 ex BTW.
3.2.. Aan het verzoek heeft Humby - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Partijen hebben samen uitdrukkelijk gekozen voor het sluiten van een managementovereenkomst. Humby heeft de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2025. Zelfs in het geval er wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst is deze eveneens op 1 juni 2025 door opzegging geëindigd. Er is hoe dan ook een einde gekomen aan de werkrelatie tussen partijen, zodat [verweerder sub 1] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst haar aandelen met peildatum 1 juni 2025 aan Humby dient aan te bieden.
3.3..
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Humby, dan wel tot afwijzing van het verzoek van Humby, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Humby in de kosten van deze procedure.
4. Het tegenverzoek en het verweer
4.1..
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzoeken, zoals tijdens de mondelinge behandeling verminderd (netto wordt bruto), - verkort weergegeven -;
I. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 2] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en nog steeds bestaat,
II. Humby te veroordelen het salaris van € 8.000,00 bruto te vermeerderen met vakantiebijslag en emolumenten aan [verweerder sub 2] te voldoen vanaf 27 februari 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,
III. aan [verweerder sub 2] de proceskosten te voldoen.
4.2.. Aan het verzoek hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder sub 2] heeft vanaf het begin zijn werkzaamheden bij Humby verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. De managementovereenkomst is weliswaar tussen partijen gesloten maar hier is nooit uitvoering aan gegeven. De opzegging van Humby was niet gericht aan [verweerder sub 2] als werknemer, maar aan [verweerder sub 1] , zodat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. [verweerder sub 2] heeft zijn salaris van € 8.000,00 netto uit hoofde van de arbeidsovereenkomst vanaf 27 februari 2025 niet meer betaald gekregen.
4.3.. Humby verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van deze procedure.
5. De beoordeling
In het verzoek en in het zelfstandig tegenverzoek
5.1.. Humby vordert een negatieve verklaring voor recht dat er tussen haar en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kern van het geschil tussen partijen betreft de beantwoording van de vraag of er tussen [verweerder sub 2] en Humby sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.2..
De Hoge Raad heeft met betrekking het toetsingskader of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR: 2023:443) het volgende overwogen.
“3.2.2 Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
3.2.3. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.
3.2.4. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
3.2.5. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.”
5.3.. De Haviltexmaatstaf die de Hoge Raad in nummer 3.2.3. noemt, is een uitlegmaatstaf voor een schriftelijk contract. Deze maatstaf houdt - kort samengevat - in dat bij de beantwoording van de vraag hoe een verhouding van partijen is geregeld niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract van belang zijn, maar ook de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle bijzondere omstandig-heden van het geval van belang.
5.4.. De kantonrechter zal hierna per gezichtspunt bespreken of, gelet op wat partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst is voldaan of dat sprake is van een overeen-komst van opdracht.
de aard en duur van de werkzaamheden
5.5..
Partijen zijn het erover eens dat de aard van de werkzaamheden, zoals beoogd in de overeenkomst, bestond uit het verrichten van commerciële werkzaamheden voor Humby. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben op de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat [verweerder sub 2] nauwelijks commerciële werkzaamheden heeft verricht, maar vooral magazijn-werkzaamheden in de loods heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat de verrichte werkzaamheden bijzondere verrichtingen betreffen. Uit de schriftelijke overeenkomst volgt niet dat er sprake is van een resultaatsverbintenis. Daarnaast is de overeenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd.
De kantonrechter is van oordeel dat de aard van de werkzaamheden en de overeengekomen duur van de overeenkomst aanwijzingen vormen dat sprake is (geweest) van een arbeids-overeenkomst.
De wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald
5.6..
Partijen staan in dit kader lijnrecht tegenover elkaar.
