Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5461

Tribunal

Maastricht

Date

11 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKLIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12231600 \ CV EXPL 26-2730

Vonnis in kort geding van 11 juni 2026

in de zaak van

1. [huurder 1] , 2. [huurder 2] ,

beiden te [plaats 1] ,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. B.H.A. Augustin,

tegen

[verhuurder],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 4

  • het aanhoudingsverzoek van [verhuurder]

  • de aanvullende producties 5 tot en met 7 van [huurders]

  • productie 1 van [verhuurder]

  • de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[verhuurder] verhuurt aan [huurders] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van twaalf maanden, ingaande 1 mei 2025 en lopende tot en met 30 april 2026. Op grond van artikel 3.4. van de huurovereenkomst is inmiddels sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De huurprijs bedraagt € 900,00 per maand.

2.2.. In de huurovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“6.2 Gas en water wordt gedeeld met de bovenwoning. Woning heeft een eigen gasmeter, maandelijks wordt gekeken wat er verbruikt is en verrekend met de bovenwoning. Water zal maandelijks berekend worden en door 2 woningen worden verdeeld.”

2.3.. Op donderdag 14 mei 2026 (Hemelvaartsdag) kwamen [huurders] erachter dat het water en gas waren afgesloten in de woning. [huurders] hebben [verhuurder] een WhatsAppbericht gestuurd met de volgende inhoud:

“Hey [verhuurder] , we hebben geen water meer.

We hebben wml gesproken en door administratieve redenen hebben ze het water afgesloten. Wml gaf aan jou dit door te geven om z.s.m. een oplossing te bieden.”

2.4..
[huurders] hebben twee jonge kinderen en zijn op zoek gegaan naar een andere verblijfsruimte. [huurder 1] heeft kunnen verblijven bij vrienden en [huurder 2] heeft met de kinderen kunnen verblijven bij haar ouders. [huurders] zijn op 15 mei 2026 bij [begeleider] (de begeleider van het gezin) geweest om de situatie toe te lichten. Op maandag 18 mei 2026 zijn [huurders] teruggegaan naar de woning en bij controle bleek het gas en water weer aangesloten.

3. Het geschil

3.1..
[huurders] vorderen – samengevat en na eisvermindering – om [verhuurder] te verbieden gedurende de looptijd van de huurovereenkomst, althans totdat in een bodemprocedure anders is beslist, de gas- en/of watervoorziening van de woning opnieuw af te sluiten, te onderbreken of anderszins te beperken, waarbij [verhuurder] een dwangsom van € 2.500,00 verbeurt bij overtreding van voornoemd verbod. [huurders] vorderen tevens veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2..
[huurders] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Vanaf aanvang van de huurovereenkomst zijn er gebreken in de woning. [verhuurder] heeft nagelaten om de gebreken te verhelpen, terwijl hij daartoe wel gehouden is op grond van artikel 7:206 lid 1 BW. Vanwege deze gebreken hebben [huurders] , op advies van de Huurcommissie, betaling van de huurpenningen voor de helft opgeschort. [verhuurder] heeft gedreigd dat hij het water en gas zou afsluiten indien [huurders] betaling van de huurpenningen bleven opschorten. [verhuurder] heeft op 14 mei 2026 daadwerkelijk het water en gas afgesloten en de woning daarmee praktisch onbewoonbaar gemaakt. [huurders] hebben contact opgenomen met WML en Enexis en zij gaven beiden te kennen dat het afsluiten niet bij hen lag. [huurders] hebben op 15 mei 2026 een sommatiebrief gestuurd aan [verhuurder] . Het afsluiten van gas en water aan een woonruimte levert evident een ernstig gebrek op in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, althans een ernstige aantasting van het huurgenot die volledig in de risicosfeer van de verhuurder ligt. [verhuurder] is verplicht de voorzieningen beschikbaar te houden en, indien door of vanwege hem onderbroken, onmiddellijk te herstellen. Door het gas en water af te sluiten schiet [verhuurder] ernstig tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en handelt hij tevens onrechtmatig jegens [huurders] De voorzieningen zijn inmiddels weer hersteld (en in verband daarmee is de aanvankelijk eerste vordering vervallen). [huurders] willen zekerheid dat dit in de toekomst ook zo blijft.

