[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-3893":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-3893":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1111","ECLI:NL:RBMNE:2026:3893","",63,"Utrecht","utrecht","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 24\u002F4577, UTR 24\u002F5432 en UTR 24\u002F6484\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: F. van der Tempel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht\n\n(gemachtigden: mr. M.W. Holtkamp, mr. R.E. Helder en mr. S. Ros).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen naar onbepaalde tijd. Daarnaast gaat deze uitspraak over de beroepen die eiser heeft ingesteld tegen de Nadere regel artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, Gemeente Utrecht, standplaatsen(hierna: de Nadere regel) en tegen het Aanwijzingsbesluit artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen (hierna: het Aanwijzingsbesluit).\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser niet heeft hoeven omzetten naar onbepaalde tijd.Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eisers bezwaar tegen het vergunningenplafond in de Nadere Regel terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de rechtbank de rechtmatigheid van het vergunningenplafond in het beroep tegen het Aanwijzingsbesluit niet kan toetsen. De beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser is marktkoopman en verkoopt kaas. Op 30 december 2013 is aan eiser een standplaatsvergunning verleend voor de locatie [locatie 1] in Vleuten-de Meern voor de duur van 10 jaar, van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2023.\n\n2.1.. Op 17 juli 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen in ‘onbepaalde tijd’. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 mei 2024 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F4577).\n\n2.2.. Met het besluit van 26 september 2023 heeft het college in afwachting van nieuw standplaatsenbeleid aan eiser bericht dat het zonder vergunning innemen van een standplaats op zijn locatie van 1 januari 2024 tot 1 oktober 2025 wordt gedoogd.\n\n2.3.. Op 25 april 2024 heeft de gemeenteraad het nieuwe standplaatsenbeleid aangenomen. Op grond van dat beleid is het aantal beschikbare standplaatsvergunningen beperkt en geldt een maximumstelsel. Daartoe heeft het college op 26 januari 2024 de Nadere regel en het Aanwijzingsbesluit vastgesteld. Eiser heeft tegen beide regelingen bezwaar gemaakt.\n\n2.4.. Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de Nadere regel niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F5432).\n\n2.5.. Met het bestreden besluit van 13 september 2024 (bestreden besluit III) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het Aanwijzingsbesluit gegrond verklaard, de oppervlakte van de locaties [locatie 1] en [locatie 2] gewijzigd naar maximaal 35 vierkante meter en het Aanwijzingsbesluit in zoverre herroepen en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Eiser heeft ook hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F6484).\n\n2.6.. Met het besluit van 17 december 2024 heeft het college aan eiser voor zijn locatie een nieuwe standplaatsvergunning verleend, geldig van 1 oktober 2025 tot 1 oktober 2040.\n\n2.7.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.\n\n2.8.. De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Daarnaast zijn namens het college verschenen: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nZaaknummer UTR 24\u002F4577 – Aanvraag omzetting standplaatsvergunning naar onbepaalde tijd\n\n3. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van eisers standplaatsvergunning voor bepaalde tijd om te zetten naar onbepaalde tijd heeft mogen afwijzen. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij inmiddels een nieuwe standplaatsvergunning met een geldigheidsduur tot 1 oktober 2040 heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Eiser wil een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl hij in 2013 een vergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen. Ook de nieuwe standplaatsvergunning die met het besluit van 17 december 2024 aan eiser is verleend, is een vergunning voor bepaalde tijd. Aangezien eiser wil dat de geldigheidsduur van zijn vergunning wordt omgezet in onbepaalde tijd, heeft zijn beroep nog feitelijke betekenis. Het feit dat de geldigheidsduur van zijn vergunning uit 2013 waar het verzoek betrekking op heeft al is verstreken, staat daaraan niet in de weg.\n\nHet bestreden besluit I: wat heeft het college beslist?