Humby stelt als volgt. [verweerder sub 2] genoot, via [verweerder sub 1] , volledige vrijheid in de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden (wanneer en waar hij wilde). Het maakt Humby niet uit of [verweerder sub 2] zijn werkzaamheden in 1 uur per maand of 60 uur per week uitvoerde, zolang hij zijn taken maar uitvoerde en klanten uit zijn netwerk binnenbracht. Humby gaf [verweerder sub 2] geen instructies en er was er geen gezagsverhouding. [verweerder sub 2] zocht zelf opdrachten en voerde deze uit. Hij hoefde aan niemand verantwoordelijkheid af te leggen. [verweerder sub 2] had geen toestemming nodig voor het opnemen van verlof, ondanks dat hij wel om toestemming vroeg, aldus Humby.
5.7..
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben naar voren gebracht dat Humby de werkzaamheden bepaalde en hij werd aangestuurd door [naam 1] , leidinggevende bij Humby, die hem instructies en opdrachten gaf. Hij had geen vrijheid om zijn werkzaam-heden inhoudelijk in te richten. Het stond hem niet vrij om opdrachten naar eigen believen aan te nemen en/of terug te geven. Volgens [verweerder sub 2] werkte hij, net als andere werknemers, dagelijks van 07.00 uur (of eerder) tot 16.00 uur (of later) op de locatie van Humby in Venlo. [verweerder sub 2] werd door Humby ingeroosterd en kon wel net als iedere andere werknemer van Humby zijn beschikbaarheid opgeven.
Ook diende hij voor het opnemen van verlof en elke afwijking van de reguliere werktijden toestemming te vragen aan [leidinggevende] .
5.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter geven de voorgaande aspecten geen duidelijkheid over het bestaan van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst. Humby heeft weliswaar een verklaring overlegd van [naam 2] , waarin deze onder meer aangeeft dat [verweerder sub 2] nooit verlof aanvroeg en [verweerder sub 2] kwam werken wanneer hij wilde en geen vaste werktijden had, maar deze verklaring is door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gemotiveerd betwist. Bovendien heeft Humby onvoldoende gesteld over de positie van [naam 2] binnen Humby. Dit gezichtspunt zal daarom niet worden meegenomen in de beoordeling.
De inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht
5.9..
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat de functie van commercieel medewerker volledig is ingebed in de organisatie van Humby en een structureel karakter heeft. [verweerder sub 2] werkte op de locatie van Humby in Venlo.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren verder aan dat [verweerder sub 2] geen eigen bedrijfsmiddelen heeft gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden. Hij kreeg en droeg werkkleding van Humby met het logo van Humby en had een visitekaartje met de naam van Humby erop (productie 2 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ).
Dit alles is niet door Humby weersproken. De stelling van Humby dat de veiligheidsvoor-schriften voorschrijven dat je op de werkvloer werkkleding aan moest hebben, maakt dit niet anders. Wat betreft het inbeddingsaspect zijn er naar het oordeel van de kantonrechter aanwijzingen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.
Het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren
5.10..
Ten aanzien van dit gezichtspunt stelt Humby dat de overeenkomst [verweerder sub 1] niet verplicht dat [verweerder sub 2] persoonlijk voor een lange, vaste periode feitelijk de diensten verricht. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] geacht werd de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, zonder de mogelijkheid zich te laten vervangen.
In de schriftelijke overeenkomst staat niets vermeld over een verplichting tot persoonlijk uitvoeren van het werk. Nu de overeenkomst is aangegaan met een onderneming en niet met [verweerder sub 2] in privé, had het voor de hand gelegen dat een dergelijke bepaling in de overeenkomst was opgenomen, als Humby uitsluitend van de diensten van [verweerder sub 2] gebruik wilde maken. Nu een dergelijk beding niet is opgenomen, blijkt niet dat [verweerder sub 2] zich niet mocht laten vervangen door een derde. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben deze stelling ook niet verder onderbouwd of bewijs hiervan aangedragen.
Dit onderdeel is naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht.
De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen
5.11..