3.3..
[verhuurder] voert verweer. [verhuurder] betwist dat hij gedreigd heeft om het gas en water af te sluiten en dat hij dat daadwerkelijk heeft gedaan op 14 mei 2026. [verhuurder] voert aan dat hij de sommatiebrief niet ontvangen heeft. Deze brief is naar zijn oude adres gestuurd, terwijl [huurders] wisten dat [verhuurder] daar niet meer woonde. [verhuurder] heeft enkel van [huurders] via WhatsApp vernomen dat WML het water vanwege administratieve redenen had afgesloten en dat WML contact met [verhuurder] zou opnemen. Vanwege deze mededeling heeft [verhuurder] toen geen actie ondernomen. De dagvaarding is op 20 mei 2026 betekend aan [verhuurder] . [verhuurder] is daarop meteen vanuit [plaats 2] naar de woning gereden. Bij aankomst bleek het gas en water gewoon aangesloten. Indien er gebreken zijn en [huurders] deze gebreken ook melden, dan lost [verhuurder] deze gebreken op, zoals ook met de defecte cv-ketel in het verleden. Volgens [verhuurder] heeft hij sinds juli 2025 geen enkele huurbetaling meer ontvangen van [huurders]

3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. [huurders] dienen allereerst een spoedeisend belang te hebben bij hun vordering. Het ter beschikking hebben van gas en water in een woonruimte is van groot belang en [huurders] hebben daarom een spoedeisend belang bij hun vordering.

4.2.. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, zal overgaan tot toewijzing van de vordering. [huurders] hebben aangevoerd dat het gas en water in de woning vanaf 14 mei 2026 enige tijd niet beschikbaar is geweest. Hoelang dat het geval is geweest, is niet vast te stellen. [huurders] hebben namelijk pas op 18 mei 2026 getest of het gas en water het weer deed en dat was toen ook het geval. Het kan dus zijn dat het gas en water al eerder dan 18 mei 2026 weer beschikbaar waren. [huurders] hebben zich tot hulpinstanties gewend, hetgeen ook begrijpelijk is in hun situatie met twee jonge kinderen. [verhuurder] voert aan dat de overgelegde verklaring van de hulpinstantie alleen van horen zeggen is en dat van alles verteld kan worden tegen een instantie. [huurders] hebben daarnaast een verklaring van hun overbuurman in het geding gebracht en uit die verklaring volgt dat deze overbuurman samen met [huurders] heeft gezien dat [verhuurder] handmatig de leidingen heeft afgesloten door middel van een ketting en een hangslot. Volgens [verhuurder] zou dit, mocht dit hebben plaatsgevonden, helemaal niet kunnen worden waargenomen. De hoofdmeter van het gas en water bevindt zich namelijk in een andere woonruimte in het desbetreffende pand ( [nummer] ). Die andere woonruimte werd tot januari 2026 ook verhuurd door [verhuurder] . [huurders] hebben een foto in het geding gebracht waarop een deur te zien is die is afgesloten met een hangslot. [verhuurder] heeft ter mondelinge behandeling toegelicht dat dit niets te maken had met het incident betreffende het gas en water. [verhuurder] erkent dat hij op 14 mei 2026 in de andere woonruimte ( [nummer] ) is geweest. De bewoner van [nummer] heeft de woonruimte in januari 2026 verlaten en [verhuurder] heeft die woonruimte vanwege lichamelijke klachten niet eerder kunnen bezoeken. Toen hij op 14 mei 2026 bij die woonruimte aankwam, bleek de sleutel niet te werken. [verhuurder] heeft het slot daarom opengebroken en hij moest de deur bij vertrek kunnen afsluiten. Daarom heeft [verhuurder] de deur afgesloten met een hangslot. De kantonrechter merkt op dat op de overgelegde foto’s geen ketting te zien is zoals de overbuurman verklaart. Op de foto is te zien dat het oorspronkelijke slot op de deur verwijderd is.

4.3.. De kantonrechter is gelet op het verweer van [verhuurder] , dat in dit stadium niet op voorhand als onaannemelijk van de hand kan worden gewezen, van oordeel dat de vraag of [verhuurder] op 14 mei 2026 gas en water van de woning van [huurders] heeft afgesloten, nader onderzoek naar feiten en omstandigheden behoeft, waarvoor in kort geding geen plaats is. De vordering moet reeds om die reden worden afgewezen.

4.4..
[huurders] worden in het ongelijk gesteld en worden daarom veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. wijst de vorderingen af,

5.2.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Plus de Décisions