[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-1977":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-1977":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"445","ECLI:NL:RBMNE:2026:1977","",71,"Lelystad","lelystad","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F608504 \u002F KL ZA 26-67\n\nVonnis in kort geding van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] , 2. EUROPA PARK B.V.,\n\ngevestigd te Zwolle, 3. AMH FLEVOLAND B.V.,\n\ngevestigd te Zwolle,\n\neisende partijen,\n\nadvocaat: mr. J.R. Bügel,\n\ntegen\n\nGEMEENTE DRONTEN,\n\nzetelend te Dronten,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaat: mr. M.P.C. Hendriks en mr. J.R. Joosten.\n\nPartijen zullen hierna [eisende partij c.s.] en de gemeente worden genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 24 maart 2026, met bijlagen;\n\n- de conclusie van antwoord met bijlagen;\n\n- de nagezonden productie 6 aan zijde van [eisende partij c.s.] ; - de pleitnota van [eisende partij c.s.] ; - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 9 april 2026. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eisende partij c.s.] aanwezig de heer [eisende partij sub 1] , tevens bestuurder van Europark B.V. en AMH Flevoland B.V., samen met mr. Bügel. Namens de gemeente was mevrouw [A] , senior projectleider gebiedsontwikkeling bij de gemeente, aanwezig, samen met mr. Hendriks en mr. Joosten. Door en namens partijen zijn de standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Daarna volgt dit vonnis.\n\n2. De kern\n\n2.1.. \n [eisende partij c.s.] kan zich niet verenigen met de voorgenomen verkoop van een perceel grond door de gemeente. Volgens [eisende partij c.s.] heeft de gemeente ten onrechte gesteld dat er slechts één serieuze gegadigde voor de koop van het perceel grond is nu zij ook een belang bij de koop van het betreffende perceel heeft en daarmee een serieuze gegadigde is.\n\n2.2.. \n [eisende partij c.s.] is van mening dat de gemeente conform de Didam-arresten van de Hoge Raad een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria had moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door de gemeente te koop aangeboden perceel grond. Nu zij dat niet heeft gedaan handelt de gemeente volgens [eisende partij c.s.] in strijd met artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Zij vordert daarom een verbod tot verkoop zonder dat de gemeente eerst een dergelijke openbare selectieprocedure doorloopt. De vorderingen worden toegewezen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.\n\n3. De achtergrond\n\n3.1.. De gemeente is eigenaar van een perceel grond nabij de Rendierweg in Dronten, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie B, nummer 4139 (het Perceel).\n\n3.2.. \n\nIn de gemeente nemen studenten en tijdelijke arbeidsmigranten een belangrijke\n\nplaats in. Het gemeentelijke beleid op het gebied van huisvesting van studenten en\n\ntijdelijke arbeidsmigranten is vastgelegd in de Beleidsvisie huisvesting studenten en tijdelijke arbeidsmigranten (de Beleidsvisie). Eén van de doelen uit de Beleidsvisie is de woningmarkt in Dronten beter te laten functioneren op basis van uitgangspunten die inspelen op huidige en toekomstige woonvraag van voormelde groepen.\n\n3.3.. Onderdeel van de Beleidsvisie is dat in verband met de daaruit voortvloeiende overlast de grote concentratie van studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden verminderd. In dat kader doorlopen de eigenaren van studentenwoningen in Dronten-Noord een apart traject. De gemeente heeft in dat verband gesprekken gevoerd met partij [familie] die onder meer eigenaar is van 17 studentenwoningen in Dronten-Noord.\n\n3.4.. \n\nDe gemeente heeft vervolgens met [familie] de overeenkomst inzake sanering\n\nstudentenwoningen en compensatie gesloten, waarin is opgenomen dat [familie] medewerking verleent aan het beëindigen van de studentbewoning in zijn 17 woningen in Dronten-Noord. Ter compensatie daarvan heeft [familie] het recht gekregen om van de gemeente het Perceel aan te kopen ten behoeve van de ontwikkeling van huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten, een groep waarvoor binnen de gemeente een groot tekort aan huisvesting bestaat. Door uitvoering te geven aan deze overeenkomst wordt de situatie rondom de studentenhuisvesting in Dronten-Noord in overeenstemming gebracht met de Beleidsvisie, te weten maximaal één studentenwoning per 100 meter reguliere bebouwing.