[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-3784":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-3784":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1718","ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","",63,"Utrecht","utrecht","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F230376-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [1982] in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres] in [woonplaats] , hierna: de verdachte.\n\n1. De zitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 juni 2026.\n\nOp de inhoudelijke zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie, mr. M.A.P.J.J. Lousberg;\n\nde advocaat van de verdachte, mr. M.H.H. Meulemeesters;\n\nde benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden), mr. C.H. Dijkstra.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 19 juli 2025 in Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door hem met een mes in zijn nek en zijn bovenarm te steken.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\n3. Het bewijs\n\n3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde doodslag, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Weliswaar heeft de verdachte met een mes in de richting van de nek van het slachtoffer gestoken, waardoor een aanmerkelijke kans ontstond dat het slachtoffer zou worden gedood, maar de verdachte heeft deze kans niet willens en wetens aanvaard, zoals is vereist voor voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft onwillekeurig en in een reflex steekbewegingen gemaakt. Het handelen van de verdachte kan dus niet worden gezien als gericht op het doden van het slachtoffer, aldus de advocaat.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverweging\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens een ruzie [slachtoffer] meermalen met kracht met een groot keukenmes diep in de nek heeft gestoken. Dit is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. De verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nop 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren op [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met kracht met een mes in de nek van die [slachtoffer] te steken.\n\n4. De strafbaarheid van het feit\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat dit wordt gerechtvaardigd door noodweer. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte in zijn politieverhoren en ter zitting geschetste noodweersituatie op grond van het dossier aannemelijk is en niet kan worden weerlegd.\n\nDe door de verdachte geschetste noodweersituatie\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de keuken van zijn woning eten wilde gaan maken, en daarvoor een geschikt mes wilde uitkiezen. Op het moment dat hij twee grote keukenmessen in zijn rechterhand had, hoorde hij hard gebonk op de voordeur die zich een verdieping lager bevindt. De verdachte liep vervolgens de trap af naar de voordeur, in de veronderstelling dat het een pakketbezorger was die op de voordeur bonkte. Bij dit afdalen naar de voordeur hield de verdachte de twee keukenmessen, min of meer onbewust, in zijn rechterhand. Toen de verdachte de voordeur opendeed, bleek echter geen pakketbezorger voor de deur te staan, maar [slachtoffer] , het latere slachtoffer. [slachtoffer] stormde direct de hal in, viel de verdachte aan en sloeg op hem in, waardoor de verdachte een reflexbeweging maakte met zijn rechterhand, waarin hij de twee keukenmessen vasthad. Hierdoor werd [slachtoffer] , naar later bleek, dodelijk in de nek getroffen.\n\nDe ondersteuning voor de gestelde noodweersituatie in het dossier\n\nVolgens de advocaat is het op grond van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de door de verdachte geschetste noodweersituatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vanwege het volgende.\n\nTen eerste is de hierboven geschetste gang van zaken in overeenstemming met hetgeen de verdachte vanaf zijn eerste verklaring ter plaatse tegen de politie tot en met de inhoudelijke behandeling op zitting consistent heeft verklaard. Ook in de afgeluisterde gesprekken blijft de verdachte consequent bij zijn verklaring over de noodweersituatie.\n\nTen tweede is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen inderdaad in zijn hand had, omdat hij wilde gaan koken. In zijn koelkast en vriezer werden voor het koken geschikte groenten en vlees aangetroffen en op het gasfornuis stond een steelpan. De toenmalige vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn eigen huis voor hen samen wilde gaan koken.\n\nTen derde is het aannemelijk dat de verdachte, toen hij de voordeur opende, in de veronderstelling verkeerde dat niet [slachtoffer] , maar een pakketbezorger voor de deur stond. De [straat] is een drukke straat en de verdachte was in de keuken op éénhoog, aan de achterkant van het gebouw, kookvoorbereidingen aan het treffen. Het kan dus heel goed dat de verdachte alleen het bonken, en niet het geschreeuw van [slachtoffer] heeft gehoord. Verder heeft de broer van de verdachte, die in dezelfde woning woont, verklaard dat er bij hen vaak pakketjes worden bezorgd, ook voor buren, en dat het goed zou kunnen dat hij die dag tegen de verdachte heeft gezegd dat hij een pakketje verwachtte.\n\nTen vierde is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen min of meer onbewust mee heeft genomen naar de voordeur, in ieder geval zonder de intentie om deze te gebruiken. Dit is in overeenstemming met het door de broer geschetste timide karakter van de verdachte. Verder is het niet heel vreemd om met twee messen in de hand een pakketje te willen aannemen. De messen kunnen na het openen van de voordeur immers uit het zicht blijven of even worden weggelegd. Verder geldt dat als de verdachte de messen al bewust zou hebben meegenomen in de wetenschap dat [slachtoffer] voor de deur stond, hij de messen ook kan hebben meegenomen om [slachtoffer] op afstand te houden.