Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5790

Tribunal

Maastricht

Date

18 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKLIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12238701 CV EXPL 26-2803

Vonnis in kort geding van 18 juni 2026

in de zaak van

WONINGSTICHTING SERVATIUS,

te Maastricht,

eisende partij,

hierna te noemen: Servatius,

gemachtigde: mr. G. Vansant,

tegen

1. [huurder],

te [plaats] ,

gedaagde partij sub 1,

hierna te noemen: [huurder],

niet verschenen,2. 2. [bewindvoerder], h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor],

in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [huurder],

te [plaats] ,

gedaagde partij sub 2,

hierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,

procederend in persoon.

1. De procedure

1.1..

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaardingen - de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten en het geschil

2.1.. Tussen Servatius en [huurder] is in maart 2022 een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Servatius de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde) verhuurt aan [huurder].

2.2.. Bij beschikking van de kantonrechter zijn alle goederen die behoren of zullen toebehoren aan [huurder] onder bewind gesteld.

2.3.. Bij brief van 29 september 2025 heeft Servatius de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2026, met als reden dat [huurder] het gehuurde niet als hoofdverblijf heeft.

2.4.. Tussen Servatius en [huurder] is vervolgens een afspraak tot stand gekomen inhoudende dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren aan Servatius.

2.5.. Omdat [huurder] telkens niet is verschenen bij de opleveringsafspraken, heeft Servatius [huurder] gesommeerd het gehuurde uiterlijk 20 april 2026 te ontruimen. Een kopie van dit schrijven is aan de bewindvoerder q.q. gestuurd.

3. Het geschil en de beoordeling

3.1.. Servatius vordert - samengevat - ontruiming van het gehuurde.

3.2.. De bewindvoerder q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd en de feiten, zoals ten grondslag gelegd aan de vordering, niet betwist.

3.3.. Tegen de niet verschenen [huurder] wordt verstek verleend, nu de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.

3.4.. De vorderingen tegen de [huurder] komen niet onrechtmatig of ongegrond voor (tenzij hierna anders wordt overwogen), en zullen conform het bepaalde in art. 140 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak in dezelfde zin worden toegewezen als tegen de wel verschenen gedaagde.

3.5..

In het petitum is, gelet op het lichaam van de dagvaarding, een duidelijke omissie geslopen in de zin dat onder 1. voor “[huurder]” moet worden gelezen:

“de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd -”. [huurder] wordt hierdoor niet benadeeld.

3.6..
[huurder] staat onder bewind. In 2014 heeft de Hoge Raad beslist dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed, de bewindvoerder en niet de rechthebbende in rechte betrokken dient te worden (ECLI:NL:HR:2014:525). De eisende partij wordt normaliter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering jegens de rechthebbende. Servatius heeft hier zowel de bewindvoerder als de rechthebbende in rechte betrokken, omdat een voorwaardelijkevordering is ingesteld tegen [huurder] voor het geval het bewind zou eindigen tussen de datum vonnis en de datum van de aangezegde ontruiming. Aangezien een einde van het bewind niet is uit te sluiten, is Servatius ontvankelijk in haar voorwaardelijke vordering jegens [huurder].

3.7.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.

3.8.. Het spoedeisend belang is niet weersproken en vloeit voort uit de stelling dat het gehuurde reeds geruime tijd niet wordt bewoond, dat de leegstand heeft geleid tot verwaarlozing en overlast en dat Servatius de woning thans niet kan toewijzen aan een woningzoekende. Gewezen is op de schaarste op de sociale woningmarkt.

3.9.. De bewindvoerder q.q. erkent dat [huurder] met Servatius de afspraak heeft gemaakt dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren. [huurder] heeft op enig moment zelf de huur opgezegd. De bewindvoerder q.q. kan zich vinden in het einde van de huur. [huurder] woont namelijk bij haar vriend en wil niet meer terug naar het gehuurde, aldus de bewindvoerder q.q. Deze was zelfs al in de veronderstelling dat het gehuurde reeds was opgeleverd – reden waarom de huur over de laatste maand (nog) niet is betaald. De kantonrechter begrijpt uit dit laatste dat de datum, waarop de huurovereenkomst (ook volgens bewindvoerder q.q.) is geëindigd, inmiddels is gepasseerd. Daarmee wordt aangenomen dat de huurovereenkomst inmiddels formeel tot een einde is gekomen.

3.10.. De bewindvoerder q.q. erkent eveneens dat in de woning nog altijd (veel) spullen van [huurder] aanwezig zijn en dat het gehuurde ook anderszins niet is opgeleverd. Zo is niet betwist dat de sleutels ook niet zijn ingeleverd. De bewindvoerder q.q. verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming. Zo heeft hij [huurder] geadviseerd de woning op tijd leeg te maken. Concluderend is de kantonrechter voorshands van oordeel het zeer waarschijnlijk is dat een ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde ontruiming is daarmee toewijsbaar. De vordering zal voorwaardelijk worden toegewezen jegens [huurder].

3.11.. Een ontruimingstermijn van twee weken is gebruikelijk. Servatius stelt dat een kortere termijn van zeven dagen hier is gerechtvaardigd omdat [huurder] al niet meer in het gehuurde woont. De bewindvoerder q.q. heeft zich niet met zoveel woorden tegen die verkorte termijn verzet. Wel heeft hij erop gewezen dat [huurder], die een Wajong-uitkering ontvangt, begeleiding krijgt en hulp nodig heeft om het gehuurde leeg te krijgen. De bewindvoerder q.q. heeft twee weken geleden geld overgemaakt naar [huurder] om het gehuurde met hulp te doen ontruimen. Het bewind loopt goed. [huurder] heeft het schuldsaneringstraject doorlopen. Een gedwongen ontruiming zal evenwel tot kosten, en daarmee nieuwe schulden, leiden. De bewindvoerder q.q. wil daarom proberen om middels Opruimservice Limburg het gehuurde nog tijdig leeg te krijgen. Voorkomen moet worden dat [huurder] opnieuw in de schulden geraakt. Aangegeven is dat sowieso nog (een vergoeding gelijk aan) de huurprijs zal worden doorbetaald.

3.12.. Hoewel een kortere termijn hier in beginsel is gerechtvaardigd, is de kantonrechter al met al van oordeel dat in dit geval een ontruimingstermijn van veertien dagen (óók in het voorwaardelijke geval) het meest redelijk is. Daarmee wordt aan [huurder] alsnog een reële(re) kans geboden om een gedwongen ontruiming, met alle financiële gevolgen van dien, te voorkomen.

3.13.. De (ook voorwaardelijk) gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.3.14..

De bewindvoerder q.q. en [huurder] (als voorwaardelijke partij) zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het tarief voor verstek is hier overigens niet van toepassing op [huurder].

De proceskosten van Servatius worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

156,75

  • griffierecht

139,00

  • salaris gemachtigde

865,00

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.304,75

3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De kantonrechter

4.1.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Servatius zijn, en de sleutels af te geven aan Servatius,

4.2.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Plus de Décisions