\n\n5. Het college heeft de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning te wijzigen naar onbepaalde tijd afgewezen, omdat op grond van het nieuwe beleid een maximumstelsel geldt. De standplaatsvergunningen zijn dus schaarse vergunningen en worden daarom alleen voor bepaalde tijd toegekend. Bij de verdeling van schaarse vergunningen moeten potentiële aanvragers gelijke kansen krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar zo'n vergunning. Volgens het college is het omzetten van de standplaatsvergunning van eiser naar onbepaalde tijd daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel.\n\nIs eiser benadeeld?\n\n6. Eiser voert aan dat het verslag van de hoorzitting bij het bestreden besluit I ontbreekt. Bovendien is in het besluit niet vermeld welke stukken het college na de hoorzitting heeft verstrekt en wat de reactie van eiser op die stukken was. Twee opmerkingen van eiser op de hoorzitting zijn onvolledig weergegeven en in het bestreden besluit is niet ingegaan op eisers primaire bezwaargrond dat er in de gemeente Utrecht geen vergunningenplafond bestaat, dat standplaatsvergunningen daarom geen schaarse vergunningen zijn en dat zijn aanvraag daarom niet afgewezen had mogen worden. Eiser stelt dat hij hierdoor is benadeeld.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Er is geen rechtsregel op grond waarvan het verslag van de hoorzitting bij het besluit op bezwaar moet worden gevoegd. Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht schrijft slechts voor dat er een verslag van de hoorzitting gemaakt wordt. Daarbij komt dat het verslag van de hoorzitting met het procesdossier alsnog aan eiser is toegezonden. De rechtbank stelt verder vast dat het college in het bestreden besluit I op de bezwaargronden van eiser, waaronder de hiervoor genoemde, is ingegaan en die gronden ook voldoende heeft besproken. Van een motiveringsgebrek of benadeling is daarom geen sprake.\n\nWat voert eiser aan over het vergunningenplafond?\n\n7. Eiser vindt dat zijn aanvraag om de geldigheidsduur van de vergunning om te zetten naar onbepaalde tijd ten onrechte is afgewezen in verband met het vergunningenplafond voor standplaatsen. Hij voert daartoe aan dat ten tijde van zijn aanvraag van 17 juli 2023 om wijziging van zijn standplaatsvergunning er nog helemaal geen geldend vergunningenplafond bestond. De (oude) Regels Standplaatsen Utrecht 2013 (Regels Standplaatsen) bevatten geen vergunningenplafond en deze regeling is destijds niet op de juiste wijze bekendgemaakt en daarmee niet in werking getreden. De tekening standplaatsen uit 2013 die het college aan de gemeenteraad heeft gestuurd, vermeldt alleen waar zich in de gemeente Utrecht standplaatsen bevinden. Dit document is geen besluit tot het vaststellen van een vergunningenplafond en de tekening maakt ook geen onderdeel uit van een dergelijk besluit. Bovendien was het college op grond van de in 2013 geldende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht ook niet bevoegd tot het vaststellen van een vergunningenplafond voor standplaatsen en kon het ook geen daarop gericht concretiserend besluit van algemene strekking nemen. Eiser merkt daarbij op dat detailhandel pas sinds 2019 onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijnvalt.\n\n7.1.. Eiser voert verder aan dat bovendien niet is voldaan aan de vereisten van artikel 33, eerste lid, onder b van de Dienstenwet. Volgens eiser is er geen sprake van een dwingende reden van algemeen belang voor het instellen van een vergunningenplafond, omdat er voor standplaatsen in de gemeente Utrecht meer plekken beschikbaar zijn dan gebruikt worden en er ook geen wachtlijsten zijn. Het feit dat voor een specifieke standplaats mogelijk twee potentiële aanvragers zijn, maakt volgens eiser niet dat sprake is van schaarste, omdat in dat geval op een andere locatie in de gemeente Utrecht wel een standplaats beschikbaar is. Daarbij heeft het college niet specifiek de beschikbaarheid van standplaatsen in Vleuten beoordeeld en is ook op geen enkele manier onderbouwd dat daar onderzoek naar is gedaan. Volgens eiser zijn de doeleinden die het college noemt ook geen dwingende reden van algemeen belang die het instellen van een vergunningenplafond rechtvaardigen, omdat het slechts beleidsmatige redenen zijn die niets van doen hebben met de weigeringsgronden voor een standplaatsvergunning.\n\n7.2.. Eiser stelt ook dat het instellen van een vergunningenplafond niet evenredig is (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht) en dat het college had moeten onderzoeken of dat vergunningenplafond niet verder strekt dan nodig is. In Vleuten en omgeving is er veel ruimte voor nieuwe standplaatsen, terwijl de vraag naar standplaatsen laag is, zodat er geen noodzaak is voor het instellen van een vergunningenplafond.