\n\n3.5.. \n\nOp 19 januari 2026 heeft de gemeente haar voorgenomen verkoop van het Perceel op haar website gepubliceerd (de Publicatie). De Publicatie luidt als volgt:\n\n“Voorgenomen verkoop van grond door de gemeente Dronten gelegen\n\nnabij de Rendierweg te Dronten\n\nDe gemeente Dronten heeft het voornemen om het perceel grond gelegen nabij de Rendierweg(ongenummerd) in Dronten, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie B, nummer 4139, groot 9.009 m² hierna te noemen “het Perceel”, over te dragen aan de initiatiefnemer (familie [familie] ), hierna te noemen: Initiatiefnemer.\n\nMet het sluiten van de koopovereenkomst voor de overdracht van het bovengenoemde perceel wordt uitvoering gegeven aan beleid van de Gemeente om de studentenhuisvesting in Dronten-Noord zodanig terug te brengen dat dit - zoveel als mogelijk - in overeenstemming is met de beleidsmatige uitgangspunten van één bijzondere woonvorm in een reguliere woning per 100 meter.\n\nNaar het oordeel van de gemeente Dronten is Initiatiefnemer de enige serieuze gegadigde die in aanmerking komt voor het sluiten van een koopovereenkomst ten behoeve van de overdracht van de grond op het hierboven aangegeven Perceel, dit om navolgende redenen:\n\n1. De gemeente voert met de Initiatiefnemer al gedurende een lange periode overleg om het aantal studentenhuizen in woonwijken te verminderen en heeft daarover met de initiatiefnemer afspraken gemaakt die het mogelijk maken dat het aantal studentenhuizen in reguliere woonwijken binnen afzienbare tijd zal verminderen;\n\n2. Initiatiefnemer is in principe de enige partij die op korte termijn het maatschappelijke probleem van studentenhuisvesting in reguliere woonwijken in Dronten-Noord kan oplossen. Dit maatschappelijke probleem bestaat uit het feit dat er thans te hoge aantallen studentenwoningen in woonwijken aanwezig zijn, waardoor de leefbaarheid van de bewoners in het geding is. Het beleid van de gemeente is er op gericht om de leefbaarheid van de woonwijken te verbeteren en studenten elders te huisvesten;\n\n3. In aanvulling op het hiervoor gestelde, is de Initiatiefnemer eveneens in staat om naast het verminderen van het aantal studentenhuizen in reguliere woonwijken, te voorzien in een uitbreiding van huisvesting voor arbeidsmigranten, hetgeen eveneens een belangrijk speerpunt is van het woonbeleid van de gemeente Dronten aangezien er veel vraag is naar huisvesting voor arbeidsmigranten maar onvoldoende aanbod van huisvesting is.\n\nUit de hiervoor genoemde argumenten, in onderlinge samenhang bezien, vloeit voort dat de\n\ngemeente van oordeel is dat er op grond van objectieve, redelijke en toetsbare criteria, slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor het sluiten van de overeenkomst met de gemeente Dronten.”\n\n3.6.. Onder andere bij e-mail van 15 februari 2026 heeft [eisende partij c.s.] bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om het Perceel aan [familie] te verkopen. De gemeente heeft bij brief van 10 maart 2026 toegelicht bij haar standpunt te blijven. Zij schrijft verder dat [eisende partij c.s.] al sinds januari 2024 bekend zou zijn met het traject met [familie] , dat [eisende partij c.s.] niet voldoet aan de gestelde selectiecriteria en dat in verband met de lopende vervaltermijn, zoals opgenomen in de Publicatie, zijn reactie te laat is ingediend.\n\nStandpunt en vordering van [eisende partij c.s.]\n\n3.7.. Na kennisneming van het bericht van de gemeente van 10 maart 2026 is [eisende partij c.s.] van mening dat de gemeente ten onrechte stelt dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel kan worden aangemerkt. Volgens [eisende partij c.s.] had de gemeente op grond van de zogenaamde Didam-regels een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door het Perceel. Nu zij dat heeft nagelaten heeft de gemeente volgens [eisende partij c.s.] er onvoldoende blijk van gegeven dat zij de belangen van derden, waaronder die van [eisende partij c.s.] , heeft betrokken bij haar besluit tot verkoop van het Perceel. Dit is volgens [eisende partij c.s.] in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel.\n\n3.8.. Volgens [eisende partij c.s.] heeft hij tevens belang bij de koop van het Perceel. [eisende partij c.s.] stelt ook actief te zijn als aanbieder van huisvesting voor arbeidsmigranten in de omgeving van Dronten en als zodanig tevens tot ontwikkeling van huisvesting voor arbeidsmigranten op het Perceel over te kunnen gaan. De aanname dat [familie] de enige serieuze gegadigde is voor de koop van het Perceel is niet gebaseerd op objectieve, toetsbare en redelijke criteria die bekend zijn gemaakt in de Publicatie en daarin deugdelijk zijn gemotiveerd, aldus [eisende partij c.s.]\n\n3.9.. \n\nGezien het voorgaande vordert [eisende partij c.s.] – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente:\n\nI. te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen tot vervreemding van het Perceel op welke wijze dan ook dan wel uitvoering te geven aan de terzake gesloten overeenkomst met [familie] ;\n\nII. te gebieden, voor zover de gemeente nog voornemens is het Perceel te verkopen, mededingingsruimte te bieden, zodat ook [eisende partij c.s.] kan meedingen naar het Perceel;\n\nIII. te gebieden de Publicatie in te trekken en, voor zover de gemeente nog voornemens is het Perceel te verkopen aan één serieuze gegadigde, de gemeente een nieuwe Publicatie moet doen uitgaan die voldoet aan de daaraan te stellen motiverings- en rechtsbeschermingsvereisten; en\n\nIV. te veroordelen tot betaling van de proceskosten.\n\nStandpunt en verweer van de gemeente\n\n3.10.. Onder wijzing naar de door de Hoge Raad gewezen Didam-arresten stelt de gemeente zich – kort gezegd – op het standpunt dat de zogenaamde Didam-regels uit voormelde arresten het mogelijk maken om één-op-één te contracteren, indien redelijkerwijs te verwachten is dat er maar één serieuze gegadigde is. Uit die arresten volgt ook dat aan de gemeente beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de (kring van) gegadigden die voor het Perceel in aanmerking komen.\n\n3.11.. \n\nDe gemeente stelt dat zij bij de verkoop van het Perceel volgens de zogenoemde Didam-regels heeft gehandeld nu zij vooraf op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria heeft geconcludeerd dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor verkrijging van het Perceel aanmerking kwam. De gehanteerde criteria houden volgens de gemeente rechtstreeks verband met het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in de Beleidsvisie, waaronder de sanering van studentenhuisvesting in Dronten-Noord en het realiseren van nieuwe huisvesting voor arbeidsmigranten. De gemeente stelt verder dat zij het voornemen tot verkoop, inclusief criteria en de bijbehorende motivering, tevens tijdig en met een passende mate van openbaarheid door middel van de Publicatie heeft gepubliceerd. Volgens de gemeente voldoet [eisende partij c.s.] op zijn beurt niet aan de gehanteerde criteria en kan daarom niet als serieuze gegadigde voor het Perceel worden aangemerkt. De gemeente concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij c.s.] met veroordeling van [eisende partij c.s.] in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling\n\nDe te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis\n\n4.1.. Deze procedure kan worden opgesplitst in drie (hoofd)vragen die beantwoord moeten worden.\n\n4.2.. De eerste vraag is of [eisende partij c.s.] een voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord moet vervolgens als tweede worden beoordeeld of de termijn, zoals opgenomen in de Publicatie, als een vervaltermijn moet worden aangemerkt en in het vervolg daarvan of het verstrijken van deze termijn tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij c.s.] moet leiden. Indien wordt geoordeeld dat [eisende partij c.s.] ontvankelijk is in zijn vorderingen moet als derde vraag worden beantwoord of de gemeente [familie] als enige serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel heeft mogen aanmerken.\n\n4.3.. Hierna zullen voornoemde onderwerpen in de bovengenoemde volgorde worden besproken.\n\ni.) Heeft [eisende partij c.s.] een voldoende belang bij de door hem ingestelde vorderingen?\n\n4.4.. \n\nDe eisende partijen in deze procedure zijn de heer [eisende partij sub 1] , Europa\n\nPark B.V. en AMH Flevoland B.V. Volgens de gemeente heeft [eisende partij c.s.] onvoldoende toegelicht wat het belang is bij de door hem ingestelde vorderingen. De gemeente stelt dat het om die reden onduidelijk is waarom [eisende partij c.s.] ook aan de door de gemeente gehanteerde criteria zou voldoen en daarmee als serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel moet worden aangemerkt.