ECLI:NL:RBMNE:2026:3366
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.B. Visser),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 12 september 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 2 juni 2024.
Op 22 december 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek, maar wel in het verweerschrift van 2 maart 2026 gezegd het griffierecht en een proceskostenvergoeding te betalen. Dit omdat het beroep op zichzelf terecht is ingesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft in het verweerschrift van 2 maart 2026 gezegd het griffierecht en de proceskostenvergoeding te betalen.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 22 december 2025 tegemoet is gekomen aan verzoekster. De rechtbank zal het verzoek daarom als volgt toewijzen. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.