Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5000

Tribunal

Maastricht

Date

21 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Belastingrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25 / 1846

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonend te [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,de heffingsambtenaar (gemachtigden: A. van den Dool en L. Westhovens).

Procesverloop

Bij besluit met dagtekening 25 februari 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar aanslagen onroerende zaakbelasting gebruiker, rioolheffing gebruik (waterverbruik), zuiveringsheffing bedrijven en reclamebelasting (hierna: de aanslagen) opgelegd voor de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak).

Belanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslagen rioolheffing gebruik (waterverbruik) en reclamebelasting verlaagd.

Belanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft op 16 september 2025 een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Belanghebbende is in persoon ter zitting verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar ten onrechte de aanslagen heeft opgelegd omdat de onderneming aan het begin van het belastingjaar 2025 was beëindigd.

2. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd omdat de huurovereenkomst nog twee maanden na het begin van het belastingjaar doorliep.

3. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de aanslagen rioolheffing gebruik (waterverbruik) en zuiveringsheffing bedrijven niet meer in geschil zijn. Derhalve zijn enkel nog de aanslagen onroerende zaakbelasting gebruiker en reclamebelasting in geschil.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende de onroerende zaak heeft gehuurd voor zijn onderneming ‘ [handelsnaam] ’. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming op 31 december 2024 is beëindigd en dat de huurovereenkomst op 28 februari 2025 is beëindigd. Evenmin is tussen partijen in geschil dat in de periode tussen voornoemde datums de onroerende zaak enkel nog werd ontruimd zodat deze leeg kon worden opgeleverd.

Onroerende zaakbelasting gebruiker

6. Naar de rechtbank begrijpt, betwist belanghebbende dat hij als ‘gebruiker’ van de onroerende zaak kan worden aangemerkt.

7. Ingevolge artikel 220, aanhef en onder a, van de Gemeentewet wordt, ter zake van de binnen de gemeente gelegen onroerende zaken, onder de naam onroerende-zaakbelastingen een belasting geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruiken.

8. In de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025 van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: Verordening OZB) is – voor zover van belang – het volgende bepaald.

Ingevolge artikel 1, aanhef onder a, van de Verordening OZB, wordt onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken een gebruiksbelasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak, die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

9. Volgens vaste jurisprudentie dient onder het begrip ‘gebruik’, het metterdaad bezigen van een onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoeften, te worden verstaan.In dit geval kan naar het oordeel van de rechtbank worden gezegd dat belanghebbende de onroerende zaak op 1 januari 2025 in gebruik heeft omdat deze toen door belanghebbende werd ontruimd. Aangezien de onroerende zaakbelasting een zogenoemde tijdstipbelasting is, is degene die op 1 januari 2025 het gebruik heeft voor het gehele jaar (2025) onroerende zaakbelasting verschuldigd.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht een aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker heeft opgelegd.

Reclamebelasting

11. Ingevolge artikel 227 van de Gemeentewet kan, ter zake van vanaf de openbare weg zichtbare aankondigingen, een reclamebelasting worden geheven.

12. In de Verordening reclamebelasting Valkenburg aan de Geul 2024 (hierna: Verordening Reclamebelasting) is – voor zover van belang – het volgende bepaald.

Ingevolge artikel 2 van de Verordening Reclamebelasting wordt onder de naam reclamebelasting een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij de Verordening Reclamebelasting behorende kaarten.

Ingevolge artikel 3 van de Verordening Reclamebelasting wordt de reclamebelasting geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondiging wordt aangetroffen.

13. Naar de rechtbank begrijpt, betwist belanghebbende dat er sprake is van een belastbaar feit.

14. De rechtbank overweegt dat reclamebelasting wordt geheven voor een ‘openbare aankondiging’. Gelet op vaste jurisprudentiedient onder een ‘openbare aankondiging’ alle tot het publiek gerichte mededelingen te worden verstaan, die erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wat wordt aangekondigd. Onder het voorgaande dient echter niet slechts reclame in enge zin te worden aangemerkt, maar ook elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.

15. De rechtbank stelt voorop dat de onderneming van belanghebbende vóór het begin van het belastingjaar was beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank was er aan het begin van het belastingjaar geen dienst, product of boodschap meer aanwezig waarvoor de belangstelling van het publiek nog kon worden getrokken. Van een ‘openbare aankondiging’ als bedoeld in artikel 2 van de Verordening Reclamebelasting was naar het oordeel van de rechtbank toen ook geen sprake meer.

16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag reclamebelasting heeft opgelegd.

Conclusie

17. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het primaire besluit voor zover deze zijn gericht tegen de aanslag reclamebelasting.

18. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende vergoeden.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover het de aanslag reclamebelasting betreft;

vernietigt het primaire besluit, voor zover het de aanslag reclamebelasting betreft;

draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, rechter, in aanwezigheid van A. Henskens, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 mei 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Zie Hoge Raad 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2715, Hoge Raad 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2318 en Hoge Raad 18 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1354.

Zie onder meer Hoge Raad 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX2154.

Zie bijvoorbeeld gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2005, ECLI:2005:AU0787, gerechtshof Den Haag van 25 augustus 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BN5744 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2256.

Plus de Décisions