\n\n7.3.. Eiser voert aan dat ook het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser heeft een aanvraag gedaan op grond van artikel 1:6, eerste lid onder e, van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het college mocht deze aanvraag niet afwijzen op beleidsmatige gronden die geen grondslag vinden in de weigeringsgronden van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het behouden van een vitaal en evenwichtig winkelaanbod is een ruimtelijk belang waarmee bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden, maar is geen belang waarmee op grond van artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening rekening kan worden gehouden.\n\n7.4.. Eiser wijst erop dat artikel 10, zesde lid, van de Dienstenrichtlijn meebrengt dat een besluit ‘ex tunc’ moet worden getoetst. Volgens eiser heeft het college bij de heroverweging in bezwaar het primaire besluit daarom ten onrechte ex nunc getoetst. Bij de heroverweging in bezwaar had het college moeten toetsen aan de Algemene Plaatselijke Verordening zoals die gold op 29 november 2023. Het college had deze Algemene Plaatselijke Verordening in overeenstemming met de Dienstenwet en de Dienstenrichtlijn moeten toepassen, het vergunningenplafond om die reden buiten toepassing moeten laten en aan eiser een vergunning voor onbepaalde tijd moeten toekennen.\n\n7.5.. Volgens eiser wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij de in 2013 verleende vergunning niet heeft aangevochten. De Dienstenrichtlijn was toen nog niet van toepassing op standplaatsvergunningen, zodat procederen zinloos was. Omdat op grond van de Regels Standplaatsen geen vergunningenplafond gold, had het college die regeling volgens eiser exceptief moeten toetsen.\n\n7.6.. Eiser voert ook aan dat het college ten onrechte een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om de afwijzing van de aanvraag te rechtvaardigen. Er is geen sprake van gelijke gevallen, omdat eiser de enige ondernemer is die een aanvraag heeft gedaan voor omzetting van zijn vergunning naar onbepaalde tijd. Eiser heeft niet gevraagd om een nieuwe vergunning maar om een wijziging van zijn bestaande vergunning. Het met terugwerkende kracht wijzigen van de geldigheidsduur van de vergunning naar onbepaalde tijd maakt ook niet dat andere ondernemers geen toegang meer hebben tot de markt voor standplaatsen in de gemeente Utrecht. De afgelopen jaren waren er geen wachtlijsten en kon het college op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening een onbepaald aantal extra standplaatsvergunningen verlenen.\n\nWas het college bevoegd om de aanvraag af te wijzen vanwege het invoeren van een maximumstelsel voor standplaatsen?\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat het college in 2013 de standplaatshouders, waaronder eiser, op verschillende momenten en zowel mondeling als schriftelijk, heeft geïnformeerd dat het bezig was met het ontwikkelen van het nieuwe standplaatsenbeleid. In afwachting van het nieuwe beleid heeft het college eisers toenmalige standplaatsvergunning bij besluit van 17 juni 2013 ambtshalve verlengd tot 31 december 2013. Eind 2013 heeft het college de standplaatshouders geïnformeerd dat zij bij wijze van overgangsregeling konden kiezen voor een eenmalige verlenging van de standplaatsvergunning voor een periode van 5 of 10 jaar, waarna er geen automatisch recht op verlenging meer bestaat. De standplaats komt dan beschikbaar voor gunning waarvoor belangstellenden zich kunnen inschrijven. Bij besluit van 30 december 2023 is de vergunning van eiser vervolgens voor 10 jaar (tot 1 januari 2024) verlengd, waarbij is verwezen naar de 'Regels standplaatsen Utrecht' die als bijlage bij de vergunning zijn meegestuurd. In artikel 3 van deze Regels is bepaald dat sprake is van een maximumstelsel van door het college aan te wijzen standplaatsen.\n\n8.1.. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende duidelijk heeft gemaakt dat in de periode vanaf 2013 totdat het nieuwe standplaatsenbeleid daadwerkelijk is ingevoerd (zie overweging 2.2) sprake was van een overgangssituatie en dat het inzicht over de toegestane geldigheidsduur en de omvang van het aantal standplaatsvergunningen is veranderd. Dat standplaatsenvergunningen in 2013 (nog) niet onder de Dienstenrichtlijn vielen, maakt dat niet anders. Dit betekent dat ten tijde van de aanvraag van eiser om zijn standplaatsvergunning om te zetten naar onbepaalde tijd, sprake was van een overgangssituatie naar een stelsel met een vergunningenplafond en daarmee van schaarse rechten. Naar het oordeel van de rechtbank waren de beleidsvoornemens van het college over de toekomstige procedure van de verdeling van standplaatsvergunningen voldoende concreet en transparant, zodat het college bij de besluitvorming over de geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser daarop kon vooruitlopen.Met inachtneming van dat beleidsvoornemen heeft het college de aanvraag van eiser om omzetting van de geldigheidsduur van zijn vergunning naar onbepaalde tijd daarom mogen afwijzen. Dat ten tijde van eisers aanvraag in 2023 formeel nog geen vergunningenplafond gold, omdat aan de beleidsvoornemens nog geen volledige uitvoering was gegeven, staat daaraan – anders dan eiser stelt – niet in de weg.