\n\nTen slotte staat op grond van de vele getuigenverklaringen vast, dat [slachtoffer] , nadat de voordeur door de verdachte werd geopend, als eerste in de aanval is gegaan, de verdachte naar achteren heeft geduwd en hard op hem in heeft geslagen. De verdachte heeft hierbij zelf ook lichamelijk letsel, waaronder een breuk in zijn sleutelbeen, opgelopen.\n\nVoldaan aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, geen culpa in causa\n\nVolgens de advocaat voldoet de door de verdachte in deze noodweersituatie verrichte verdedigingshandeling aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Tegen de aanval door het slachtoffer was immers verdediging noodzakelijk (subsidiariteit) en de verdachte heeft met zijn verdedigingshandeling de grenzen van deze noodzakelijke verdediging niet overschreden (proportionaliteit).\n\nDe verdediging was noodzakelijk, doordat de verdachte onverhoeds, in een kleine ruimte en vanaf korte afstand werd aangevallen door [slachtoffer] , die veel groter en zwaarder was dan hij. Er was in de nauwe hal geen mogelijkheid om zich aan deze aanval te onttrekken en geen andere mogelijkheid om deze aanval te pareren dan door zich te verdedigen zoals hij heeft gedaan. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn hierbij niet overschreden. Gelet op het fysieke krachtsverschil en het door het slachtoffer in zeer korte tijd toegepaste geweld en het toegebrachte letsel, was het verdedigingsmiddel, het steken met een mes, niet onevenredig. Hierbij speelt mee dat de verdachte zich in een zeer bedreigende situatie bevond en in een fractie van een seconde moest beslissen hoe te reageren en hoe de aanval te stoppen.\n\nTen slotte is van culpa in causa geen sprake. De verdachte heeft de fysieke aanval door [slachtoffer] immers niet uitgelokt of geïnitieerd, aldus de advocaat.\n\nConclusie\n\nDe advocaat concludeert dat de bewezenverklaarde geweldshandelingen zijn begaan uit zelfverdediging en niet strafbaar zijn, omdat deze worden gerechtvaardigd door noodweer. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde strafbaar is, omdat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van noodweer. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. \n\nHet beoordelingskader\n\nAls door de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter onder meer de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Bij dit onderzoek kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.\n\nVoor de aanvaarding van het noodweerverweer is vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag daarvan voldoende aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat noodweerberoep steunt geldt niet als maatstaf dat het buiten redelijke twijfel moet zijn dat deze noodweersituatie heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.\n\n4.3.2.. \n\nDe aannemelijkheid van het noodweerscenario\n\nDe rechtbank vindt het niet aannemelijk dat:\n\nde verdachte op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken;\n\nde verdachte op het moment dat hij de voordeur opende niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond;\n\nde verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen.\n\nDe rechtbank licht dit als volgt toe.\n\nAd a)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte, messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nTen eerste heeft de verdachte wisselend verklaard over welk eten hij wilde klaarmaken, en zijn verklaring daarover aangepast aan de onderzoeksbevindingen.\n\nTen tweede heeft de politie vrijwel direct na de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer de keuken in de woning van de verdachte doorzocht. Hierbij heeft de politie geen concrete aanwijzingen gevonden dat de verdachte kookvoorbereidingen aan het treffen was.\n\nTen slotte is uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte gebleken dat de verdachte kort voor de confrontatie met het slachtoffer intensief chatverkeer met zijn toenmalige vriendin had. Uit deze chatberichten blijkt dat de verdachte in zijn woning aan het wachten was op een zekere “ [naam] ”, een drugsdealer, en dat de verdachte naar de woning van zijn vriendin zou gaan zodra deze “ [naam] ” was langsgekomen. Uit de chatberichten blijkt niet dat de verdachte van plan was om, voordat hij naar de woning van zijn vriendin zou gaan, voor hen beiden in zijn woning te gaan koken.\n\nDe advocaat heeft verwezen naar het verhoor bij de politie van de toenmalige vriendin van de verdachte op 29 november 2025, waarin zij verklaart dat de verdachte die avond in zijn woning “eten zou maken voor ons twee”. De rechtbank hecht echter geen waarde aan dit onderdeel van haar verklaring, vanwege het volgende. In een eerder verhoor bij de politie, op 22 juli 2025, heeft zij alleen verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn woning “aan het wachten was”, en niet dat hij voor hen beiden eten zou gaan koken. Verder reageert zij in een afgeluisterd telefoongesprek tussen haar en de verdachte op 6 augustus 2025, als de verdachte haar vertelt dat hij die avond wilde gaan koken, met “Dat dacht ik al”. De rechtbank leidt hieruit af dat zij daarvóór nog niet wist dat de verdachte die avond wilde gaan koken.\n\nAd b)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat hij zijn voordeur opende, niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond, op grond van het volgende.\n\nIn het dossier bevinden zich camerabeelden, inclusief geluidsopnamen, van de kapperszaak die zich direct naast de woning van de verdachte bevindt. Op deze beelden is duidelijk te zien en op het geluid daarbij is te horen dat [slachtoffer] enige tijd voor de voordeur van de woning van de verdachte heeft gestaan en dat hij hierbij hard om de verdachte schreeuwt en hard op de voordeur bonkt. Dit geschreeuw en gebonk gaat door tot het moment dat de verdachte de voordeur opent. