ECLI:NL:RBMNE:2026:3284
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3850
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.
(gemachtigde: mr. S. van der Waal).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 25 juli 2023 tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 16 juni 2023.
Verweerder heeft gedurende de beroepsprocedure alsnog de verzochte documenten openbaar gemaakt.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 19 juni 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft op 19 juni 2026 gereageerd op het verzoek van verzoekster en geeft aan dat hij geen proceskosten aan verzoekster wil betalen. Volgens verweerder betreft het openbaar maken van documenten, die bij vergissing eerder niet openbaar waren gemaakt, terwijl daartoe wel was besloten, een feitelijke handeling. Verweerder is daarom van mening dat verzoekster geen recht heeft op een proceskostenvergoeding.
4. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Verweerder is pas, naar aanleiding van de beroepsgronden van verzoekster, overgegaan tot de feitelijke openbaarmaking van de documenten. Hiermee is eiseres gedeeltelijk tegemoet gekomen aan haar beroep. De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder de proceskosten dient te vergoeden aan verzoekster.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.