\n\n4.5.. In het kader van het door de gemeente gehanteerde criterium inhoudende dat de concentratie van studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden verminderd heeft [eisende partij c.s.] toegelicht dat ook hij diverse woningen in Dronten-Noord kan inleveren. De betreffende woningen zijn eigendom van de heer [eisende partij sub 1] in privé en niet van de onder 4.4 genoemde vennootschappen. Uit het voorgaande volgt volgens de gemeente dat niet kan worden vastgesteld dat alle eisende partijen een eigen, rechtstreeks en voldoende concreet belang hebben bij de ingestelde vorderingen. Daar komt bij dat [eisende partij c.s.] heeft nagelaten om inzichtelijk te maken in welke hoedanigheid de eisende partijen gezamenlijk bij de aankoop van het Perceel betrokken zijn. Reden waarom [eisende partij c.s.] volgens de gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de door hem ingestelde vorderingen.\n\n4.6.. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eisende partij c.s.] toegelicht dat zijn belang bij de vorderingen erin is gelegen dat de heer [eisende partij sub 1] in privé eigenaar is van diverse panden, die worden geëxploiteerd door Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. Voornoemde vennootschappen zijn de professionele marktpartijen die de huisvesting aanbieden en hebben volgens [eisende partij c.s.] dus een direct bedrijfseconomisch belang bij het verwerven van nieuwe locaties, zoals het Perceel. Volgens [eisende partij c.s.] voldoet hij daarmee aan de vereisten van artikel 3:303 BW.\n\n4.7.. Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Dat volgt uit artikel 3:303 BW. Met toepassing van dat toetsingskader is de voorzieningenrechter van oordeel dat Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Daartoe is redengevend dat de onderhavige zaak - in de kern genomen - betrekking heeft op het feit of mededinging had moet worden geboden in de vorm van een openbare selectieprocedure voor de aankoop van het Perceel. [eisende partij c.s.] heeft toegelicht dat partijen Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. enkel tot exploitatie overgaan van het onroerend goed dat de heer [eisende partij sub 1] in privé in eigendom heeft. Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V kopen dus niet zelf onroerend goed aan en [eisende partij c.s.] heeft ook niet toegelicht dat voornoemde vennootschappen tot aankoop van het Perceel wensen over te gaan indien daartoe de mogelijkheid wordt geboden. Daar komt bij dat tevens onvoldoende feitelijk is toegelicht dat wanneer de heer [eisende partij sub 1] in privé de mogelijkheid wordt geboden het Perceel aan te kopen Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. ook daadwerkelijk de partijen zijn die tot exploitatie van het Perceel zullen overgaan. Voormelde omstandigheden in samenhang beschouwd acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een eigen, rechtsreeks en voldoende concreet belang van Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V.\n\n4.8.. Omdat de heer [eisende partij sub 1] in privé ( [eisende partij sub 1] ) wel tot aankoop van het Perceel wenst over te gaan, heeft hij wel een eigen, rechtstreeks en voldoende concreet belang bij de ingestelde vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW en is daarmee ontvankelijk in deze procedure. Hetgeen in het vervolg in dit vonnis wordt geoordeeld zal daarom alleen op de partijen [eisende partij sub 1] en de gemeente betrekking hebben.\n\nii.) Is er sprake van een in de Publicatie opgenomen verlopen vervaltermijn?\n\n4.9.. Nu vaststaat dat [eisende partij sub 1] voldoende belang heeft bij zijn vorderingen, moet vervolgens worden beoordeeld of de termijn, zoals opgenomen in de Publicatie, als een fatale – door [eisende partij sub 1] overschreden – termijn moet worden aangemerkt.