ECLI:NL:RBMNE:2026:3529
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Arbeidsrecht
Uitspraak
Almere
RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12096989 \ ME VERZ 26-19 D/1403
Beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
[verzoekende parij],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende parij] ,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen,
tegen
[verwerende partij],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
gemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoekende parij] , als werknemer, (onder meer) om vernietiging van de opzegging van de zorgovereenkomst, die zij met [verwerende partij] gesloten heeft. Partijen twisten over de vraag of hun rechtsverhouding moet worden gekwalificerd als een arbeidsovereenkomst, of dat de zorgovereenkomst een overeenkomst van opdracht behelst. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst het verzoek van [verzoekende parij] toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, met producties 1 t/m 6 en de aanvullende productie 7
het verweerschrift, met twee producties
de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekende parij] .
1.2.. Na de mondelinge behandeling is [verzoekende parij] in de gelegenheid gesteld om de zorgovereenkomst nog in het geding te brengen en de inhoud hiervan toe te lichten. [verwerende partij] is hierna in de gelegenheid gesteld hier op te reageren.1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1..
[verzoekende parij] is vanaf 21 oktober 2021 werkzaamheden gaan verrichten voor [verwerende partij] . Partijen hebben hiervoor een zorgovereenkomst gesloten. De functie van [verzoekende parij] is persoonlijk individueel begeleider. [verzoekende parij] ontving een bruto maandloon van € 2.829,00 voor 25 uur per week.
2.2..
[verzoekende parij] heeft zich in december 2025 ziek gemeld. [verzoekende parij] heeft (in een, volgens haar, op 7 december 2025 verzonden bericht) het volgende geschreven aan [verwerende partij] :
“[…]
Ik zit momenteel met kniepijn.
Vandaag had een afspraak bij de dokter en na het onderzoek zei hij dat ik ongeveer één week tot tien dagen rust moet nemen, minder moet lopen en dat ik foto’s en fysiotherapie moet doen; dat hij heeft hij voor me voorgeschreven.
Ik wilde je hiervan op de hoogte brengen.
Graag wil ik dat je deze periode van één tot tien dagen voor me regelt, zodat ik, als God het wil, beter word en daarna weer volledig aan het werk kan.
[…]”
2.3..
Op 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] een brief van het Zorgkantoor, waarin haar het volgende wordt meegedeeld:
“ [verwerende partij] heeft uw zorgovereenkomst met ingangsdatum 1 januari 2024 eerder beëindigd.
Uw zorgovereenkomst is eerder geëindigd
De nieuwe einddatum van de zorgovereenkomst is 1 december 2025.
De zorgovereenkomst is beëindigd in overeenstemming met de zorgverlener. Neem voor meer informatie contact op met de budgethouder.
[…]”
2.4..
[verwerende partij] is op [2026] overleden.
3. Het verzoek en het verweer
3.1..
[verzoekende parij] verzoekt de kantonrechter primairhet ontslag, althans de opzegging van de zorgovereenkomst, te vernietigen en [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.658,00 (bruto) aan achterstallig loon over de maanden december 2025 en januari 2016 en verder een bedrag van € 2.829,00 (bruto) per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verzoekende parij] om [verwerende partij] te veroordelen om deugdelijke bruto-netto loonspecificaties te verstrekken en om [verzoekende parij] te laten oproepen voor een afspraak bij de bedrijfsarts, dit op straffe van een dwangsom.Subsidiairverzoekt [verzoekende parij] de veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding voor de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en de transitievergoeding enmeer subsidiairslechts de transitievergoeding, in alle gevallen met een veroordeling van [verwerende partij] in de kosten van de procedure.