Op dit onderdeel voert Humby het volgende aan. Humby wilde [verweerder sub 1] inhuren voor commerciële activiteiten en laten participeren in Humby, om op die manier incentive te creëren. [verweerder sub 2] gaf aan altijd ondernemer te zijn geweest en dat te willen blijven. Partijen hebben toen gekozen voor een participatie via [verweerder sub 1] en niet via [verweerder sub 2] privé. Voorts is samen gekozen voor een managementovereenkomst omdat [verweerder sub 1] de opdracht zelfstandig naar eigen inzicht en expertise wilde uitvoeren. Humby en [verweerder sub 1] hebben per 1 januari 2023 een schriftelijke managementovereenkomst gesloten waarin [verweerder sub 1] optreedt als opdrachtnemer. Namens [verweerder sub 1] worden deze activiteiten uitgevoerd door [verweerder sub 2] . In de overeenkomst hebben partijen uitdrukkelijk afgesproken dat zij wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW en uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Humby biedt van deze stelling getuigenbewijs aan. Verband houdende met de managementovereenkomst heeft [verweerder sub 2] in juli 2023 ook een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarbij [verweerder sub 2] een groot aandelenbelang van 25% in Humby heeft gekregen.
[verweerder sub 2] is naast bij Humby ook bestuurder en aandeelhouder bij een andere entiteit (Indexica).
5.12..
Volgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is er niet onderhandeld over de overeen-komst. [verweerder sub 2] was voor zijn participatie in Humby al werkzaam voor Humby, op basis van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2023. Toen had hij nog geen eigen bv. [verweerder sub 2] is niet actief geweest als zelfstandige voor de indiensttreding bij Humby. Pas later op initiatief van [naam 3] van [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby, zijn de bv’s opgericht. [bedrijfsnaam 2] heeft de samenwerking tussen partijen geformaliseerd.
Eerst werd Indexica B.V. opgericht, een gezamenlijke vennootschap tussen Humby en [verweerder sub 2] (ieder 50%), bedoelt voor de bandenhandel. Daarnaast is de persoonlijke holding [verweerder sub 1] opgericht, uitsluitend voor de administratieve afhandeling van de maandelijkse betalingen. In de aandeelhoudersovereenkomst is ook vermeld dat [verweerder sub 2] in dienst is getreden bij Humby. [verweerder sub 2] heeft nimmer bewust en doelgericht gekozen voor een zelfstandige constructie.
5.13.. De kantonrechter is van oordeel dat zowel uit de schriftelijke overeenkomst (waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ter mondelinge behandeling hebben erkend dat deze door [verweerder sub 1] is ondertekend en daadwerkelijk tussen partijen heeft bestaan) en uit de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat partijen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. In de schriftelijke overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“In aanmerking nemen dat:
(..)
Partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;
Partijen uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW;
(..)
Artikel 1. Werkzaamheden en uitvoering van de opdracht1.1.. Opdrachtgever verleent aan opdrachtnemer de opdracht tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: (..)
(..)1.3..
Opdrachtnemer deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in (..)
(..)1.4..
Opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever (..).
(..)”
5.14..
Daarnaast blijkt ook uit de doelstelling in artikel 2, lid 2 van de door [verweerder sub 2] ondertekende aandeelhoudersovereenkomst dat partijen het voornemen hebben om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en/of diens meester en Humby. In artikel 2 is onder meer het volgende opgenomen:
“Partijen hebben het voornemen om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en/of diens meester en Humby (..)”
5.15..
De kantonrechter is van oordeel dat uit de voornoemde afspraken voldoende volgt dat partijen samen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. Zeker nu niet [verweerder sub 2] , maar [verweerder sub 1] partij is bij de gesloten overeenkomst. Aangezien arbeid alleen verricht kan worden door een natuurlijk persoon, zou [verweerder sub 1] niet aan deze verplichting kunnen voldoen.
Dit alles wijst er in beginsel op dat partijen een managementovereenkomst zijn overeengekomen en geen arbeidsovereenkomst.
De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd
5.16..
