Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:6530

Tribunal

Roermond

Date

7 July 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Strafrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Roermond

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03.207417.25; 20.002155.21 (tul); 03.050076.23 (tul); 03.344019.21 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026

in de strafzaak tegen

[Verdachte] ,

geboren te Sittard-Geleen op [geboorte datum] 2003,

wonende te [woonplaats 1] ,

momenteel gedetineerd in P.I. te Grave.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 2] is op zitting verschenen. [slachtoffer 1] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partijen is A.C.M. Vaes, werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1:zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2:een gouden ketting van [slachtoffer 1] heeft gestolen;

Feit 3:[slachtoffer 3] heeft bedreigd door hem een vouwzaag en/of mes en/of scherp voorwerp te tonen (primair)dan wel onder bedreiging met dat voorwerp hem heeft gedwongen een pannenkoek (met ontlasting) te eten(subsidiair);

Feit 4:zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

Feit 5:[slachtoffer 2] heeft belaagd(primair)dan wel haar auto heeft vernield(subsidiair).

3. De beoordeling van het bewijs3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten.3.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het geven van een kopstoot, het dichtknijpen van de keel en het slaan tegen het hoofd van aangeefster [slachtoffer 1] wegens onvoldoende bewijs.

Ten aanzien van feit 3 verzoekt de verdediging, indien de rechtbank toekomt aan het subsidiair ten laste gelegde, de verdachte partieel vrij te spreken van het gedeelte ‘met

ontlasting’.

Ten aanzien van feit 5 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de primair ten laste gelegde belaging voor in ieder geval de periode tot en met 8 maart 2025, nu in die periode aangeefster [slachtoffer 2] zelf ook heeft bijgedragen aan het in stand houden van het contact. Daarnaast verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de ten laste gelegde vernielingen van de auto(banden) en het raam van aangeefster [slachtoffer 2] wegens onvoldoende bewijs.

Voor het overige en ten aanzien van feit 2 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 5 (primair en subsidiair)

De rechtbank overweegt allereerst dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken en/of de auto heeft bekrast. De verdachte ontkent deze feiten. De vraag die vervolgens voorligt is of de aangifte voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier die niet van dezelfde bron afkomstig zijn. Dat is niet het geval. De camerabeelden die zich in het dossier bevinden zijn niet van dien aard dat de politie daar een herkenning van de verdachte op heeft kunnen doen. Daarnaast kan uit de verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op de momenten dat de vernielingen plaatsvonden daadwerkelijk bij de auto van aangeefster aanwezig was. Weliswaar geldt voor bepaalde momenten dat de telefoon van de verdachte bepaalde masten aanstraalde in de buurt van de woning van aangeefster, maar nu die masten een groot gebied aanstraalt is dat onvoldoende als steunbewijs. Per saldo is dus slechts één bewijsmiddel beschikbaar in de vorm van de aangifte en de daarin door aangeefster genoemde herkenning van de verdachte op de beelden. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum zodat de rechtbank niet bewezen acht dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken. Ditzelfde geldt voor het gooien van stenen tegen het raam van aangeefster, zodat de rechtbank dat ook niet bewezen acht.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voor het overige van de ten laste gelegde gedragingen, te weten het door de straat rijden en veelvuldig contact opnemen met aangeefster door haar berichten te sturen en te bellen, naar aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de voor belaging vereiste stelselmatigheid te komen. Daarbij speelt mee dat gedurende een gedeelte van de tenlastegelegde periode de politie heeft geconstateerd dat ook sprake was van contact dat werd geïnitieerd door aangeefster en dat een groot deel van de berichten die volgens aangeefster door de verdachte zijn verzonden niet objectief aan hem te linken zijn. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde, alsmede van het subsidiair ten laste gelegde, nu reeds is overwogen dat het lek steken van de autobanden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Bewezenverklaring feit 1, 2, 3 (primair) en 4

Feit 1

Bewijsmiddelen

In het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025staat het volgende gerelateerd:

Ik ben woonachtig op de [woonplaats 2] . Op maandag 9 juni 2025 hebben wij elkaar voor het eerst gezien in mijn woning. Deze avond is hij gewoon naar huis gegaan. De volgende dag 10 juni 2025 is hij weer naar mijn woning gekomen en is hij eigenlijk niet meer weg gegaan van af toen. Wij hebben toen officieel een relatie gekregen. De eerste 1,5 week was nog alles "goed". Vanaf maandag 23 juni 2025 is het geweld richting mij begonnen, deze maandag hadden wij ruzie gekregen omdat [Verdachte] een airco zou gaan ophalen via marktplaats in Heerlen. In de tijd van maandag 23 juni 2025 tot zondag 29 juni 2025 hebben wij vaker ruzie gehad en heeft hij mij ook meerdere malen met een platte hand geslagen.

Zondag 29 juni 2025 kwam ik thuis in mijn woning. Deze zondag heeft hij mij ook fysiek weer mishandeld. Hij heeft mij toen geslagen met een platte hand, geduwd ter hoogte van mijn borst en mijn keel dicht geknepen met één of twee handen. Deze mishandelingen hebben een paar uur geduurd waarbij hij dit meerdere malen heeft gedaan. Ik voelde toen ook pijn aan mijn lichaam van deze mishandelingen.