\n\n8.2.. Dat, zoals het college op zitting heeft erkend, niet duidelijk is of de Regels Standplaatsen en de bijbehorende tekening destijds juridisch op juiste wijze bekend zijn gemaakt, leidt evenmin tot het oordeel dat het college niet op het nieuwe standplaatsenbeleid heeft mogen vooruitlopen. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft het college aan eiser voldoende duidelijk gemaakt dat het verlenen van standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd verband hield met de geplande beleidsontwikkeling en invoering van een maximumstelsel, waarbij steeds een duidelijke verwachting in de tijd is gegeven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de vergunning in 2013 voor bepaalde tijd onbevoegd aan eiser is verleend, en dat vervolgens ten onrechte is geweigerd gehoor te geven aan zijn verzoek om deze om te zetten naar onbepaalde tijd. Bovendien was het college ook los van het aankomende nieuwe beleid op grond van artikel 1:7 van de toen geldende Algemene Plaatselijke Verordening bevoegd om standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd te verlenen, en was dat tot dat moment ook de praktijk.\n\n8.3.. Voor de door eiser gestelde ex-tunc toetsing van het besluit in bezwaar heeft het college geen aanleiding hoeven zien. Los van het feit dat het uitgangspunt in bezwaar een ex nunc toetsing is, mocht het college gezien het voorgaande bij het nemen van het bestreden besluit vooruitlopen op het nieuwe maximumstandplaatsenbeleid dat toen in ontwikkeling was.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het invoeren van een vergunningenplafond alleen is toegestaan als sprake is van feitelijke schaarste en niet van beleidsmatige schaarste. Dat volgt ook niet uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2020, waar eiser naar heeft verwezen. In die zaak ging het om gewijzigde regelgeving tijdens de behandeling van de aanvraag voor een exploitatievergunning. Daarvan is hier geen sprake.\n\nVoldoet het maximumstelstel aan de eisen van de Dienstenwet en Dienstenrichtlijn?\n\n9. De stelling van eiser dat geen sprake is van schaarse vergunningen omdat er niet voldaan is aan de vereisten die daarvoor gelden en het instellen van dit plafond niet evenredig is, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n9.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevolgt dat schaarse vergunningen ook om beleidsmatige redenen kunnen worden vastgesteld (artikel 33, eerste lid onder b, van de Dienstenwet). Daarvoor is een dwingende reden van algemeen belang vereist. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met deze eis die de Dienstenwet (en overigens ook de Dienstenrichtlijn) aan schaarse vergunningen stelt. De rechtbank licht dat hieronder toe.\n\n9.2.. Het college heeft als onderbouwing voor het vergunningenplafond verwezen naar het rapport van 18 januari 2024 van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau]. Daarin is geconcludeerd dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang die het noodzakelijk en evenredig maakt om een maximumstelsel (vergunningenplafond) voor het aantal standplaatsvergunningen voor de gemeente Utrecht in te voeren. Deze conclusie is gebaseerd op een analyse van de beleidskaders van de gemeente Utrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening, het standplaatsenaanbod in Utrecht en andere gemeenten en een marktverkenning van het consumentengedrag en het retailaanbod.Uit het rapport volgt dat de noodzaak voor het maximeren van het aantal standplaatsen bestaat in een evenwichtige opbouw van de detailhandel-structuur en een passende inrichting en gebruik van de openbare ruimte, waarbij de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, en de verkeersveiligheid in het bijzonder, worden gewaarborgd. Door concentratie van het detailhandel-aanbod op retaillocaties wordt een inperking van de verkeersstromen bereikt. Dit is in lijn met de gemeentelijke doelstelling om vitale retaillocaties te realiseren, en te komen tot een heldere evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur, waarbij verschillende winkelgebieden elkaar aanvullen en elk een eigen taak vervullen. Het volume van het non-food winkelaanbod is verminderd en er wordt gestreefd naar een compacter winkelbeeld. Bij concentratie van winkels ontstaat een meerwaarde voor zowel de bedrijven als de consument. Voor het realiseren van vitale winkelgebieden legt de gemeente vast waar detailhandelsvestigingen zich bij voorkeur concentreren. Dit draagt bij aan een gezond stedelijk leven voor iedereen.