3.2.. Volgens [verzoekende parij] is zij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst en is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekende parij] voert het volgende aan. Hoewel partijen een zorgovereenkomst van opdracht hebben getekend, is [verzoekende parij] feitelijk werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst voldoet aan de eisen van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoekende parij] verrichtte werkzaamheden, zij ontving loon en er bestond een gezagsverhouding tussen [verzoekende parij] en [verwerende partij] . [verzoekende parij] verrichte persoonlijk en structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] , bestaande uit het toedienen van medicatie, verzorgen van maaltijden en begeleiding buitenshuis en naar ziekenhuisafspraken. Vervanging door een ander was niet aan de orde. Zij ontving een vast loon per uur, ontving maandelijks loonstroken en er werd loonheffing ingehouden. [verwerende partij] gaf instructies over de uitvoering van de werkzaamheden en bepaalde in belangrijke mate de inhoud van het werk. Zij handelde niet als zelfstandig ondernemer. Op 7 december 2025 heeft [verzoekende parij] (in Farsi) een Whatsapp-bericht gestuurd aan [verwerende partij] waarin zij zich ziek meldde. [verwerende partij] heeft naar aanleiding van de ziekmelding geen bedrijfsarts ingeschakeld. Op 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] tot haar verbazing bericht dat de zorgovereenkomst was beëindigd. [verzoekende parij] heeft echter nimmer ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zij was bovendien ziek. [verzoekende parij] heeft zich primairop het standpunt gesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd. Zij heeft sinds december 2025 geen loon meer ontvangen en verzoekt om betaling van het achterstallige salaris.Subsidiairenmeer subsidiairheeft [verzoekende parij] verzocht om de betaling van diverse vergoedingen, waaronder in ieder geval de transitievergoeding.
3.3..
[verwerende partij] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verwerende partij] voert – samengevat – aan dat [verzoekende parij] zelf heeft aangegeven dat zij wilde stoppen met de werkzaamheden. Medio november 2025 is [verzoekende parij] voor een periode naar Iran vertrokken. [verzoekende parij] had ondertussen alle contacten met [verwerende partij] verbroken. De verwachting was dat zij na drie weken zou terugkeren, maar zij liet niets van zich horen. Bij toeval ontdekte een bekende van de familie de avond van 7 december 2025 dat er licht brandde bij [verzoekende parij] thuis. Daarop volgde eerst de Whatsapp met de ziekmelding van [verzoekende parij] en op 10 december 2025 had de zoon van [verwerende partij] een langdurig telefoongesprek met [verzoekende parij] , waarin zij te kennen gaf niet meer voor [verwerende partij] te willen werken. Dit is zo ook doorgegeven aan het Zorgkantoor. De zorgovereenkomst moet in ieder geval geacht te zijn geëindigd op het moment van overlijden van [verwerende partij] . [verwerende partij] heeft verder betwist dat [verzoekende parij] werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Er was geen sprake van een gezagsverhouding en [verzoekende parij] heeft zich gedragen alsof zij zelfstandige was. Zij hoefde de werkzaamheden niet persoonlijk te verrichten, kon ook iemand anders sturen en zij bepaalde zelf wanneer zij met vakantie ging. [verwerende partij] heeft al met al geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekende parij] .
4. De beoordeling
Overlijden [verwerende partij]
4.1.. De kantonrechter merkt allereerst op dat het overlijden van [verwerende partij] geen gevolgen heeft voor de onderhavige procedure. Op grond van artikel 225 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is het overlijden van [verwerende partij] een grond voor de erfgenamen van [verwerende partij] om schorsing van de procedure te verzoeken. Zij hebben hiertoe echter geen actie ondernomen, zodat de procedure op naam van de oorspronkelijke partij is voortgezet.