Op maandag 30 juni heeft hij mij ook met gebalde vuisten geslagen op mijn lichaam ik voelde meteen pijn in mijn lichaam en moest huilen van de pijn, schrik en de angst.

Dinsdag 1 juli 2025 was een hele extreme dag qua mishandelingen en hiervan heb ik ook heel veel letsel opgelopen. Rond 12 uur stond ik in de badkamer in mijn woning. [Verdachte] verweet mij dat ik wat verkeerds had gedaan, toen ik vroeg wat ik verkeerd had gedaan voelde ik dat [Verdachte] mij met gebalde rechtervuist zeker vijf keer op de linkerkant van mijn hoofd sloeg. Ik voelde meteen heel veel pijn in mijn hoofd en schreeuwde het uit van de pijn. Hij sloeg mij ook met gebalde rechtervuist op mijn bovenbenen, hier heb ik ook blauwe plekken van. Ook kneep hij mij op dat moment in mijn linker bovenarm, hier heb ik een grote blauwe plek van op mijn arm staan. Ik heb toen heel hard moeten huilen van de pijn. [Verdachte] heeft mij toen aan mijn kleding meegetrokken naar mijn woonkamer. Ik heb toen gezegd dat de politie zou komen naar aanleiding van mijn geschreeuw en dat ik niet meer kon liegen omdat ik helemaal onder de blauwe plekken zat. Hij heeft mij toen nog in mijn onderrug geknepen en getrokken aan mijn vel. Op mijn onderrug heb ik hier ook een blauwe plek van. [Verdachte] wilde toen weg uit de woning en wilde naar de [plaats] gaan om daar in de zon te gaan zitten. Ik mocht van hem niet in mijn eigen woning blijven. Ik ben toen ook met hem richting de [plaats] moeten gaan. Onderweg naar de [plaats] heeft [Verdachte] mij drie keer met een gebalde vuist op mijn rechter bovenarm geslagen waarvan ik een grote blauwe plek heb gekregen. Rond 14.30 uur zijn wij terug naar huis gegaan en heb ik andere kleren aangetrokken om mijn blauwe plekken te verbergen.

Woensdag 2 juli 2025 is [Verdachte] wederom boos geworden op mij, ik weet eigenlijk niet eens meer waarom. Toen ik op de bank in de woonkamer zat zag ik dat [Verdachte] mij sloeg met een slipper op mijn linker hoofd [de rechtbank begrijpt: de linkerkant van mijn hoofd]. Dit is de plek waar hij mij eerder al heeft geslagen met gebalde vuisten en ik nog steeds pijn van ondervind. Ook zag en voelde ik dat hij mij met kracht met zijn rechtervoet met hieraan een slipper ook weer tegen de linkerkant van mijn hoofd trapte. Ik voelde van deze klappen meteen nog meer pijn aan mijn hoofd. Ik zag dat [Verdachte] zijn slippers uit deed en deze verruilde voor zijn werkschoenen met stalen neus. Ik zag dat hij met zijn rechtervoet met kracht tegen mijn linkerbeen schopte. Ook dit deed pijn en hiervan heb ik een blauwe plek op mijn been.

Donderdag 3 juli 2025 kan ik mij niet meer goed herinneren maar ook deze dag hebben er weer mishandelingen plaats gevonden richting mij. Iedere dag hebben er

mishandelingen plaatsgevonden vanaf de vorige zondag.

Zaterdag 5 juli 2025 ben ik rond 10 uur opgestaan. De afspraak was dat mijn dochtertje [dochter] deze dag naar mijn ouders zou gaan. [Verdachte] was boos dat mijn ouders nog aan het slapen waren en zij dus nog steeds in de woning was. [Verdachte] is vervolgens op mij afkomen lopen en gaf mij een kopstoot tegen mijn voorhoofd. Ik begon gelijk te schreeuwen van de pijn. Ik zat op dat moment op de bank samen met mijn dochtertje.

Wij hebben ons toen klaar gemaakt en zijn met zijn drieën richting mijn ouders gereden. Onderweg kregen wij nog ruzie met elkaar en werd hij wederom boos in de auto op mij. Hij heeft mij hierbij heel hard in mijn rechterbeen geknepen terwijl ik aan het autorijden was. Ik ben toen heel hard op de rem moeten gaan. Ik heb vervolgens keihard geschreeuwd van de pijn.