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het schreeuwen en bonken op zijn weg naar de voordeur en dus ook op het moment vóórdat hij de voordeur opent luid en duidelijk heeft gehoord. Ook kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dat moment wist dat het [slachtoffer] was die daar stond te schreeuwen en op zijn deur stond te bonken. De verdachte kende het slachtoffer immers al jaren en had kort voor dit moment op dezelfde dag nog een telefoongesprek met hem gevoerd waarin zij ruzie hebben gemaakt. Bovendien gebruikte [slachtoffer] voor de voordeur scheldwoorden die overeenkomen met de scheldwoorden die hij eerder die dag in het telefoongesprek en kort daarvoor in chatberichten gericht aan de verdachte had gebruikt.\n\nTen overvloede merkt de rechtbank nog op dat de broer van de verdachte heeft verklaard dat hun gezamenlijke woning zeer gehorig is, zodat je in de woning de straatgeluiden duidelijk kunt horen. Dit blijkt ook uit de verklaring van de directe buurman van de verdachte dat hij vanuit zijn woning op éénhoog, voordat de voordeur door de verdachte werd opengedaan, hard geschreeuw bij de voordeur heeft gehoord.\n\nDe rechtbank gaat er, gelet op het bovenstaande, dus van uit dat de verdachte, voordat hij de voordeur opende, wist dat niet een pakketbezorger, maar [slachtoffer] voor de deur stond.\n\nAd c)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen, op grond van het volgende.\n\nTen eerste acht de rechtbank het a priori onwaarschijnlijk dat iemand een groot keukenmes, laat staan twee van zulke messen, langere tijd in één hand vasthoudt zonder zich hiervan bewust te zijn. Dit geldt te meer als er met deze twee messen een relatief lange looproute wordt afgelegd, die bovendien de nodige aandacht vergt, omdat deze langs een smalle trap naar beneden loopt.\n\nTen tweede blijkt uit de foto’s in het dossier en de verklaring van de verdachte dat hij de betreffende twee messen bewust heeft uitgekozen uit meerdere andere aanwezige keukenmessen. Dit is een contra-indicatie voor het “min of meer onbewust” meenemen van deze messen naar de voordeur.\n\nTen derde heeft de politie in de woning van de verdachte op de vloer van de gang, bovenaan de trap, een ijsje aangetroffen dat door de verdachte, blijkens zijn eigen verklaring, kort daarvoor uit de vriezer was gehaald. Dit past bij het scenario dat de verdachte dit ijsje in zijn handen had toen hij gebonk hoorde op de voordeur, waarna hij het ijsje op de vloer heeft neergelegd of laten vallen en in de keuken messen is gaan uitzoeken.\n\nTen slotte acht de rechtbank, zoals onder ad a) en ad b) is uiteengezet, het niet aannemelijk dat de verdachte de messen had uitgezocht om mee te gaan koken, en ook niet dat hij niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond. De rechtbank acht het daarentegen aannemelijk dat de verdachte deze messen heeft uitgezocht met het oog op een aanstaande confrontatie met het [slachtoffer] , en dat hij deze messen daartoe bewust heeft meegenomen naar de voordeur.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt wél dat de verdachte en [slachtoffer] een (langlopend) zakelijk conflict hadden. Op 19 juli 2025 escaleerde het conflict. Beiden waren kwaad en over en weer zijn er beledigingen en bedreigingen geuit. Ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen is [slachtoffer] naar de woning van de verdachte gegaan. Daar heeft hij al schreeuwend hard op de deur gebonkt en tegen de deur getrapt. Toen de verdachte zijn voordeur opende, is hij vrijwel direct door [slachtoffer] aangevallen. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt bevestigd door vrijwel alle getuigen van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] .\n\nGelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bij het verdere oordeel over het noodweerverweer uitgaan van de situatie dat\n\ner sprake was van een langlopend conflict waarbij er op 19 juli 2025 door de verdachte en door [slachtoffer] over en weer bedreigingen en beledigingen zijn geuit;\n\n [slachtoffer] naar het huis van de verdachte is gegaan en daar hard op de deur heeft gebonkt en hard heeft geschreeuwd;\n\nde verdachte op het moment van bonken en schreeuwen wist dat [slachtoffer] woedend voor de deur stond;\n\nde verdachte met het oog op de te verwachten confrontatie met [slachtoffer] twee grote keukenmessen heeft uitgezocht en meegenomen naar de voordeur;\n\nde verdachte na het openen van de voordeur vrijwel direct door [slachtoffer] werd geduwd en geslagen;\n\nde verdachte vervolgens in de nek en bovenarm van [slachtoffer] heeft gestoken.\n\n4.3.3.. \n\nEen dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding\n\nTegen de achtergrond van het langlopende conflict en de bedreigingen en beledigingen die eerder op de dag (over en weer) zijn geuit, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte op het moment dat [slachtoffer] hard op de voordeur van de verdachte bonkte en tegelijkertijd hard schreeuwde.\n\n4.3.4.. \n\nDe noodzakelijkheid van de verdediging (subsidiariteit)\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of de door de verdachte in de praktijk gebrachte verdediging tegen deze dreigende aanval noodzakelijk was (de subsidiariteitseis). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hierbij geldt als maatstaf dat de verdediging niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk, maar óók dat de verdediging niet als noodzakelijk kan worden gezien, wanneer de verdachte bijvoorbeeld zich aan de (dreigende) aanval had kunnen en moeten onttrekken (het onttrekkingsvereiste). Van dit laatste is sprake wanneer er voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid was om zich aan de (dreigende) aanval te onttrekken, én deze onttrekking ook van de verdachte kon worden gevergd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er geen noodzaak tot verdediging was. Ten tijde van het bonken op de voordeur op de begane grond bevond de verdachte zich veilig in zijn woning op de eerste verdieping, met een werkende telefoon tot zijn beschikking. De verdachte had er, toen hij [slachtoffer] al schreeuwend op zijn voordeur hoorde bonken, voor kunnen kiezen om de voordeur niet open te doen, in zijn woning te blijven en eventueel de politie te bellen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de keuze voor dit reële en redelijke alternatief ook van de verdachte kon worden gevergd, en overweegt daartoe als volgt. De verdachte was die dag in een hoog oplopend conflict met het slachtoffer verwikkeld, waarbij over en weer forse beledigingen en bedreigingen werden geuit. De verdachte heeft, toen hij het slachtoffer ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen op zijn voordeur hoorde bonken en schreeuwen, twee grote keukenmessen uitgezocht en deze meegenomen naar de voordeur. De verdachte ging er blijkbaar van uit dat, als hij de voordeur zou openen, een confrontatie met het slachtoffer zou volgen waarvoor hij deze keukenmessen nodig had. De verdachte anticipeerde hiermee, voordat hij de voordeur opendeed, op een dreigende fysieke aanval door het slachtoffer.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank had de verdachte niet met twee grote keukenmessen in de hand de confrontatie met het slachtoffer aan moeten gaan, maar deze confrontatie uit de weg moeten gaan en een van de hierboven geschetste alternatieven moeten beproeven. Deze confrontatie kon immers, volgens zijn eigen inschatting, levensbedreigende gevolgen hebben voor hemzelf en\u002Fof het slachtoffer.\n\nDe verdachte is echter de confrontatie met het slachtoffer aangegaan, met de twee grote keukenmessen in de hand. Na de aanval door het ongewapende slachtoffer heeft de verdachte hem met de meegebrachte messen gedood. Dit kan niet worden gerechtvaardigd of verontschuldigd door de aanval van het slachtoffer, omdat de verdachte de voor hem risicoloze alternatieven had moeten kiezen en dus de voordeur niet open had moeten doen en eventueel de politie had moeten bellen.\n\n4.3.5.. \n\nConclusie en kwalificatie\n\nDe rechtbank concludeert dat er voor de verdachte geen noodzaak was tot verdediging\n\nen daarom strandt het beroep op noodweer.\n\nOmdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar en levert het volgens de wet het volgende strafbare feit op:\n\ndoodslag.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1.. Het standpunt van de advocaat\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde wordt verontschuldigd door noodweerexces.\n\n5.2.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, omdat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.\n\n5.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft onder 4.3. geconcludeerd, dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat er geen noodzaak tot verdediging was. Dit betekent dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.\n\nEr is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.\n\n6. De straf\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\neen gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van het voorarrest;\n\nde gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van strafrecht (Sr);\n\neen contactverbod met de nabestaanden en een locatieverbod voor de gemeente De Meern (op grond van artikel 38z Sr).\n\nDe officier van justitie heeft hierbij verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat geen enkele straf aanvaardbaar is voor de verdachte.\n\nTen aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de advocaat primair bepleit deze op te heffen, vanwege de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen, onder verwijzing naar de motivering door de rechtbank van de schorsingsbeslissing van 15 januari 2026 en de verslechterde gezondheidstoestand van de verdachte, zoals deze onder 6.3.5. zal worden besproken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n6.3.1.. \n\nInleidende opmerkingen\n\nBij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\n6.3.2.. \n\nDe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] , een man van 39 jaar oud, in de kracht van zijn leven. De verdachte heeft door zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft ook de nabestaanden van [slachtoffer] hierdoor onherstelbaar leed berokkend en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Zij zullen moeten leven zonder hun geliefde vader, partner, kind, broer, zwager en vriend.\n\n [benadeelde 1] , de partner van het slachtoffer, heeft ter zitting indringend verklaard hoe groot de verslagenheid en het verdriet was én is vanwege de gewelddadige dood en het plotselinge verlies van [slachtoffer] en het gemis dat deze onomkeerbare daad bij haar en haar gezin heeft veroorzaakt. Er is onzekerheid over alles, over de basisveiligheid. Hun gezin is voor altijd en blijvend ontwricht. Voor [benadeelde 4] en [benadeelde 5] was [slachtoffer] een held, een voorbeeld, een rots in de branding. Zij zullen verder moeten zonder hun liefdevolle vader.\n\nDat [slachtoffer] geliefd was en dagelijks gemist wordt, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel nabestaanden bij de zittingen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat het door de verdachte gepleegde feit niet alleen voor de nabestaanden een traumatische ervaring is, maar mogelijk ook voor degenen die daarvan getuige zijn geweest. De doodslag vond plaats in een drukke straat met winkels en horeca, waardoor veel omstanders hiervan getuige zijn geweest. De verdachte heeft daardoor, in forse mate bijgedragen aan angstgevoelens in de samenleving.\n\nDe reden voor de doodslag was een escalatie van een zakelijk conflict. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De verdachte heeft hiermee het conflict geëscaleerd naar doodslag en alleen hij is daardoor verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij in plaats van deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, de verantwoordelijkheid voor de doodslag bij het slachtoffer legt.