Humby stelt zich op het standpunt dat uit de overeenkomst volgt dat [verweerder sub 1] een (vaste) vergoeding voor de werkzaamheden ontving en dat [verweerder sub 1] haar werkzaamheden op grond van artikel 5.5. mocht opschorten als er sprake was van een openstaande factuur. Humby betaalde geen salaris, maar voldeed de facturen van [verweerder sub 1] . Humby betaalde de btw over deze facturen en [verweerder sub 1] droeg dan zelfstandig de btw af aan de Belastingdienst. [verweerder sub 1] had een arbeidsovereenkomst gesloten met [verweerder sub 2] en [verweerder sub 2] verloonde zichzelf vanuit zijn vennootschap, waarin hij een eigen salarisadministratie voerde, aldus Humby.
[verweerder sub 2] gaf zelf de opdracht aan Humby om de facturen op te stellen en administratief te verwerken en zijn btw-nummer te gebruiken. De accountant verwerkte in opdracht en namens [verweerder sub 1] alle inkomende en uitgaande facturen, stelde de btw-aangifte op die [verweerder sub 2] goedkeurde en maakte de btw over aan de Belastingdienst. Datzelfde geldt voor de verloning binnen [verweerder sub 1] . De accountant zette alles klaar voor de verloning, de loonstrook, de af te dragen loonbelasting binnen [verweerder sub 1] .
[verweerder sub 2] betaalde dus zijn eigen salaris, loonbelasting en btw vanuit [verweerder sub 1] . Humby betaalde alleen de facturen van [verweerder sub 1] .
5.17..
Volgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kreeg [verweerder sub 2] salaris betaald van Humby, zowel voor als na de participatie. Hij heeft geen invloed gehad op de hoogte. [verweerder sub 2] kreeg ook doorbetaald bij ziekte of bij opnemen van vakantie. [verweerder sub 2] had slechts een keer onbetaald verlof opgenomen.
[verweerder sub 2] heeft nooit zelf een factuur opgesteld of verstuurd. De administratie daarvan werd gedaan door [naam 4] , zijnde een vriend van de boekbouder bij Humby. [naam 4] stuurde de facturen rechtstreeks naar de [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby. Het geld werd elke maand automatisch overgemaakt. Het betrof een louter interne administratieve verwerking. De gehele administratie verliep via [bedrijfsnaam 2] . [verweerder sub 2] droeg ook geen btw af.
5.18..
De kantonrechter oordeelt als volgt.
In de schriftelijke overeenkomst is over de beloning onder het volgende opgenomen:
“Artikel 5. Urenverantwoording en facturatie5.1.. Opdrachtgever betaalt aan Opdrachtnemer voor de werkzaamheden die hij overeenkomstig artikel 1.1 en/of artikel 1.6 uitvoert € 6.611,00 per maand, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week. Alle genoemde bedragen zijn exclusief 21% BTW, en inclusief reiskosten woon-werkverkeer. (..)5.2. (..). Opdrachtnemer draagt zelf de eventueel verschuldigde sociale premies en/of inkomstenbelasting af en vrijwaart Opdrachtgever voor eventuele aanspraken, ingevolge deze opdracht, van de fiscus, het UWV en/of vergelijkbare instanties.5.3..
Facturatie geschiedt aan het einde van de maand en opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 14 dagen na de factuurdatum. (..). Facturen met declaratiestaat dienen in één pdf ingediend te worden bij: [e-mailadres]
(..)”
5.19..
Vast staat dat [verweerder sub 1] , in de persoon van [verweerder sub 2] , de werkzaamheden uit de opdracht heeft uitgevoerd en uit naam van [verweerder sub 1] voor de verrichte werkzaamheden facturen zijn gestuurd aan Humby. Deze facturen zijn door Humby overgelegd als productie 10. In de facturen staat als omschrijving ‘managementfee’.
Bij de facturen bracht [verweerder sub 1] ook btw in rekening. De factuurbedragen moesten worden overgemaakt naar [verweerder sub 1] .
Bovendien heeft Humby onweersproken gesteld dat [verweerder sub 1] aan [verweerder sub 2] salaris heeft betaald voor voornoemde werkzaamheden uit hoofde van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .
Het feit dat [naam 4] , een vriend van de boekhouder van Humby, de administratie verzorgde en namens [verweerder sub 1] de facturen van de fee opmaakte en naar Humby verstuurde, maakt niet dat deze facturen niet in opdracht van [verweerder sub 1] zijn gemaakt. Bij e-mailbericht van 8 augustus 2023 van [verweerder sub 2] aan [naam 4] verzoekt [verweerder sub 2] ook om het btw-nummer van [verweerder sub 1] op de factuur naar Humby te vermelden.
Vanwege het feit dat [verweerder sub 1] btw in rekening bracht, kan het niet anders zijn dan dat zij ook btw afdroeg. Bovendien heeft [verweerder sub 1] de eerste factuur pas in rekening gebracht nadat de aandeelhoudersovereenkomst in juli 2023 was gesloten. [verweerder sub 2] heeft in de periode daarvoor, waarin hij stelt dat er al sprake was van een arbeidsovereenkomst, slechts twee keer een voorschot ontvangen en destijds geen loon gevorderd. Humby heeft ook onweersproken gesteld dat zij geen premies en loonbelasting voor [verweerder sub 2] heeft afgedragen.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben zich nog op het standpunt gesteld dat in het door hen als productie 3 overgelegd overzicht van betaling twee keer salaris is vermeld. Het feit dat tweemaal in de betaling aan [verweerder sub 1] het woord ‘salaris’ is gebruikt, is door Humby toegelicht als zijnde een administratief foute benaming vanwege de afwezigheid van de financiële administratie. Dit is niet weersproken.
De kantonrechter is van oordeel dat dit alles een sterke aanwijzing vormt voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst.
De hoogte van de beloning
5.20..
[verweerder sub 1] factureerde een bedrag van € 6.611,57 ex btw, zijnde € 8.000,00 inclusief btw. Partijen hebben zich niet uitgelaten of de hoogte van de beloning van [verweerder sub 1] al dan niet vergelijkbaar is met werknemers van Humby, zodat de kantonrechter dit gezichtspunt niet verder zal meenemen in de beoordeling.
Het lopen van commercieel risico bij het verrichten van de werkzaamheden
5.21..
Humby stelt zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] financieel risico loopt in verband met zijn participatie in Humby, omdat hij 25% van de aandelen in Humby bezit. Dit standpunt kan niet slagen. Het risico van het bezit van aandelen staat los van het risico wat [verweerder sub 2] loopt bij het verrichten van de werkzaamheden. Vast staat dat [verweerder sub 1] een vast bedrag per maand van € 8.000,00 inclusief btw van Humby heeft ontvangen, onafhankelijk van de door haar daadwerkelijk gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder sub 1] bijvoorbeeld bepaalde opdrachten moest binnenhalen of verantwoordelijk was voor de kwaliteit voor de door haar verrichte werkzaamheden.
Dit wijst naar het oordeel van de kantonrechter eerder in de richting van een arbeidsover-eenkomst.
Het gedragen als ondernemer in het economisch verkeer bij het verrichten van de werkzaamheden
5.22..
Op dit onderdeel heeft Humby het volgende aangevoerd. [verweerder sub 2] is altijd ondernemer geweest en heeft jarenlang een onderneming gedreven onder [bedrijfsnaam X] in Azië en ook andere ondernemingen. [verweerder sub 2] is ook bestuurder en voor 50% aandeelhouder bij Indexica B.V., welke onderneming voorheen een eenmanszaak van [verweerder sub 2] was. De ervaring van [verweerder sub 2] als zelfstandig ondernemer was voor Humby de essentie om de samenwerking met [verweerder sub 1] aan te gaan.
Humby heeft als productie 7 e-mailberichten overgelegd waaruit volgt dat [verweerder sub 2] , naast zijn werkzaamheden ter uitvoering van de managementovereenkomst, ook voor Indexica B.V. werkzaam is.
5.23..