\n\n9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de hiervoor genoemde belangen – anders dan eiser stelt – onder de omschrijving van een dwingende reden van algemeen belang zoals opgenomen in overweging 40 en artikel 4, achtste lid, van de Dienstenrichtlijn. Deze omschrijving is ruimer dan alleen de belangen zoals opgenomen in artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening. In de omschrijving in de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat onder ‘dwingende reden van algemeen belang’ ook wordt verstaan bescherming van afnemers van diensten, consumentenbescherming, en voorkomen van oneerlijke concurrentie. De belangen die het college heeft genoemd vallen daarmee onder de dwingende redenen die in de Dienstenrichtlijn zijn genoemd.\n\n9.4.. In het rapport is verder geconcludeerd dat de invoering van een maximumstelsel evenredig is. Het geadviseerde maximumstelsel is geschikt en effectief voor het bereiken van de onder noodzakelijkheid genoemde doelen. Wanneer bij de uitgifte van standplaatsvergunningen geen maximumstelsel wordt toegepast, kunnen namelijk op vele locaties extra standplaatsen worden aangevraagd, die dan moeten worden vergund. Dit is strijdig met de doelstellingen, gericht op een fijnmazig voorzieningenaanbod en een heldere, evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur. En ook met doelstellingen\u002Fcriteria uit artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening, in het bijzonder de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid.\n\n9.5.. De rechtbank is van oordeel dat het college daarmee de noodzaak en de evenredigheid van het maximumstelsel voldoende heeft onderbouwd. Daarbij heeft het college ook in kaart gebracht hoeveel en welke locaties in de gemeente Utrecht geschikt zijn voor standplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de [onderzoeksbureau] -adviesrapporten dan ook een maximumstelsel voor standplaatsen voor de gemeente Utrecht mogen hanteren. De enkele betwisting van eiser dat dit anders is, is onvoldoende om hierover anders te oordelen.\n\n9.6.. De stelling van eiser dat de noodzaak van algemeen belang onderzocht en bepaald moet worden specifiek voor de locatie Vleuten, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het maximumstelsel voor de gehele gemeente Utrecht mogen hanteren en geen regeling hoeven treffen specifiek voor standplaatsen in Vleuten. Zoals blijkt uit de [onderzoeksbureau] -rapporten, en door het college op zitting is bevestigd, was de situatie ten tijde van de aanvraag zo dat standplaatshouders niet alleen vergunningen aanvroegen voor populaire wijken in de gemeente Utrecht, zoals het stadscentrum, maar ook voor buitenwijken en voor Vleuten. Op de zitting heeft het college toegelicht dat standplaatshouders die geen vergunning hebben gekregen voor het stadscentrum bovendien regelmatig vervolgens ook een aanvraag indienen voor wijken die verder van het centrum liggen. Daarmee is er een verschuiving van de vraag voor standplaatsen vanuit het centrum naar omliggende wijken.\n\nIs de weigering tot omzetting gerechtvaardigd op grond van het gelijkheidsbeginsel?\n\n10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het college als rechtvaardiging voor de weigering om aan eiser een vergunning voor onbepaalde geldigheidsduur te verlenen, zich heeft mogen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het college stelt terecht dat door vast te houden aan het verlenen van vergunningen voor bepaalde tijd, potentieel gegadigden evenveel kans krijgen om na afloop van de looptijd van een schaarse vergunning mee te dingen naar de uitgifte van nieuwe standplaatsvergunningen voor een beperkte geldigheidsduur. Dat eiser hier niet heeft gevraagd om een nieuwe vergunning, maar om een wijziging van zijn bestaande vergunning, maakt dat niet anders. Eisers stelling dat er voor standplaatsen geen wachtlijsten zijn en dat toekenning van de gevraagde vergunning aan eiser daarom niet betekent dat andere ondernemers geen toegang meer hebben tot de markt voor standplaatsen in de gemeente Utrecht, volgt de rechtbank niet. Zoals het college terecht naar voren heeft gebracht, heeft het toekennen van een vergunning voor onbepaalde tijd tot gevolg dat standplaatshouders onder het nieuwe beleid niet meer op deze locatie kunnen inschrijven en het totaal aantal voor hen beschikbare standplaatsen daarmee zou verminderen. Daarmee heeft het dus wel gevolgen voor de toegang tot de markt voor (alle) standplaatshouders.