Vandaag 6 juli zijn wij samen opgestaan rond 11 of 12 uur en heb ik eigenlijk gelijk aangegeven aan [Verdachte] dat ik mij niet goed voelde en veel pijn had en dat ik het niet meer wilde op deze manier. Ik zat op dat moment hangend op de bank met mijn kont richting [Verdachte] . Ik voelde dat [Verdachte] met kracht met zijn rechtervoet tegen mijn rechterbil trapte en mij met een platte hand op mijn linkerarm sloeg. Ik voelde meteen pijn aan mijn bil en arm en begon te huilen en te schreeuwen. Ik voelde dat [Verdachte] mij vervolgens met twee handen bij mijn keel pakte en deze dichtkneep. Dit omdat ik stil moest zijn en mij niet moest aanstellen. Dit deed hij een paar, ongeveer vijf, seconden en toen liet hij mijn keel los. Tijdens die vijf seconden kreeg ik geen lucht. Ik ben vervolgens naar de keuken gelopen en ik zag dat [Verdachte] mij achterna kwam gelopen. Ik ben in de keuken op de grond gegooid door [Verdachte] en voelde en zag dat hij mij met gebalde vuisten met kracht op mijn lichaam sloeg. Ik ben vervolgens ineengedoken om mij te verweren tegen deze slagen.

Omstreeks 14.00 uur ben ik opgestaan en ben naar de slaapkamer gelopen en ben op bed gaan huilen. [Verdachte] is mij wederom achterna gelopen en heeft op de slaapkamer het raam gesloten. [Verdachte] is vervolgens toen ik op bed lag op mij gesprongen en heeft mij met twee handen mijn keel dichtgeknepen. Dit dichtknijpen heeft ongeveer 10 of 15 seconden geduurd. Hiervan heb ik ook letsel aan mijn keel. Omdat vandaag mijn dochtertje teruggebracht zou worden door mijn ouders moest ik mij gaan klaar maken van [Verdachte] , want ik moest er normaal uitzien voor mijn ouders. Dit was omstreeks 14.30 uur. Deze mochten niet zien dat ik blauwe plekken of striemen op mijn lichaam had. Ik moest vervolgens van [Verdachte] make-up op mijn striemen in mijn nek smeren om dit te verbergen. Om 15.20 uur zag ik dat mijn ouders met mijn dochtertje [dochter] bij mijn woning stonden. [Verdachte] is vervolgens de deur uitgegaan om boodschappen te doen. Ik heb vervolgens tegen mijn moeder gezegd dat zij de politie moest bellen. Mijn moeder heeft vervolgens meteen de politie gebeld waarna jullie kwamen.

In het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2025 (met als bijlage het fotoblad betreffende het letsel van [slachtoffer 1] )staat het volgende gerelateerd:

Op zondag 6 juli 2025, omstreeks 15.40 uur kwamen wij verbalisanten op de [woonplaats 2] , dit betrof een flatgebouw waarbij dochter [slachtoffer 1] woonachtig is op de eerste verdieping. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer 1] blauwe plekken had op haar beide benen, armen en rug. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat zij ook striemen in haar nek had, maar dat hier make-up op zat. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat zij de make-up uit haar nek wegveegde. Ik zag dat er rode striemen aan de linkerkant van haar nek zaten. Al het letsel werd op foto vastgelegd.

In het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:

Ik wens een getuigenverklaring af te leggen in verband met vele ruzies op het adres

van mijn onderbuurvrouw, [woonplaats 2] . De onderbuurvrouw heeft sinds vier weken een relatie gestart met een manspersoon. Sinds een week of twee geleden kwam de buurvrouw op een zondagmiddag thuis. De buurvrouw kwam toen thuis van een weekend logeren bij haar ouders. Deze zondag werd er flink geschreeuwd in de woning. Ik hoorde de buurvrouw meermaals hard roepen: "auw laat mij los, ik vind dit niet leuk." Ik hoorde de man in de woning continu schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw schreeuwen, alsof zij enorm veel pijn had. Na die zondag spelen de ruzies dagelijks, meerdere momenten op de dag. Ik hoor de

buurvrouw zo vaak schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw vaker schreeuwen: "Mijn kind, mijn kind. Waarom sla je mij zo hard? Je doet mij pijn, laat mij los. Ik heb mijn kind op schoot zitten, ik wil dit niet. Je maakt mij gewoon kapot, ik trek dit niet meer."

Ik zag dat de buurvrouw vaker in de ochtend het kind naar de school/opvang bracht. Ik zag dat de buurvrouw sinds haar relatie veelvuldig make-up op deed, dit zag ik

normaal nooit bij de buurvrouw. Ik zag dat de buurvrouw ten tijde van de relatie niet lekker in haar vel zat. Ik zag dat de buurvrouw nooit vrolijk was, zodra zij met kind naar buiten liep. Ik zag dat de buurvrouw een stille indruk maakte met haar houding en mimiek. Normaal was de buurvrouw veel vrolijker, zeker voor deze relatie plaatsvond. Ik zag dat de buurvrouw sinds de relatie krom liep. Ik zag dat de buurvrouw voorover liep, hier kreeg ik een vreemd gevoel van.

In het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 2] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:

Mijn moeder is woonachtig op de [woonplaats 3] . Ik ben hier in de weekenden, in de avonden en ’s morgens vroeg. In de tijd dat ze hier woont, een jaar, heb ik nooit een jongen over de vloer gezien, vooral vriendinnen, tot vier weken terug ongeveer. Op het begin hoorde ik veel gelach tussen de twee en leek het een leuke en gezellig relatie. Na ongeveer anderhalve week ging het van lachen naar huilen. Dit werd met de dag steeds erger. Ik hoor meerdere keren dat er een klap werd gegeven en hierop hoorde ik [slachtoffer 1] : "Auw!" roepen.