\n\nDe rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.\n\n6.3.3.. \n\nDe persoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe reclassering heeft op 19 mei 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de verdachte tot aan het moment dat hij in het kader van de onderhavige zaak in detentie kwam geen maatschappelijke problemen ervoer. De reclassering maakt zich wel zorgen over het middelengebruik van de verdachte. De verdachte gebruikt veelvuldig alcohol en cocaïne. Desondanks kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten, omdat zij maar beperkt zicht heeft gekregen op risicoverhogende en delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen, vanwege de slechte gezondheid van de verdachte.\n\nUit de door de advocaat verstrekte medische stukken over de verdachte blijkt dat de verdachte terminaal ziek is. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het erg slecht met hem gaat.\n\n6.3.4.. \n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel kan terugdraaien wat er is gebeurd of het verdriet en de pijn van de nabestaanden kan wegnemen of verzachten.\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor doodslag, een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, waarvoor binnen de rechtspraak doorgaans een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank houdt er rekening mee wat in andere, vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd.\n\nBovendien heeft de wetgever het strafmaximum voor doodslag per 1 juli 2023 verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar, om dit meer in balans te brengen met de strafmaxima van andere ernstige geweldsdelicten en meer recht te doen aan de ernst van doodslag. De rechtbank ziet hierin reden om zwaarder te straffen dan vóór deze wetswijziging in vergelijkbare zaken is gedaan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf geen rekening houden met de slechte gezondheid van de verdachte. Deze slechte gezondheid doet immers niets af aan de ernst van het bewezenverklaarde, zoals deze in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, en de schuld van de verdachte hieraan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf ook geen rekening houden met het achterliggende conflict tussen de verdachte en [slachtoffer] en de rol van [slachtoffer] daarin. Zoals in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, is alleen de verdachte verantwoordelijk voor de escalatie van het conflict, die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank zal, alles overwegende, conform de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een gevangenisstraf van 13 jaar opleggen, met aftrek van voorarrest.\n\nDe rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (op grond van artikel 38z Sr) niet opleggen. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende recidivegevaar, nu de doodslag plaatsvond binnen de specifieke context van een persoonlijk conflict. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet mogelijk is om nu in de strafzaak op grond van artikel 38z Sr een contact- en locatieverbod op te leggen. De inhoud van een dergelijke maatregel wordt pas ingevuld na een vordering tot tenuitvoerlegging aan het einde van de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\n6.3.5.. \n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe verdachte is per 16 januari 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal aan de verdachte een straf opleggen die de duur van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht overstijgt. Dit betekent dat de verdachte naar de gevangenis moet als deze uitspraak onherroepelijk is.\n\nDe vraag die de rechtbank ook moet beantwoorden is of de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en de schorsing van de voorlopige hechtenis dus moet worden opgeheven. Dit zou betekenen dat de verdachte nu direct, voordat de zaak onherroepelijk is, terug naar de gevangenis moet. De rechtbank benadrukt dat dit een andere vraag is dan de vraag welke straf passend is voor wat de verdachte heeft gedaan. De rechtbank heeft, zoals hierboven weergegeven, geoordeeld dat aan verdachte een gevangenisstraf van 13 jaren wordt opgelegd.\n\nDe officier van justitie vindt dat de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en stelt dat sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de schorsing van verdachte eerder dit jaar. Die schorsing was volgens de officier van justitie ingegeven door onderzoeken en de start van de behandeling, die de verdachte moest ondergaan. Er is nu geen duidelijke prognose wanneer verdachte komt te overlijden en de behandeling is levensverlengend. Dit persoonlijke belang vindt de officier van justitie niet zwaarder wegen dan het belang van strafvordering en dus ook de samenleving bij het benemen van de vrijheid van verdachte.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het onmenselijk zou zijn om de verdachte – in zijn huidige toestand – terug te sturen naar de gevangenis.\n\nDe advocaat heeft verder verzocht de voorwaarden van de schorsing aan te passen, in die zin dat een identiteitsbewijs aan de verdachte zal worden teruggegeven. De verdachte ondervindt er in het dagelijks leven en bij zijn medische behandeling veel praktische hinder van dat hij geen enkel identiteitsbewijs tot zijn beschikking heeft, en wil te zijner tijd, bijvoorbeeld bij verdere verslechtering van zijn gezondheid, naar Marokko kunnen reizen.\n\nBij de beslissing over de voorlopige hechtenis gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die belangenafweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. De enkele omstandigheid dat bij het vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis, is geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Met andere woorden: het gegeven dat er aan de verdachte een lange gevangenisstraf is opgelegd waarvan hij nog een (groot) deel moet uitzitten, zoals in deze zaak, is onvoldoende om de verdachte direct weer vast te zetten. Ook in dat geval moet de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte.\n\nIn deze zaak betrekt de rechtbank het volgende bij de afweging van belangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Gelet op de huidige gezondheidstoestand van de verdachte en de specifieke context waarin het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen gevaar voor herhaling meer is. De twaalfjaarsgrond (met geschokte rechtsorde) is nog wel onverkort aanwezig. En met dit veroordelend vonnis zijn de belangen van strafvordering in gewicht toegenomen.\n\nDeze belangen van strafvordering weegt de rechtbank af tegen de volgende persoonlijke belangen van de verdachte. De verdachte is terminaal ziek, zoals blijkt uit de door de advocaat overgelegde medische stukken en zijn toelichting ter zitting.\n\nDe verdachte heeft kleincellige longkanker (SCLC - Small Cell Lung Cancer), een van de agressiefste vormen van longkanker. De ziekte bevindt zich in stadium IV, wat het hoogste en ernstigste stadium is: de kanker heeft zich al buiten de longen verspreid naar andere organen, waaronder de lymfeklieren in het mediastinum (het gebied tussen de longen, rondom het hart), de hersenen (hersenmetastasen), de alvleesklier (pancreas) en de wervelkolom. Dit laatste is medisch zeer ernstig, omdat dit druk op het ruggenmerg veroorzaakt en tot ernstige zenuwpijn leidt. De verdachte gebruikt hiervoor zware pijnstillers.\n\nDe verdachte ondergaat behandelingen die gericht zijn op levensverlenging, niet op genezing. Verdachte verklaarde op zitting dat het heel slecht met hem gaat, hij de hele dag pijn heeft en bijna de hele dag in bed doorbrengt. Dat de gezondheid van de verdachte is verslechterd de afgelopen maanden, was ook op de zitting zichtbaar voor de rechtbank.\n\nHet belang van verdachte om in vrijheid zijn proces af te wachten is er in gelegen dat hij in vrijheid zijn behandelingen kan ondergaan en het laatste stuk van zijn leven, met de continue pijn en achteruitgang die daarmee gepaard gaat, in zijn eigen huis en in aanwezigheid van zijn familie kan doorbrengen.\n\nAlles afwegende weegt op dit moment het belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.\n\nWel zal de rechtbank de schorsingsvoorwaarde wijzigen, in die zin dat de verdachte zich niet mag begeven in de wijk [wijk] van Utrecht (i.p.v. gemeente De Meern).\n\nAnders dan de advocaat ziet de rechtbank geen reden om de overige bijzondere voorwaarden te wijzigen. De rechtbank zal de overige bijzondere voorwaarden in stand laten.\n\n7. De in beslag genomen goederen\n\nDe in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 2 juni 2026.\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan de rechthebbende, zijnde de verdachte:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi), rechthebbende: de verdachte.\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd het volgende in beslag genomen voorwerp terug te geven aan de rechthebbende, zijnde [A] :\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo).\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de rechthebbende is van de telefoon van het merk Oppo met goednummer PL0900-2025244684-3562097, en niet [A] .\n\nDe advocaat heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer, omdat met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde doodslag is gepleegd, en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen teruggeven aan de rechthebbende, te weten de verdachte.\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nAnders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook de rechthebbende is van de Oppo-telefoon met goednummer PL0900-2025244684-3562097, die immers in de woning van de verdachte is aangetroffen.\n\n8. De vorderingen door benadeelde partijen\n\n8.1.. De vorderingen\n\n8.1.1.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNabestaande [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van\n\n€ 239.651,50 vordert, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 189.651,50 € 189.651,50 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:\n\n € 14.651,50 als vergoeding voor kosten voor lijkbezorging;\n\n € 175.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n- € 50.000,- € 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:\n\n € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;\n\n € 30.000,- als vergoeding voor schokschade.\n\n8.1.2.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 5] (dochter van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.3.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 4] (zoon van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.4.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNabestaande [benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade) die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\n8.1.5.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen vorderen tevens een verhoging van de gevorderde bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n8.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\n8.3.. Het standpunt van de verdediging\n\n8.3.1.. \n\nTen aanzien van alle vorderingen\n\nDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\nBij toewijzing van (een deel van) de vorderingen heeft de advocaat verzocht om op grond van artikel 6:101 BW jo. 6:108 lid 5 BW op alle posten een “eigen schuld”-correctie toe te passen tussen de 50% en 75% van het gevorderde bedrag. De gedragingen van het slachtoffer hebben immers in vergaande mate bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de advocaat.