\n\n4.10.. \n\nIn de Publicatie is met betrekking tot het maken van bezwaar tegen de door de gemeente voorgenomen verkoop van het Perceel aan [familie] het volgende opgenomen:\n\n“Vervaltermijn\n\nIndien u zich niet kunt verenigen met het omschreven voornemen en u eveneens meent in aanmerking te komen voor het sluiten van een dergelijke koopovereenkomst voor het voornoemde perceel, dan dient u dit binnen een termijn van twintig kalenderdagen na de datum van deze publicatie, schriftelijk aan de gemeente Dronten kenbaar te maken en te motiveren waarom u het niet eens bent met het voornemen tot het sluiten van een koopovereenkomst. U kunt uw reactie aan de gemeente kenbaar maken door het invullen van het formulier via de link (www.dronten.nl\u002Fdidam-arrest). Indien het invullen van het formulier via de link (www.dronten.nl\u002Fdidam-arrest) niet mogelijk is, dan kunt u uw reactie ook binnen de hiervoor genoemde termijn schriftelijk sturen naar de gemeente, dit naar onderstaand adres.\n\nWij merken op dat het indienen van een reactie niet automatisch meebrengt dat de gemeente geen uitvoering geeft aan het voornemen. Daarvoor is het noodzakelijk dat u binnen de hiervoor genoemde termijn een kort geding tegen dit voornemen aanhangig maakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (postadres: Postbus 16005, 3500 DA Utrecht), waarbij u de voorzieningenrechter verzoekt een voorlopige voorziening te treffen.\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten\n\nt.a.v. afdeling Grondzaken\n\npostbus 100\n\n8250 AC DRONTEN\n\nOnder vermelding van “Overdracht perceel Rendierweg te Dronten”.\n\nIndien de gemeente Dronten geen aanmeldingen ontvangt met betrekking tot de voorgenomen verkoop van het voornoemde perceel grond aan Initiatiefnemer binnen de hiervoor gestelde termijn dan zal de gemeente Dronten tot verkoop overgaan.\n\nDronten, 19-01-2026.”\n\n4.11.. \n [eisende partij sub 1] heeft bij e-mail van 15 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om het Perceel aan [familie] te verkopen. Dat betekent dat [eisende partij sub 1] zich na het verstrijken van de in de Publicatie genoemde termijn van 20 kalenderdagen bij de gemeente heeft gemeld. Volgens de gemeente mocht zij erop vertrouwen dat na het verstrijken van de door haar gestelde vervaltermijn zich geen gegadigden meer zouden melden die tegen het voornemen tot verkoop van het Perceel wilden opkomen. De gemeente stelt dat wanneer zij aan de koopovereenkomst met [familie] uitvoering wenst te geven, dat gezien de voormelde termijnoverschrijding niet onrechtmatig is jegens [eisende partij sub 1] . Op basis van het voorgaande is de gemeente van mening dat dat de vorderingen van [eisende partij sub 1] moeten worden afgewezen, althans dat [eisende partij sub 1] daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.\n\n4.12.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in het geval van een voorgenomen verkoop van grond door een overheidslichaam geen wettelijke vervaltermijn geldt zoals in het aanbestedingsrecht het geval is. Ook is er geen sprake van een contractueel overeengekomen vervaltermijn. De termijn waarop de gemeente een beroep doet is éénzijdig door de gemeente opgelegd. Er moet daarom aan de hand van het algemene leerstuk van rechtsverwerking worden bepaald of sprake is van rechtsverwerking of niet. Het enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De gemeente heeft slechts aangevoerd dat [eisende partij sub 1] voor de Publicatie al op de hoogte was van de onderhandelingen met [familie] en desondanks geen actie heeft ondernomen om daar tegenop te komen. De gemeente verwijst in dat verband naar een e-mail van 15 januari 2024 van [eisende partij sub 1] gericht aan de gemeente waarin hij schrijft over “de deal met [familie]”. Het op de hoogte zijn van onderhandelingen tussen de gemeente en [familie] is echter wat anders dan dat [eisende partij sub 1] ook daadwerkelijk op de hoogte was of kon zijn van het moment waarop de koop met betrekking tot het Perceel zou worden geëffectueerd. Dit geldt temeer nu de gemeente kennelijk al sinds 2024 met [familie] in onderhandeling is over aankoop van het Perceel. De gemeente heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [eisende partij sub 1] voorafgaand aan de Publicatie van de voorgenomen koop op de hoogte was of kon zijn. Daar komt bij dat niet van andere feiten of omstandigheden is gebleken waaruit kan worden afgeleid dat door [eisende partij sub 1] bij de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij niet tegen de door de gemeente voorgenomen verkoop van het Perceel zou opkomen. De conclusie is dan ook dat van rechtsverwerking geen sprake is. Daarmee wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toegekomen.\n\niii.) Is [familie] door de gemeente terecht aangemerkt als enige serieuze gegadigde voor het Perceel?