Ook hoor ik op het moment dat de vriend [slachtoffer 1] slaat en [slachtoffer 1] hierop schreeuwt van de pijn, dat de vriend begint te lachen.

Ergens in de derde week van hun relatie stond ik te roken op het balkon. Haar

woonkamer raam stond open en ligt schuin onder mijn balkon, hierdoor kon ik

meeluisteren wat ze bespraken in de woonkamer van [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] zich

afvragen waarom het nu zo slecht gaat in de relatie en dat het op het begin ook goed

ging. Hierop hoorde ik twee klappen die gegeven werden. Vervolgens hoorde ik dat [slachtoffer 1] iets wilde zeggen en hierop een zware klap kreeg. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] haar zin niet kon afmaken en de lucht uit haar geperst werd. Vervolgens werd het raam van de woonkamer dichtgemaakt waardoor ik niks meer hoorde.

De verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 23 juni 2026als volgt:

Het klopt dat ik [slachtoffer 1] vaker heb geslagen en geknepen.

Overweging

De verdachte heeft bekend [slachtoffer 1] meermaals te hebben geslagen en geknepen. De rechtbank acht echter ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt, haar een kopstoot heeft gegeven en dat hij tweemaal haar keel heeft dichtgeknepen. De verbalisanten die op 6 juli 2025 ter plaatse komen, zien bij [slachtoffer 1] blauwe plekken op haar beide benen, armen en rug en rode striemen aan de linkerkant van haar nek. Getuige [getuige 2] , de buurman van [slachtoffer 1] , verklaart tevens dat hij tijdens een ruzie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte hoorde dat zij haar zin niet kon afmaken en lucht uit haar geperst werd. Daarnaast verklaren de buren [getuige 1] en [getuige 2] dat zij na ongeveer anderhalve week sinds de verdachte in beeld is klappen, geschreeuw van de verdachte en geschreeuw van pijn horen. Getuige [getuige 1] verklaart ook dat [slachtoffer 1] sindsdien veel make-up draagt en een ongelukkige houding aanneemt. De incidenten en gedragsveranderingen die de buren waarnemen, komen hierin ook overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart immers zelf dat na anderhalve week de relatie veranderde en zij make-up op deed ter verbloeming van haar letsel.

De rechtbank passeert op grond van bovenstaande dan ook de gedeeltelijke ontkenning van de verdachte en acht de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn geheel betrouwbaar. De verklaring van aangeefster vindt steun in de bevindingen van de verbalisanten, maar ook in de waarnemingen van de getuigenverklaringen omtrent de ruzies, incidenten en gedragsveranderingen.

Feit 2

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;

het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025.

Feit 3 (primair)

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;

het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026;

  • het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025.

De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van de ten laste gelegde periode van 10 juni 2025 tot en met 18 juni 2025 en van 24 juli 2025 tot en met 6 juli 2025. De video waarop te zien is dat de verdachte [slachtoffer 3] bedreigt, is opgenomen in de woning van [slachtoffer 1] . Zij heeft verklaard dat de verdachte in het weekend van 21 juni 2025 alleen in haar woning is geweest en dat zij op 19 juni 2025 nog pannenkoeken in de koelkast had gezet voor hem. Dit maakt dat het niet anders kan dan dat de bedreiging in de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] verklaart immers ook dat zij na terugkomst van het weekendverblijf bij haar ouders samen de betreffende video bekeken hebben.

De verdediging heeft daarnaast verzocht ‘met ontlasting’ uit te strepen. De rechtbank komt in het kader van de bewijsvraag echter niet toe aan de vraag of de pannenkoek met of zonder ontlasting door [slachtoffer 3] werd gegeten, omdat deze vraag enkel aan de orde is bij het subsidiair ten laste gelegde en zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.

Feit 4

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;

het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024 (in samenhang bezien met het bijbehorende fotoblad).3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1

op meerdere tijdstippen in de periode van 23 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door

  • die [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te schoppen,

  • meermalen in de arm en rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,

  • die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en

  • door meermalen de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

Feit 2

in de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] een gouden ketting die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 3 (primair)

in de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag of mes te tonen;

Feit 4

op 16 november 2024 te [woonplaats 4] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

Feit 2

diefstal

Feit 3 primair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

Feit 4

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf en de maatregel6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Tevens dient de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) te worden opgelegd.6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijk op te leggen deel kan, naast ambulante behandeling en begeleiding bij zijn problemen, een contact- en locatieverbod worden opgelegd. Oplegging van een tbs-maatregel of GVM is volgens de verdediging niet opportuun en disproportioneel.6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van [slachtoffer 2] die destijds zijn levensgezel was. Hij heeft haar een kopstoot gegeven midden op een openbare parkeerplaats waar meerdere mensen getuige van zijn geweest. [slachtoffer 2] schaamde zich daarvoor en voelde zich daarnaast onveilig en bang. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 1] mishandeld, die na [slachtoffer 2] zijn levensgezel werd. De verdachte heeft [slachtoffer 1] geslagen, geknepen, geschopt, haar een kopstoot gegeven en tweemaal haar keel dichtgeknepen. Vaak deed de verdachte dit in aanwezigheid van het dochtertje van destijds drie jaar oud.