Kwalificatie van de zorgovereenkomst
4.2.. Na het overleggen van de zorgovereenkomst heeft [verzoekende parij] nader toegelicht waarom zij meent dat zij haar werkzaamheden heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, hoewel de zorgovereenkomst zelf spreekt van een overeenkomst van opdracht. [verzoekende parij] heeft gesteld dat zij structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] heeft verricht, voor langere tijd, waarvoor zijn een vast loon ontving, vermeerderd met 8% vakantiegeld en dat er loonheffing op haar loon werd ingehouden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit kenmerken van een loonbetaling, die horen bij een arbeidsovereenkomst en verder blijkt uit de overgelegde loonstroken dat er tevens de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (ZVW) werd ingehouden. [verzoekende parij] ontving ook loon tijdens haar vakantie. Dat [verzoekende parij] niet als zelfstandige heeft gefactureerd voor haar werkzaamheden (niet haar eigen tarieven vast kon stellen), draagt verder bij aan het oordeel dat [verzoekende parij] loon heeft ontvangen, in de zin van artikel 7:610 BW. Het ontvangen uurloon van € 23,00 is ook redelijk te achten, onder de gegeven omstandigheden. [verwerende partij] heeft erop gewezen dat [verzoekende parij] een aan haar gelieerde onderneming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven heeft gehad, maar de kantonrechter acht dat niet van doorslaggevende betekenis. [verzoekende parij] heeft gesteld dat die onderneming niet meer actief is en uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt ook dat (de hoofdvestiging van) deze onderneming is uitgeschreven. Er is ook niet gebleken dat [verzoekende parij] op enigerlei wijze persoonlijk ondernemersrisico’s droeg. Verder moet ook worden aangenomen dat er sprake was van een gezagsverhouding. Hoewel gebleken is dat er veelal werd gecommuniceerd met de kinderen van [verwerende partij] , en niet met hemzelf, stonden alle werkzaamheden van [verzoekende parij] in het teken van de verzorging van [verwerende partij] , zoals het verzorgen van maaltijden, het toezien op de medicatie en het begeleiden naar ziekenhuisbezoeken. [verwerende partij] heeft hierover wel opgemerkt dat het [verzoekende parij] vrijstond om elders opdrachten te accepteren, maar [verzoekende parij] heeft betwist dat zij werkzaamheden bij of voor anderen heeft verricht – of dat het haar vrijstond dit te doen – en dit is de kantonrechter ook nergens uit gebleken.
4.3.. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat de zorgovereenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in de zin van het bepaalde in de artikelen 7:610 BW en verder. Voor de verdere beoordeling zal daarom worden uitgegaan van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig
4.4.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.5.. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen, indien er sprake is van een dringende reden, zoals is bepaald in de artikelen 7:677 lid 1 en 7:678 BW, maar gesteld noch gebleken is dat zich een dringende reden heeft voorgedaan om de arbeidsovereenkomst (onverwijld) op te zeggen. [verzoekende parij] heeft ook ontkend dat zij heeft ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat zij verbaasd was om op 12 december 2025 bericht van het Zorgkantoor te ontvangen dat [verwerende partij] (de budgethouder) de zorgovereenkomst (voortijdig) had beëindigd. [verwerende partij] heeft aangevoerd dat uit verklaringen van [verzoekende parij] aan de kinderen van [verwerende partij] en een bekende is opgemaakt dat [verzoekende parij] haar werkzaamheden voor [verwerende partij] wilde beëindigen. Dit is eveneens door [verzoekende parij] betwist en voor de kantonrechter zijn er geen redenen om aan te nemen dat er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden, zoals [verwerende partij] lijkt te suggereren. Dit laatste lijkt wel te volgen uit de van de zijde van [verwerende partij] overgelegde verklaringen van zijn kinderen en een bekende, maar uit niets is de kantonrechter gebleken van een – op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst – gerichte verklaring van [verzoekende parij] . Van de werkgever wordt onder dergelijke omstandigheden verwacht dat deze zich ervan vergewist dat de wens van de werknemer op ondubbelzinnige wijze is gericht op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verwerende partij] heeft dat echter nagelaten. [verwerende partij] had, naar aanleiding van de ziekmelding van [verzoekende parij] , hiervan melding moeten maken bij de SVB, die de in dat geval noodzakelijke procedure in gang had kunnen zetten, maar in plaats daarvan is doorgegeven dat de zorgovereenkomst (op verzoek van [verzoekende parij] ) werd beëindigd.
4.6..