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning om te zetten in een vergunning voor onbepaalde tijd, heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond.\n\nZaaknummer UTR 24\u002F5432 – Ontvankelijkheid bezwaar tegen de Nadere Regel\n\nHet bestreden besluit II: wat heeft het college beslist?\n\n12. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het in de Nadere regel opgenomen vergunningenplafond\u002Fmaximumstelsel voor standplaatsen. Deze Nadere regel is echter een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld.Het college kan het bezwaar daarom niet inhoudelijk beoordelen. Het college heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep van eiser ziet op de vraag of de Nadere regel is aan te merken als concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen eiser kan opkomen. Als eiser gelijk krijgt, kan hij dus alsnog opkomen tegen de Nadere regel. Dat betekent dat hij procesbelang heeft. Of het beroep van eiser kans van slagen heeft, is niet bepalend voor de vraag of hij procesbelang heeft.\n\nIs de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift of een concretiserend besluit van algemene strekking?\n\n14. Eiser voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Nadere regel heeft volgens eiser wel rechtsgevolgen, omdat artikel 3 vermeldt dat er een vergunningenplafond is en artikel 7 vermeldt een vergunningenstop. Ook uit de Toelichting blijkt dat wordt uitgegaan van een vergunningenplafond. Daarmee is de Nadere regel deels ook te kwalificeren als een concretiserend besluit van algemene strekking.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een maximumaantal te verlenen standplaatsvergunningen in de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift is, en geen concretiserend besluit van algemene strekking. Dit motiveert de rechtbank als volgt.\n\n14.2.. Voor de relevante regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.\n\n14.3.. De Algemene wet bestuursrecht bevat geen definitie van het begrip ‘algemeen verbindend voorschrift’. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een algemeen verbindend voorschrift een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel is, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Een algemeen verbindend voorschrift onderscheidt zich van andere besluiten doordat het algemene abstracte regels bevat, die zich zonder nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen. Een besluit waarin nader naar plaats, tijd of object de toepassing van een in een algemeen voorschrift besloten liggende norm wordt bepaald, kan zelf geen algemeen verbindend voorschrift zijn.Tegen een algemeen verbindend voorschrift kan geen bezwaar of beroep worden ingesteld.\n\n14.4.. Een concretiserend besluit van algemene strekking bevat geen zelfstandige normstelling, maar houdt slechts de toepasselijk verklaring\u002Fconcretisering in van een in een algemeen verbindend voorschrift vervatte rechtsnorm. Het toepassingsbereik van een norm uit een algemeen verbindend voorschrift kan op verschillende manieren worden geconcretiseerd, namelijk naar tijd, plaats of object, en mogelijk ook naar persoon. Als een besluit moet worden gekwalificeerd als een concretiserend besluit van algemene strekking is het wel mogelijk om daartegen bezwaar en beroep in te stellen.\n\n14.5.. In artikel 3 van de Nadere regel is een vergunningenplafond vastgesteld en bepaald dat standplaatsvergunningen alleen worden verleend op nader aan te wijzen locaties. In artikel 3 van de Nadere regel wordt echter niet bepaald wat het maximumaantal precies is en\u002Fof op welke locaties een vergunning verkregen kan worden. Er staat alleen in voor welke type vergunning een vergunningenplafond en een bepaalde vergunningsduur geldt. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling daarom geen concretiserend besluit naar plaats, tijd of object inhoudt. De vaststelling van het maximaal aantal standplaatsvergunningen is niet in de Nadere regel zelf opgenomen, maar (impliciet) in het Aanwijzingsbesluit van het college.\n\n14.6.. Ook artikel 7 van de Nadere regel waarin is bepaald dat het college de periode vaststelt waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend, is geen concretiserende bepaling naar plaats, tijd of object en is daarom niet als een concretiserend besluit van algemene strekking aan te merken. De normen van deze artikelen zijn van toepassing op een in beginsel onbepaalde groep rechtssubjecten en lenen zich voor herhaalde toepassing. Daarmee is de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen (rechtstreeks) bezwaar en beroep mogelijk is.