Huiselijk geweld is een van de meest ingrijpende vormen van geweld: het vindt plaats binnen de privésfeer, waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Het is algemeen bekend dat huiselijk geweld een bijzonder destructieve vorm van geweld is, waarvan de gevolgen jarenlang kunnen doorwerken in het leven van het slachtoffer en diepe psychische sporen kunnen achterlaten. Het tast het gevoel van eigenwaarde aan, leidt tot gevoelens van angst en wantrouwen en veroorzaakt niet zelden sociaal isolement. Dat de feiten psychisch grote indruk hebben gemaakt op de slachtoffers bleek ook ter zitting uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en uit de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding.

Ook is in zeer korte tijd het geweld dat de verdachte gebruikte geïntensiveerd, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart. In het dossier ziet de rechtbank een patroon van toenemende agressie en verlies van controle. De rechtbank vreest hierdoor voor verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. In dit kader wijst de rechtbank op het reële risico voor femicide: geweld gepleegd door een (ex-)partner tegen een vrouw dat leidt tot de dood. Dit vormt een groot maatschappelijk probleem en het zijn zeer ernstige feiten die de samenleving in ernstige mate schokken en waarbij veelvuldig blijkt hoe moeilijk het is vrouwen en meisjes hiertegen te beschermen. In dit geval zijn er meerdere risicofactoren aanwezig: het escalerende fysieke geweld (waaronder de keel dichtknijpen van [slachtoffer 1] ), het controlerende gedrag, de jaloezie en de bedreiging. Uit de verklaringen van de slachtoffers in deze zaak, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat zij allemaal heel erg bang zijn voor de verdachte en daadwerkelijk vrezen voor wat de verdachte hen zou kunnen aandoen.

Naast het huiselijk geweld heeft de verdachte [slachtoffer 3] bedreigd en dit gefilmd. Hij droeg daarbij een bivakmuts en bedreigde hem met een zaag/mes. De verdachte heeft [slachtoffer 3] daarmee gedwongen een pannenkoek op te eten. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat deze pannenkoek besmeurd was met poep van de verdachte, nu [slachtoffer 1] verklaard heeft dat de verdachte dat tegen haar heeft gezegd en zij geen enkel belang had om dit te verzinnen ten overstaan van de politie. Deze omstandigheid past ook bij de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij, nadat van hem in het verleden een vernederend filmpje is gemaakt, ook een keer wilde ervaren hoe het is om een vernederend filmpje te maken van iemand anders. Het dwingen van het eten van een pannenkoek met ontlasting is buitengewoon vies, vernederend en respectloos en dit handelen miskent de menselijke waardigheid op ernstige wijze. Dit heeft diepe angst en walging veroorzaakt bij het slachtoffer. Dat blijkt ook uit de enorme angst die [slachtoffer 3] nog steeds heeft voor de verdachte als de politie hem komt bevragen over wat er precies gebeurd zou zijn.

Tot slot heeft de verdachte een gouden ketting van [slachtoffer 1] gestolen. Een ketting die emotionele waarde had, omdat de 3-jarige dochter van [slachtoffer 1] die van een tante van haar uit Italië had gekregen. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft deze stiekem verkocht, terwijl [slachtoffer 1] in de auto op hem aan het wachten was.

De rechtbank acht het van groot belang om dergelijke feiten zoals begaan door de verdachte krachtig te veroordelen, mede ter bescherming van (potentiële) slachtoffers en ter voorkoming van verdere escalatie.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026, waaruit blijkt dat hij meerdere keren met justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld, onder andere voor mishandeling, brandstichting en het voorhanden hebben van een wapen. Eerdere veroordelingen en opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten.

Deskundigenrapportages

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van de psychiater [psychiater 1] , onder supervisie van psychiater [psychiater 2] , en van klinisch psycholoog [psycholoog] , klinisch psycholoog, opgesteld op 9 maart 2026. De verdachte heeft te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan een NIFP-onderzoek en hij heeft ook niet meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hij ging met zowel de psychiaters, de

psycholoog als de milieuonderzoeker niet (inhoudelijk) in gesprek. De verdachte liet zich wel zien op de verblijfafdeling van het PBC, zodat op basis van deze informatie en enkele referenten, een rapport is opgesteld.

Uit de PBC-rapportage blijkt dat er bij de verdachte op 5-jarige leeftijd ontwikkelingsstoornissen, autisme en ADHD zijn vastgesteld, waarna gedurende de levensloop werd gezien dat de verdachte telkens weer in de problemen komt, met name in interpersoonlijke relaties. Dit heeft geleid tot problemen op alle levensgebieden.