\n\n8.3.2.. \n\nTen aanzien van de vordering door [benadeelde 1]\n\nDe advocaat heeft bepleit de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor schokschade. De directe confrontatie van deze benadeelde partij met de gevolgen van de ten laste gelegde doodslag was immers niet onverhoeds en onvermijdbaar, waardoor toekenning van een vergoeding voor schokschade niet op zijn plaats is.\n\n8.4.. Het oordeel van de rechtbank\n\n8.4.1.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten voor lijkbezorging” toe, omdat de gestelde schade (€ 14.651,50) voldoende is onderbouwd en niet inhoudelijk is betwist.\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Het gevorderde bedrag van\n\n€ 20.000,- is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “schokschade” gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nVergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door de directe (visuele) confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het strafbare feit is gedood.\n\nDe benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op dit punt ter terechtzitting nader toegelicht.\n\nDe rechtbank stelt op grond van deze onderbouwing vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken.\n\nUit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis.\n\nDe rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.De rechtbank stelt, alles overwegende, de door de benadeelde partij geleden schokschade vast op € 15.000,- en zal deze post van haar vordering tot dit bedrag toewijzen.\n\nDe benadeelde partij zal ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit gedeelte van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nTotaal\n\nDe rechtbank waardeert de totale te vergoeden materiële en immateriële schade op\n\n€ 49.651,50 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.\n\n8.4.2.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.3.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.4.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.\n\n8.4.5.. \n\nGeen eigen schuld\n\nDe rechtbank zal op de toe te wijzen schadevergoedingen geen eigen schuld-correctie toepassen, omdat niet is gebleken van een gedraging door het slachtoffer die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door de benadeelde partijen geleden schade.\n\n8.4.6.. \n\nDe wettelijke rente\n\nDe hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025 voor de affectieschade en schokschade en 28 september 2025 voor de kosten voor lijkbezorging.\n\n8.4.7.. \n\nDe schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet.\n\nDe verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.\n\n8.4.8.. \n\nGijzeling\n\nAls de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.\n\nHet toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoedingen, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoedingen te betalen.\n\nIn totaal mag niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling worden opgelegd. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank zal daarom het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar evenredigheid vaststellen, uitgaande van een totaalmaximum van 365 dagen.\n\n8.4.9.. \n\nDe proceskosten\n\nVerdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\n9. De toegepaste wetsartikelen\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;\n\n- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.3.5. is vermeld;\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\noplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050);\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047);\n\n- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 49.651,50, bestaande uit een vergoeding van € 14.651,50 voor materiële schade en een vergoeding van € 35.000,- voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 49.651,50 te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 169 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 5]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 17.500,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nwijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;\n\nwijzigt de bij bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 15 januari 2026 opgelegde\n\nvoorwaarden in die zin dat de voorwaarden komen te luiden:\n\n1. de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen;\n\n2. indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan;\n\n3. de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n4. de verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\n5. de verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie;\n\n6. de verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie;\n\n7. de verdachte heeft alle op zijn naam staande paspoorten en identiteitsbewijzen ingeleverd bij het Openbaar Ministerie;\n\n8. de verdachte zal Nederland niet verlaten;\n\n9. de verdachte zal op geen enkele wijze, direct of indirect, contact opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n- [benadeelde 1] , geboortedatum [1989] ;\n\n- [benadeelde 5] , geboortedatum [2016] ;\n\n- [benadeelde 4] , geboortedatum [2018] .\n\nDe politie ziet toe op handhaving van dit verbod;\n\n10. de verdachte zal zich niet begeven in de wijk [wijk] van de gemeente Utrecht. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\nBijlage I: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nek en\u002Fof de bovenarm, althans in\n\nhet lichaam, van die [slachtoffer] te snijden\u002Fte steken.\n\nBijlage II: De bewijsmiddelen\n\nDe politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:\n\nOp zaterdag 19 juli 2025 omstreeks 20:10 uur, reed ik samen met collega [verbalisant] op de [straat] te [woonplaats] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Ik zag dat er een man vanaf links, de weg op liep. Ik zag dat de man midden op de weg ging staan. Ik zag dat de man zijn linkerhand op zijn op de linkerkant van zijn keel gedrukt had. Ik zag dat er uit de linkerkant van de nek van de man extreem veel bloed spoot. Ik zag aan zijn blik dat de man duidelijk in paniek was. Ik zag dat de man naar de bijrijdersdeur van ons dienstvoertuig liep.