\n\nHet toetsingskader: de Didam-regels\n\n4.13.. De vorderingen van [eisende partij sub 1] zijn gegrond op de zogenoemde Didam-regels die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661). Deze arresten houden in de kern het volgende in.\n\n4.14.. Uit het Didam I-arrest volgt dat (op grond van het gelijkheidsbeginsel) een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak, indien (redelijkerwijs te verwachten is dat) er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop. Het overheidslichaam zal daartoe, met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte, criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Ook moet het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. Ten slotte heeft de Hoge Raad een uitzondering op de hiervoor omschreven hoofdregel geformuleerd: de door middel van een selectieprocedure beoogde mededingingsruimte hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat, of redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop.\n\n4.15.. In het Didam II-arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de regels uit het Didam I-arrest ook van toepassing zijn op het handelen van de overheid in de periode voordat het Didam I-arrest werd gewezen en dat een overeenkomst die is gesloten in strijd met de Didam-regels op die grond niet nietig of vernietigbaar is, maar dat een overheidslichaam daardoor in beginsel wel onrechtmatig handelt jegens een (potentiële) gegadigde en op die grond (onder meer) schadeplichtig kan zijn jegens die gegadigde. Verder heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat de Didam-regels de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens hem slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden.\n\nOp basis van de Publicatie kan [familie] niet worden aangemerkt als enige serieuze gegadigde voor het Perceel\n\n4.16.. De gemeente heeft de voorgenomen verkoop van het Perceel bekend gemaakt via de onder 3.5 opgenomen Publicatie. Met de Publicatie stelt zij aan het toepasselijke transparantiebeginsel volgend uit de Didam-regels te hebben voldaan. De Publicatie vormt dus het uitgangspunt bij de beoordeling of de gemeente conform de Didam-regels heeft gehandeld bij de selectie van [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel.\n\n4.17.. \n\nDe in de Publicatie gehanteerde criteria zien – kort gezegd – op het enerzijds verminderen van studentenhuisvesting in Dronten-Noord, en anderzijds op het uitbreiden van arbeidsmigrantenhuisvesting. In de uitvoeringsagenda bij de Beleidsvisie is in dit kader – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n“2. Faciliteren van bouwlocaties\n\nIn deze beleidsvisie is vermeld dat er een tekort is aan studentenwoningen en arbeidsmigrantenaccommodaties.\n\nOm dit tekort op te lossen, zal de gemeente de nieuwbouw van studentenwoningen en arbeidsmigrantenaccommodaties faciliteren conform de regels zoals beschreven in deze beleidsvisie. De\n\ngemeente zal nieuwbouwlocaties planologisch mogelijk maken. Het betreft nieuwbouwlocaties zowel in de\n\nbebouwde kom als daarbuiten. Voor de nieuwbouwlocaties buiten de bebouwde kom is de toestemming van de\n\nprovincie benodigd.\n\n4. Verminderen concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord\n\nIn het verleden zijn te grote concentraties studentenwoningen in de woonwijk Dronten-Noord ontstaan omdat\n\nop basis van het bestemmingsplan gebruik als studentenbewoning bij recht was toegestaan. Deze concentratie\n\nheeft onder andere geleid tot overlast voor omwonenden. De ongewenste grote concentraties die in het verleden\n\nzijn ontstaan, verdwijnen echter niet met het huidige beleid. Om de te grote concentratie van studentenwoningen\n\nin Dronten-Noord te verminderen, doorlopen de huiseigenaren in samenwerking met de gemeente een apart\n\ntraject. (…)”\n\n4.18.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat noch uit de Publicatie noch uit de Beleidsvisie van de gemeente blijkt dat de verkoop van het Perceel door de gemeente onlosmakelijk is verbonden met de oplossing van de grote concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord. Sterker, uit paragraaf 1.5 van de Beleidsvisie volgt dat studenten en tijdelijke arbeidsmigranten twee verschillende doelgroepen met bijbehorende uitdagingen zijn, reden waarom deze bewust apart van elkaar in de Beleidsvisie zijn opgenomen. Er is dan ook geen koppeling van beleid tussen het verminderen van studentenhuisvesting in Dronten-Noord en het realiseren van huisvesting voor arbeidsmigranten. Uitgangspunt is daarom enkel het doel waarvoor de gemeente het Perceel wenst te verkopen, te weten het realiseren van huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten.\n\n4.19.. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat door de gemeente ten onrechte is gesteld dat haar selectiecriteria direct zijn gerelateerd aan gemeentelijk beleid ten aanzien van huisvesting voor studenten en tijdelijke arbeidsmigranten, waaruit zou volgen dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel in aanmerking komt. Op grond van het onder 4.15 opgenomen Didam II-arrest geldt dat de Didam-regels de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Dat betekent in geval van een gronduitgifte dat er sprake moet zijn van (i) vastgesteld, openbaar en actueel beleid, (ii) het beleid een duidelijk beleidsdoel en beleidsinstrument moet bevatten, en (iii) de beoogde gronduitgifte intrinsiek verbonden moet zijn met dat beleid. Enkel dan kan de gemeente haar beleidsdoelen vertalen naar selectiecriteria op basis waarvan kan worden beoordeeld of er slechts één partij in aanmerking komt die dat beleid kan realiseren, in dit geval via de verkoop van het Perceel.\n\n4.20.. In de onderhavige zaak is er echter sprake van een oneigenlijke koppeling tussen de verkoop van het Perceel en het beleid van de gemeente. Anders dan de gemeente betoogt, blijkt het door de gemeente gevoerde beleid en haar keuze voor [familie] niet uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en heeft de gemeente onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen verkoop van het Perceel gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. De Beleidsvisie bepaalt enkel dat de huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten en studenten moet worden uitgebreid en de concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden teruggedrongen. De Beleidsvisie schrijft niet voor dat dit moet worden gerealiseerd via de verkoop van grond, meer specifiek de verkoop van het Perceel. Daar komt bij dat, zoals onder 4.17 is opgenomen, uit de Beleidsvisie volgt dat met het huidige beleid de grote concentraties studenten in Dronten-Noord niet wordt opgelost. Om tot een oplossing te komen doorlopen de huiseigenaren een apart traject. De vermindering van het aantal studentenwoningen in Dronten-Noord is dus niet gegrond op vastgesteld beleid en maakt daarmee geen onderdeel uit van de Beleidsvisie.\n\n4.21.. Uit het voorgaande volgt dat de verkoop van het Perceel een achteraf door de gemeente gekozen middel is. Zoals door de gemeente zelf aangevoerd betreft het een “compensatie” voor de beëindiging van de studentenbewoning in de woningen van [familie] in Dronten-Noord. Door [eisende partij sub 1] is onweersproken gesteld dat er naast [familie] meerdere marktpartijen zijn, waaronder [eisende partij sub 1] zelf, die huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel kunnen realiseren. Die partijen komen door de tussen de gemeente en [familie] onderhands gemaakte afspraken nu niet in aanmerking voor de verwerving van het Perceel. Voornoemde “compensatie” is dus niet beleidsmatig, maar contractueel en daarmee selectief ingegeven. Met andere woorden: de verkoop van het Perceel is niet gegrond op vastgesteld beleid, maar wordt door de gemeente achteraf gepresenteerd als noodzakelijk om twee beleidsdoelen met elkaar te verbinden. Daarmee zijn de gehanteerde criteria uit de Publicatie niet objectief, toetsbaar en redelijk. Het eerste criterium betreft enkel een beschrijving van de situatie dat tussen de gemeente en [familie] overleg heeft plaatsgevonden. Het tweede en derde criterium zijn grotendeels een vastlegging van de uitkomst van dat overleg. De Publicatie bevat geen objectieve criteria die bijvoorbeeld inhouden hoeveel studentenhuizen minimaal in Dronten-Noord dienen te verdwijnen. Of hoeveel slaapplaatsen minimaal voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel dienen te worden gecreëerd. En binnen welke tijdsbestek het een en ander vervolgens dient te worden gerealiseerd.