Uit de beschikbare informatie komt niet naar voren dat er periodes zijn geweest waarin hij gezond en stabiel functioneerde en ook nu is daar geen sprake van. Inmiddels kan gesproken worden van een duurzaam patroon van afwijkend gedrag. Zo is sprake van problemen in aandacht en concentratie, korte-termijn-denken en gerichtheid op directe behoeftebevrediging, problemen in de frustratietolerantie en de emotie-, impuls- en

agressieregulatie (leidend tot verbale en fysieke agressie), instrumentele, bewust ingezette

agressie vanuit opportunisme (waaronder ook afdwingen en dreigen), zich niet houden aan

afspraken, regels en wetten, grensoverschrijdend en provocerend gedrag, vernederend

gedrag met soms een sadistische kleuring, gebrekkige empathische vermogens en gebrekkige

gewetensfuncties. Door deze functionele problemen overschrijdt hij grenzen van anderen,

komt hij voortdurend in conflict met anderen en roept hij agressie over zichzelf af. De deskundigen vragen zich af of en in hoeverre hij in staat is om zijn gedrag op anderen af te

stemmen en rekening te houden met mensen in zijn omgeving.

De psychiaters komen tot de classificatie van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (volgens DSM-5-TR) en de psycholoog tot de meer algemene classificatie van een ongespecificeerde psychische stoornis (DSM-5-TR). De deskundigen concluderen hoe dan ook dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek, en zien dezelfde forensisch relevante functiebeperkingen. Het is mogelijk dat andere comorbide diagnoses (zoals de in de jeugd vastgestelde stoornissen) ook aan deze functiebeperkingen ten grondslag liggen. De psychiaters zien gezien het chronische patroon van maladaptieve gedragingen in ieder geval genoeg grond voor het classificeren van een persoonlijkheidsstoornis in algemene zin, naast eventuele comorbide (ontwikkelings)pathologie. De deskundigen benadrukken dat het slechts om een verschil in classificatie gaat en dat er overeenstemming bestaat over dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek. Ze stellen dat de psychische stoornis chronisch is en derhalve aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten.

Het is de deskundigen onduidelijk gebleven, betrekking hebbende op feit 1, 2 en 4, hoe en onder welke omstandigheden de feiten zich hebben afgespeeld. Ze kunnen derhalve niet inschatten of en in hoeverre de verdachte beperkt was in zijn wilsvrijheid en kunnen daarom geen advies geven over de toerekenbaarheid bij deze feiten. De kans dat de psychische stoornis helemaal niet heeft doorgewerkt in deze feiten achten zij echter onwaarschijnlijk. Betreffende de diefstal van de gouden ketting komen uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren die aanleiding geven om de verdachte dit feit minder of niet toe te rekenen.

Op basis van de gestandaardiseerde risicotaxatie concluderen de deskundigen dat er een hoge kans op recidive van gewelddadig gedrag bestaat. Als risicofactoren komen in ieder geval naar voren: eerder gewelddadig en overig antisociaal gedrag; een historie van problemen binnen intieme en niet-intieme relaties; problemen in het arbeidsverleden en mogelijk ook met middelengebruik (cannabis); affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit; instabiele levensomstandigheden en gebrekkige respons op toezicht/ behandeling. Verdere beschermende factoren lijken niet aanwezig te zijn, met name doordat de verdachte tot nog toe geen pro-sociaal leven heeft opgebouwd.

Door de hiervoor besproken beperkingen van het onderzoek konden de deskundigen geen gericht advies geven over een behandeling die de kans op recidive zou kunnen verminderen. Zij hebben om die reden ook geen advies gegeven over binnen welk juridisch kader een eventuele behandeling zou moeten plaatsvinden.

Het openbaar ministerie heeft voorts de reclassering verzocht te adviseren over de (on)mogelijkheden voor het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden. Uit het reclasseringsrapport van 5 juni 2023 volgt dat de verdachte ook bij de reclassering terughoudend is in gesprekken. De reclassering adviseert daarom en gelet op zijn verleden en zijn wens tot autonomie negatief over het opleggen van (tbs met) voorwaarden. Wel adviseert de reclassering een GVM op te leggen. De reclassering schat het risico op recidive, net als de psychiaters en de psycholoog, hoog in.

Getuige-deskundigen [psychiater 2] , psychiater en werkzaam bij het PBC, en [getuige-deskundige] , werkzaam bij Reclassering Nederland, zijn ter zitting gehoord en hebben aangegeven bij hun conclusies uit hun rapporten te blijven.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De op te leggen maatregel

Gezien de vastgestelde stoornis bij de verdachte, het chronische karakter daarvan en het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte behandeld en begeleid zal worden ter voorkoming van nieuw strafbaar gedrag. Daarbij ligt allereerst de vraag voor of deze behandeling plaats kan vinden in een ambulant kader, zoals een toezicht in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Dit kader is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt ontoereikend, omdat bij het niet meewerken en vervolgens uitzitten van het voorwaardelijk strafdeel, het gevolg is dat de verdachte onbehandeld weer terug de maatschappij in kan keren, met alle risico’s van dien.