\n\nIk zag dat er een bloedspoor op de grond lag vóór ons dienstvoertuig. Ik zag dat dit bloedspoor richting de woning van de [adres] ging. Ik zag dat er bloed op de muur naast de voordeur van de [adres] zat. Ik zag dat er een mannelijk persoon uit de deur kwam lopen. Hierna zal ik deze persoon noemen als zijnde verdachte. Ik hoorde dat de verdachte zei: “Ik ben hierbij betrokken” of woorden van gelijke strekking.Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen of woorden van gelijke strekking: - ik heb hem neergestoken; - het mes waarmee ik hem heb neergestoken, ligt achter de voordeur. Verdachte: [verdachte] , geboortedatum [1982] te [geboorteplaats] . Ik zag dat de man die eerder bloedend over straat liep, aan de overkant van de straat op de grond lag.\n\nIk ben vervolgens aan de rugzijde van de man gaan zitten en plaatste mijn linkerhand op zijn buik en mijn rechterhand op zijn rug om de ademhaling in de gaten te houden. Na ongeveer een minuut voelde ik dat de man niet meer ademde. Samen met collega’s heb ik de man op zijn rug gedraaid en ben ik de traumatische reanimatie van de man gestart. Omstreeks 20.20 uur was de ambulance ter plaatse en hebben de reanimatie overgenomen en omstreeks 20.35 uur, zag ik dat het Mobiel Medisch Team ter plaatse kwam en ondersteunde bij de reanimatie. Om 20.46 uur hoorde ik de arts van het Mobiel Medisch Team zeggen dat de man was overleden.\n\nDe overledene bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] .\n\nOp zondag 20 juli 2025 om 12:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] ter hoogte van nummer [huisnummer] .\n\nBegane grond (hal):\n\nBij het openen van de deur kwam ik terecht in een hal. Aan het einde van de hal zag ik een wit geverfde, steile trap naar boven.\n\nTegen de linker muur, op de vloer tegen het stootbord van de eerste traptrede, zag ik een vuilniszak liggen. Ik zag achter de vuilniszak, tegen de muur aan twee handvaten uitsteken, van messen. Ik heb eerst het voorste mes (het mes wat het meest tegen de vuilniszak aanlag) veiliggesteld. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en een wit lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Over het gehele lemmet zag ik bloedsporen.\n\nAchter dit mes, tegen de muur aan, zag ik een tweede mes. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en zwart lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Op het lemmet zag ik bloedsporen.\n\nGetuige [getuige] heeft het volgende verklaard:\n\nVandaag op zaterdag 19 juli 2025 ging ik een stukje wandelen door de buurt samen met mijn moeder. Ik liep op de [straat] in de richting van de stad. Ik zag dat er een busje geparkeerd stond recht voor de deur van de [adres] .Ik zag dat er een grote man rondom het busje liep. Ik hoorde hem hard schreeuwen. Ik zag dat de man richting de deur van de [adres] liep. Ik zag dat de deur werd geopend door een kleine man. Ik zag dat er een worsteling ontstond tussen de grote man en de kleine man. Ik zag dat de kleine man een mes in zijn rechterhand vasthield.\n\nIk zag dat de kleine man het mes meerdere malen in de nek van de lange man stak. Ik zag dat er meerdere keren kort achter elkaar in de nek van de lange man werd gestoken.\n\nIk zag dat de grote man naar buiten kwam lopen. Ik zag dat er extreem veel bloed uit de nek kwam van de grote man.\n\nIn een deskundigenrapport van het NFI staat het volgende:\n\nOverledene: [slachtoffer] , geboortedatum [1985] .\n\nResultaten uit- en inwendige schouwing:\n\nAan de hals links, op circa 170 cm van de voetzolen en circa 7 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 4,2 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 9 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader, een aftakking van de linker diepe halsader, een vertakking van de linker halsslagader en het strottenhoofd. Aan de hals links, op circa 165,5 cm van de voetzolen en circa 6 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 2,0 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 5 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader en diepere weke delen.Deze steekletsels hebben geleid tot ernstig bloedverlies. Ook zijn hierbij functiestoornissen te verwachten van de ademhaling en de longen (door inademing van bloed bij de perforatie van het strottenhoofd), alsook van het hart (mede door aanzuiging van lucht via de geperforeerde halsaders). Op basis hiervan wordt het overlijden zonder meer verklaard.\n\nDe verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk had koksmessen vast.\n\nToen ik de deur open deed zag ik [slachtoffer] voor de deur staan.\n\nIk heb hem gestoken.\n\n HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2022:1416.\n\nHR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2023:1495.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-202544684, doorgenummerd pagina 1 tot en met 601, met als bijlage een Forensisch dossier, apart doorgenummerd pagina 1 tot en met 286. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 13.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 15.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 127.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 129.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 52.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 53.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 54.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 100.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 101.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 103.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 142.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 596.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","ecli-nl-rbmne-2026-3784",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]