ECLI:NL:RBMNE:2026:3116
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2672
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , in [plaats] , eiseres
(mr. I.N.D.J. Rissema)
en
de heffingsambtenaar van de belastigsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 januari 2024.
De heffingsambtenaar heeft op 20 oktober 2023 aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] . De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 28 september 2023 om 09:38 uur. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2024 de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd. De heffingsambtenaar heeft daarbij geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: De gemachtigden van eiseres en verweerder.
Feiten
5. Op 28 september 2023 om 09:38 stond de auto met het kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Van Hogendorpstraat te Utrecht zonder geldig parkeerrecht. De parkeerlocatie betreft Oudwijk Noord met zonenummer [nummer] . Het uurtarief voor deze zone bedraagt € 4,01. Eiseres is het niet eens met de naheffingsaanslag, omdat zij stelt wel parkeerbelasting te hebben betaald, maar zich voor een verkeerde zonenummer heeft aangemeld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een betaalbewijs overgelegd van een betaling voor het zonenummer [nummer] Oudwijk. Het uurtarief daarvan is hoger dan het uurtarief voor Oudwijk Noord.
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd voordat deze uit coulance werd vernietigd en of de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
7. Vast staat dat de auto op het controletijdstip was aangemeld voor parkeren in zone [nummer] en dat parkeerbelasting voor deze zone is voldaan, in plaats van in de zone van de parkeerlocatie (zone [nummer] ).
8. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) - dat op grond van artikel 234, eerste lid, en artikel 236 van de Gemeentewet van toepassing is – kan de te weinig geheven belasting worden nageheven indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet betaald is.
9. Van belang is dan ook of de verschuldigde belasting is betaald, en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan (HR 8 januari 1997, nr. 31657, BNB 1997/68). Dit roept de vraag op of de op het controletijdstip door eiseres voor de verkeerde zone betaalde parkeerbelasting, is aan te merken als (voor de parkeerlocatie) betaalde parkeerbelasting of als een onverschuldigde betaling. Nu eiseres weliswaar niet op de voorgeschreven wijze, want voor een verkeerde zone binnen dezelfde gemeente voor een hoger tarief parkeerbelasting heeft voldaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiseres op het controletijdstip te weinig parkeerbelasting heeft betaald. Aangezien de parkeerbelasting wel is betaald, kan niet worden nageheven. Daarbij merkt de rechtbank op dat de heffingsambtenaar in de periode tussen de controle (op 28 september 2023) en het opleggen van de naheffingsaanslag (op 20 oktober 2023) in het systeem had kunnen zien dat eiseres in een andere zone had betaald. Omdat de heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de aanslag over informatie beschikte of redelijkerwijs kon beschikken waaruit volgt dat eiseres op het moment van de controle de parkeerbelasting had voldaan, was het onzorgvuldig om dit niet te raadplegen alvorens de aanslag op te leggen. Het raadplegen van het systeem is ook niet zo tijdsintensief, dat dit niet van de heffingsambtenaar mag worden verwacht.
10. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet uit coulance vernietigt had moeten worden, maar omdat het ten onrechte is opgelegd. In dit geval is dan ook sprake van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid en heeft belanghebbende daarom recht op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Hetgeen voor het overige in bezwaar is aangevoerd, behoeft geen behandeling.Conclusie en gevolgen
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard
11. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep moet vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift (met een waarde van € 666), 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting (met een waarde van € 934 per punt). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe.Verder zijn geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.267,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.267,- aan proceskosten aan eiseres;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 6 december 2021, ECLI:RBAMS:2021:7052.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.