Ten aanzien van de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden overweegt de rechtbank dat dit een intensieve inzet en medewerking van de verdachte vereist. Gelet op de gebrekkige medewerking aan het deskundigenonderzoek, de complexe problematiek wat betreft zijn stoornissen en de problematiek in contact met anderen, ziet de rechtbank niet in hoe de verdachte zich zou kunnen conformeren aan voorwaarden. Van de verdachte zou in een dergelijk kader verwacht worden dat hij gedurende een langere periode blijk geeft van een consistente bereidheid om aan behandeling, begeleiding en risicobeperking mee te werken. De verdachte heeft een dergelijke duurzame en intensieve inspanning tot op heden niet laten zien. Dat hij ter terechtzitting een meer bereidwillige houding heeft aangenomen, maakt dat niet anders, gelet op het gebrek aan inzicht in zijn beperkingen.

De officier van justitie heeft om diezelfde redenen een tbs-maatregel met dwangverpleging geëist.

De rechtbank stelt allereest vast dat de verdachte pertinent heeft geweigerd om mee te werken aan alle rapportages over zijn geestvermogens. De rechtbank acht zich, ook gezien hetgeen is opgenomen in artikel 37a, vierde lid, Sr, voldoende voorgelicht op basis van voornoemde rapportages.

De rechtbank stelt vast dat, ondanks de weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek naar zijn geestvermogens, aan de formele eisen voor oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging is voldaan.

Zoals hiervoor reeds overwogen is er bij de verdachte immers sprake van een tijdens het begaan van de feiten aanwezige ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De deskundigen benadrukken daarbij dat sprake is van complexe en ernstige psychiatrische problematiek, dat deze chronisch is en ook al aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 1 Sr voldaan.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat de maatregel zal worden opgelegd voor misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, namelijk de mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die ten tijde van het plegen van die mishandeling zijn levensgezel waren. De bewezenverklaarde bedreiging betreft een specifiek beschreven misdrijf in sub 2 van artikel 37a lid 1 Sr. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 2 Sr voldaan.

De rechtbank stelt daarnaast op basis van de rapporten van de deskundigen vast dat sprake is van een hoog recidiverisico.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat de tbs-maatregel met dwangverpleging een zware maatregel is, maar toch acht zij de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval proportioneel gezien de ernst van de delicten en het hoge recidiverisico met het risico op escalatie indien de onderliggende psychiatrische problematiek van de verdachte onbehandeld zal blijven. Daarbij wijst de rechtbank ook op de chronische aard van die problematiek, leidend tot problemen op alle leefgebieden van de verdachte. De rechtbank ziet tevens een gedragspatroon waarin geweld, naar in dit geval zijn partners, in zeer korte tijd ernstig is toegenomen. De rechtbank heeft ten aanzien hiervan al aangestipt dat zij gezien deze dynamiek vreest voor een verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. De rechtbank ziet met andere woorden een reëel risico op femicide. Tevens ziet de rechtbank dat de verdachte zonder een goede aanleiding en vrij willekeurig ernstig gewelddadig gedrag naar andere mensen vertoont, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart voor de toekomst. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te leggen als de verdachte onbehandeld terug zou mogen keren in de maatschappij met alle hiervoor beschreven risico’s van dien.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de maatregel van terbeschikkingstelling vereist en de rechtbank zal deze dan ook opleggen, waarbij de rechtbank voorts zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De maatregel wordt opgelegd wegens misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen in de zin van artikel 38e Sr, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen, nu zij reeds overgaat tot oplegging van een niet gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging. Onvoldoende duidelijk is waarom de in artikel 38z maatregel bij deze verdachte aanvullend zou moeten worden opgelegd. Om diezelfde reden gaat de rechtbank ook niet over tot het opleggen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van enkel een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Naast de maatregel zal de rechtbank daarom, gelet op de ernst van het feit, in verband met een juiste normhandhaving, ook een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij vrijheidsbeneming op zijn plaats en acht daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist, nu zij de verdachte vrijspreekt van het onder 5 tenlastegelegde feit.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).

7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel7.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 1 en 2.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 8.845,58, bestaande uit € 7.345,58 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 4 en 5.

De benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van beide vorderingen. De vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en toegewezen te worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich betreffende het materiële deel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en betreffende het immateriële deel verzocht het bedrag te matigen tot € 750,-. Het verzoek tot matiging vloeit mede voort uit het verzoek om partiële vrijspraak voor het letsel aan het hoofd van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze vordering pas op zitting is aangebracht. Subsidiair verzoekt de verdediging betreffende de materiële schade deze af te wijzen gelet op de bepleitte partiële vrijspraak, en meer subsidiair verzoekt de verdediging het gevorderde schadebedrag te matigen, omdat deze in te ver verwijderd verband staan tot de gedragingen van de verdachte. Betreffende de immateriële schade verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat er wederzijds contact is geweest tijdens een bepaalde periode van de tenlastelegging. De verdediging verzoekt daarom het gevorderde schadebedrag te matigen.7.4.

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Door de benadeelde wordt een bedrag van € 18,57 gevorderd aan reiskosten. De kostenpost is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank dit deel van de vordering toewijst.