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] vanaf 1 januari 2023 niet actief is (geweest) als zelfstandig consultant of adviseur, zich niet zodanig profileert en ook niet beschikt over andere opdrachtgevers dan Humby.
5.24..
De kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest voor het eerst invulling gegeven aan het begrip ondernemerschap als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien men kan aantonen zich als ondernemer te presenteren, als ondernemer gewerkt te hebben in het verleden en door de fiscus als zodanig behandeld wordt, zijn dit belangrijke contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
Uit de maandelijkse facturen van [verweerder sub 1] blijkt dat [verweerder sub 2] , onder de naam [verweerder sub 1] , op het moment dat hij voor Humby werkzaamheden verrichtte, maar in ieder geval vanaf juli 2023, met zijn onderneming ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat vast dat [verweerder sub 2] 25% van de aandelen bezit in Humby. [verweerder sub 2] heeft ook niet betwist jarenlang een onderneming gedreven te hebben onder [bedrijfsnaam X] in Azië. [verweerder sub 2] heeft verder niet betwist dat hij tijdens zijn werkzaamheden ook aandeelhouder en bestuurder was van Indexica B.V.
Uit productie 7 van Humby blijkt dat [verweerder sub 2] naast de uitvoering van zijn werkzaamheden uit de overeenkomst met Humby, in ieder geval ook in 2024 werkzaamheden uit naam van Indexica B.V. heeft verricht.
Bovendien heeft [verweerder sub 2] namens [verweerder sub 1] , zoals al is overwogen in overweging 5.19, btw in rekening gebracht en afgedragen aan de Belastingdienst, waaruit volgt dat hij zich naar buiten en naar de Belastingdienst toe als ondernemer heeft opgesteld.
De stelling van [verweerder sub 2] dat hij slechts één opdrachtgever heeft, zijnde Humby, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.
Uit het voorgaande volgt voldoende dat [verweerder sub 2] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt en dit ook voorheen al deed, hetgeen een aanwijzing vormt voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht.
Conclusie
5.25..
De Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest gekozen voor een zogenoemde holistische benadering van het kwalificatievraagstuk. Dat betekent dat alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien van belang zijn. Geen van deze factoren is doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsover-eenkomst.
Gelet op alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband bezien, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst.
Partijen hebben zich naar het oordeel van de kantonrechter bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten) en de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven, meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen, dan als werkgever en werknemer.
5.26..
Nu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, ligt het eerste verzoek van Humby tot verklaring voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, voor toewijzing gereed. Het verzoek onder II en III komt niet voor beoordeling in aanmerking, nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Het tegenverzoek van [verweerder sub 1] onder I en II moeten worden afgewezen.
Proceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek
5.27..
Humby verzoekt de hoofdelijke veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot betaling van de volledige proceskosten. Volgens Humby is er sprake van misbruik van recht doordat zij in een procedure gedwongen wordt terwijl de uitkomst van de procedure in het voordeel van Humby wordt beslist. Dit verzoek kan niet worden toegewezen. Een proces-kostenveroordeling omvat in beginsel een forfaitaire vergoeding. Onder buitengewone omstandigheden kan de rechter echter een ruimere of zelfs volledige proceskostenveroordeling toekennen, bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente onge-grondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daar is in dit geval geen sprake van.
Als een partij in een procedure tegen beter weten in onware stellingen inneemt en daarmee de andere partij onnodig op kosten jaagt, kan er sprake zijn van onrechtmatig procederen. Daar is eveneens geen sprake van, althans dat is onvoldoende door Humby onderbouwd.
Dat betekent dat aan Humby een forfaitaire procesvergoeding zal worden toegekend.
5.28..
De proceskosten komen (hoofdelijk) voor rekening van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten aan de zijde van Humby worden begroot op € 1.084,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De kantonrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een aparte kostenveroor-deling in het zelfstandig tegenverzoek.
6. De beslissing
De kantonrechter
in het verzoek
6.1.. verklaart voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,
6.2.. veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.084,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
in het tegenverzoek
6.4.. wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
MH