[verzoekende parij] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist, door te verwijzen naar een (weliswaar ongedateerde) brief aan [verwerende partij] en een bericht (volgens [verzoekende parij] verzonden op 7 december 2025), waarin zij [verwerende partij] te kennen geeft dat zij zich heeft ziek gemeld, maar dat [verwerende partij] ten onrechte melding heeft gemaakt van een beëindiging van de zorgovereenkomst aan het Zorgkantoor. Ten tijde van de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [verwerende partij] en de aanwezige tolk bevestigd dat de Nederlandse weergave van het hiervoor genoemde bericht een juiste weergave van het in Farsi opgestelde bericht is. Het is dan niet goed in te zien, hoe [verwerende partij] hieruit een wens van [verzoekende parij] heeft afgeleid, die gericht was op een beëindiging van de zorg-/arbeidsovereenkomst.
4.7.. Bij dit alles geldt dat ook het opzegverbod tijdens ziekte in de weg staat aan een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [verzoekende parij] heeft zich op 7, dan wel 10, december 2025 ziek gemeld, terwijl [verwerende partij] niets heeft gedaan met deze ziekmelding. [verwerende partij] lijkt de ziekmelding zelfs in twijfel te hebben getrokken, maar het had op de weg van [verwerende partij] gelegen om een bedrijfsarts in te schakelen, of de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende parij] te melden bij de SVB, in dit geval. [verzoekende parij] heeft dan ook terecht een beroep gedaan op het opzegverbod dat geldt tijdens ziekte, op grond van artikel 7:670 BW.
4.8.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:675 BW eindigt de arbeidsovereenkomst bovendien niet automatisch door het overlijden van de werkgever, anders dan door (de erfgenamen van) [verwerende partij] is betoogd. [verzoekende parij] moet daarom geacht worden in dienst te zijn gebleven bij de erfgenamen van [verwerende partij] .
4.9.. Het primaireverzoek van [verzoekende parij] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Nu door partijen verschillende data worden genoemd waarop diverse berichten zijn verstuurd en gesprekken zijn gevoerd, zal de kantonrechter uitgaan van een opzegging per 12 december 2025, in lijn met de mededeling van het Zorgkantoor.
4.10.. De subsidiaireenmeer subsidiaireverzoeken hoeven niet verder te worden besproken, nu [verzoekende parij] niet heeft verklaard dat zij berust in het ontslag.
4.11..
[verzoekende parij] heeft recht op loon, omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoekende parij] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen, maar zal worden gematigd tot drie maanden, op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW. Een volledige toewijzing van het loon, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zoals door [verzoekende parij] is verzocht, leidt naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen. [verzoekende parij] heeft vanaf december 2025 feitelijk geen werkzaamheden meer verricht en zou in ieder geval vanaf [2026] , de datum van overlijden van [verwerende partij] , de bedongen werkzaamheden ook niet meer hoeven te verrichten. In de zorgovereenkomst zelf is bepaald dat de zorgverlener, bij een onmiddellijke beëindiging wegens het overlijden van de budgethouder, een uitkering ontvangt ter hoogte van het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. Onder de gegeven omstandigheden is de betaling van drie maanden loon naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een billijke uitkomst.
4.12.. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verwerende partij] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20%. Het verzoek tot het verstrekken van loonspecificaties (op straffe van een dwangsom) zal worden afgewezen, aangezien de loonbetalingen niet door [verwerende partij] werden verzorgd, maar door de SVB. Het verzoek om (alsnog) een bedrijfsarts in te schakelen zal tevens worden afgewezen, omdat [verzoekende parij] hier, naar het oordeel van de kantonrechter geen belang (meer) bij heeft.
4.13.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de grondslag daarvan niet, althans onvoldoende is onderbouwd.
4.14.. De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende parij] worden begroot op € 1.391,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.. vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 12 december 2025;
5.2.. veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende parij] van € 8.487,00 (bruto) aan loon over de maanden december 2025 tot en met de maand februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente over een de maandelijkse loonbetalingen, vanaf het moment van opeisbaarheid, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.3.. veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.