Daarnaast wordt door de benadeelde een bedrag van € 1.500,- gevorderd aan immateriële schade. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is wanneer sprake is van een aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel (sub b). Daar is in het onderhavige geval sprake van. Dat de benadeelde als gevolg van het handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen is voldoende onderbouwd en komt in het dossier ook evident naar voren. De benadeelde is in korte tijd zeer intensief door de verdachte mishandeld, vaak in het bijzin van haar dochtertje. Zij liet de verdachte op goed vertrouwen in haar woning verblijven, maar de verdachte heeft dit vertrouwen beschadigt. De benadeelde heeft lange tijd psychische gevolgen hiervan ondervonden en is nog steeds bezig met de verwerking.

De rechtbank heeft voor het toe te wijzen bedrag rekening gehouden met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en acht het gevorderde bedrag van € 1.500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Benadeelde partij D. [slachtoffer 2]

Nu aan de vordering betreffende de materiële schade een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit. Zij heeft hierdoor immers letsel opgelopen, zodat aan haar een vergoeding toekomt op basis van artikel 6:106 sub b BW. De benadeelde had meteen pijn na de kopstoot, liep een bloedneus op en kreeg daarna zichtbare blauwe plekken op haar gezicht. Benadeelde is hier erg van geschrokken en werd erg angstig na het incident. De verdachte heeft met zijn handelen haar gevoel van veiligheid aangetast.

De rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken, een bedrag van € 500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.8. De vorderingen tenuitvoerlegging

De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 20.002155.21

Bij arrest van 14 december 2022 heeft het gerechtshof ‘s Hertogenbosch de verdachte onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.050076.23

Bij vonnis van 10 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 160 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.344019.21

Bij vonnis van 24 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.8.1.

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de overige inhoud van dit vonnis. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging, is de rechtbank van oordeel dat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen geen strafrechtelijk doel dient. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

9. Het beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de inbeslaggenomen zaag met goednummer 1819956 verbeurd verklaren, omdat het onder 3 bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan en deze ten tijde van het begaan van dat feit aan de verdachte toebehoorde.

Teruggave aan de verdachte

Van de twee telefoons, met goednummers 1819940 en 1819942 zal teruggave aan de verdachte worden bevolen, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 285, 300, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

  • spreekt de verdachte vrij van de onder feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte voor het onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezenverklaardetot eengevangenisstraf van 9 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregelen

  • gelast dat de verdachte voor het onder 1, 3 primair en 4 bewezenverklaardeter beschikking wordt gestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd;

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1 en 2)

wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van€ 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (t.a.v. feit 4)

wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van€ 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige van de vordering;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

  • wijst afde vordering met parketnummer 20.002155.21 van de officier van justitie van 14 december 2022;

  • wijst afde vordering met parketnummer 03.050076.23 van de officier van justitie van 10 juli 2023;

  • wijst afde vordering met parketnummer 03.344019.21 van de officier van justitie 24 juli 2023;

Beslag

  • verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:

1 STK Zaag, goednummer 1819956;

  • gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerpaan de verdachte:

1 STK GSM, goednummer 1819940;

1 STK GSM, goednummer 1819942.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.

Buiten staat

Mr. Y.R.S. Piekhaar en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2025 tot en met 06 juli 2025 te [woonplaats 2] , gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door

  • die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen,

  • meermalen, althans eenmaal, in de arm en/of rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,

  • die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en/of

  • door meermalen, althans eenmaal, (in) de keel/nek van die [slachtoffer 1] (dicht) te knijpen,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] en/of Heerlen een gouden ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2]

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en/of mes en/of scherp voorwerp te tonen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] , een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en/of mes en/of scherp voorwerp te tonen en/of die [slachtoffer 3] onder bedreiging met een vouwzaag en/of mes en/of scherp voorwerp, terwijl hij, verdachte, een bivakmuts droeg te dwingen een pannenkoek, in elk geval enig voedsel (met ontlasting) te eten;

Feit 4

hij op of omstreeks 16 november 2024 te Brunssum [slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

Feit 5

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en/of Vijlen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door meermalen, althans eenmaal

  • autobanden van de auto van die [slachtoffer 2] lek te steken en/of de auto van die [slachtoffer 2] te bekrassen,

  • een steen tegen het raam van de woning van die [slachtoffer 2] te gooien,

  • door de straat van die [slachtoffer 2] te rijden,

  • die [slachtoffer 2] (veelvuldig) berichten te sturen via Snapchat, Whatsapp, iMessage, e-mail en/of Instagram en/of

  • die [slachtoffer 2] te (video)bellen,

met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en/of Vijlen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk (autobanden van) een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.

Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025, pagina 11 tot en met 15.

Het proces-verbaal van het verhoor van bevindingen van 8 juli 2025, pagina 21 tot en met 28 en 39.

Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 41 en 42.

Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 48 en 49.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025, pagina 96, 97 en 100.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.

Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026, pagina 5, 6 en 9 tot en met 20 van het aanvullend proces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025, pagina 83 tot en met 85.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 29 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 316.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024, pagina 240 en 249.

Plus de Décisions