\n\n4.22.. Gezien het voorgaande is de vraag of [familie] op basis van de door de gemeente in de Publicatie gehanteerde criteria de enige serieuze gegadigde is daarom niet te beantwoorden. Het vereiste van objectiviteit houdt in dat de criteria ondubbelzinnig en zo duidelijk mogelijk moeten worden geformuleerd zodat een onpartijdige behandeling kan worden verzekerd en willekeur wordt voorkomen. Het is niet toegestaan de criteria toe te schrijven naar één bepaalde gegadigde, omdat juist alle gegadigden met een reëel belang gelijke kansen dienen te worden geboden. Dit toeschrijven lijkt de gemeente nu (achteraf) te doen, door enkel de onderhandeling met [familie] en de uitkomst daarvan te beschrijven waarbij de beleidsdoelen niet in redelijkheid zijn vertaald naar selectiecriteria. Dat had op grond van de Didam-regels wel op de weg van de gemeente gelegen. Nu zij dat niet heeft gedaan moet dat voor haar risico blijven.\n\n4.23.. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogen aannemen dat [familie] is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel. Dit betekent dat de gemeente geen beroep toekomt op de uitzondering van het Didam-arrest.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de gemeente bij de verkoop van het Perceel aan [familie] in strijd met het gelijkheidsbeginsel en daarmee met de Didam-regels heeft gehandeld. Dit is onrechtmatig jegens [eisende partij sub 1] . Door het ontbreken van duidelijke objectieve, toetsbare en redelijke criteria, is niet bij voorbaat uitgesloten dat [eisende partij sub 1] ook een serieuze gegadigde voor de aankoop van het Perceel zou kunnen zijn. Zijn belangstelling voor het Perceel is in ieder geval kenbaar nu hij heeft gesteld ook huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel te kunnen realiseren. Dit leidt ertoe dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de door de Hoge Raad geformuleerde uitzondering in het Didam-arrest van toepassing is.\n\n4.25.. Evenmin is uitgesloten dat wanneer de gemeente alsnog (duidelijke) objectieve, toetsbare en redelijke criteria hanteert, zoals volgt uit de Didam-arresten, deze criteria ertoe leiden dat alsnog bij voorbaat vaststaat dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop van het Perceel. In dat geval kan dus alsnog worden voldaan aan de uitzondering en hoeft geen selectieprocedure te worden doorlopen. De Hoge Raad heeft in het Didam II-arrest tevens bepaald dat zolang er geen overeenkomst is gesloten die verplicht tot levering of die levering nog niet heeft plaatsgevonden, de overheid bij handelen in strijd met de Didam-regels onder omstandigheden ook kan worden verboden om tot verkoop of tot levering over te gaan. Gezien het voorgaande zijn de vorderingen van [eisende partij sub 1] toewijsbaar in die zin dat de gemeente tot intrekking van de Publicatie dient over te gaan en, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, geen uitvoering mag geven aan de koopovereenkomst met [familie] en bij de verkoop van het Perceel dient te voldoen aan de vereisten die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661).\n\nProceskosten\n\n4.26.. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat is geconcludeerd dat enkel [eisende partij sub 1] voldoende belang heeft bij de in deze procedure ingestelde vorderingen zal voor de hoogte van het griffierecht worden aangesloten bij het bedrag dat geldt voor natuurlijke personen. De kosten aan de zijde van [eisende partij sub 1] worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 125,57\n\n- griffierecht € 341,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00\n\ntotaal € 1.643,57\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verklaart Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens de gemeente;\n\n5.2.. gebiedt de gemeente tot intrekking van de Publicatie;\n\n5.3.. verbiedt de gemeente, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, om uitvoering te geven aan de koopovereenkomst met [familie] ;\n\n5.4.. gebiedt de gemeente, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, te voldoen aan de vereisten die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661);\n\n5.5.. veroordeelt de gemeente in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [eisende partij sub 1] worden begroot op een bedrag van € 1.643,57;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\ntype: BEv \u002F 4998\n\ncoll:","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1977","ecli-nl-rbmne-2026-1977",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]