\n\n14.7.. Het geschil dat aan de rechtbank is voorgelegd beperkt zich tot de vraag of het bezwaar van eiser al dan niet terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Omdat het beroep zich hiertoe beperkt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het college op goede gronden een vergunningenplafond heeft mogen opnemen in de Nadere regel. Alleen in een procedure gericht tegen het besluit van 17 december 2024 waarbij aan eiser een nieuwe standplaatsvergunning is verleend, had een exceptieve toetsing van de Nadere regel aan de orde kunnen komen. Dat besluit ligt hier niet voor. Het college heeft het bezwaar tegen de Nadere regel daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHeeft het college terecht afgezien van het horen van eiser?\n\n15. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen op grond van artikel 7:3, onder a van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het college niet zonder enige twijfel heeft kunnen concluderen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Als het juist is dat in de Algemene Plaatselijke Verordening geen vergunningenplafond was opgenomen, had het college niet zonder twijfel kunnen concluderen dat het bezwaarschrift was gericht tegen een niet-appellabel besluit.\n\n15.1.. Het college betoogt dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat eiser zijn bezwaar heeft gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift en dat het bezwaar daardoor terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht daarom niet is geschonden.\n\n15.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Als hoofdregel geldt dat een bestuursorgaan in de bezwaarprocedure een belanghebbende moet horen, zo volgt uit artikel 7:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien. Eén van de gevallen die daarin worden genoemd is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet kunnen oordelen dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van eiser, omdat discussie mogelijk is over de vraag of de Nadere regel is aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift of een concretiserend besluit van algemene strekking. Het college heeft dus niet kunnen afzien van het horen van eiser. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, maar is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Naar aanleiding van het bestreden besluit heeft hij in beroep namelijk alsnog de gelegenheid gekregen om zijn standpunten verder toe te lichten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Het gebrek is wel reden voor de toekenning van een proceskostenvergoeding voor deze beroepszaak.\n\nTussenconclusie\n\n16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren in stand blijft.\n\nZaaknummer UTR 24\u002F6484 – het Aanwijzingsbesluit\n\nHet bestreden besluit III: wat heeft het college beslist?\n\n17. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het Aanwijzingsbesluit. Eiser is het niet eens met het vergunningenplafond voor standplaatsen. Dit vergunningenplafond staat echter niet in het Aanwijzingsbesluit, zodat eisers bezwaar in zoverre ongegrond is.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n18. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep van eiser ziet op de vraag of het vergunningenplafond voor standplaatshouders in het Aanwijzingsbesluit is vastgelegd of op andere wijze, en of hij daartegen kan opkomen. Daarmee heeft eiser een belang bij zijn beroep. Of het beroep van eiser kans van slagen heeft, is niet bepalend voor de vraag of hij procesbelang heeft.\n\nIntrekken beroepsgrond\n\n19. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond dat het college in het Aanwijzingsbesluit ten onrechte meerdaagse vergunningen heeft gehandhaafd, op de zitting heeft ingetrokken. Dit punt vormt daarom geen onderdeel meer van het beroep en wordt niet verder besproken.\n\nBevat het Aanwijzingsbesluit een vergunningenplafond?\n\n20. Eiser voert aan dat het vergunningenplafond dat voor Vleuten geldt, anders dan het college stelt, niet is opgenomen in artikel 3 van de Nadere Regel, maar in het Aanwijzingsbesluit. Het Aanwijzingsbesluit geeft namelijk aan voor welke locaties wel en voor welke locaties niet een standplaatsvergunning kan worden verleend. Door het Aanwijzingsbesluit zijn er maximaal zeven standplaatsvergunningen beschikbaar in Vleuten en maximaal 102 in Utrecht. Met het Aanwijzingsbesluit heeft het college dus bepaald dat er nu een vergunningenplafond geldt in Vleuten en in Utrecht. Het vergunningenplafond in het Aanwijzingsbesluit is daarom een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen rechtsmiddelen openstaan.\n\n20.1.. Eiser voert verder aan dat het vergunningenplafond in het Aanwijzingsbesluit niet bevoegd is vastgesteld. Artikel 5:13, derde Algemene Plaatselijke Verordening geeft enkel aan het college de opdracht om te bepalen op welke locaties standplaatsen ingenomen mogen worden. Het college heeft daarom het geldende maximumstelsel onbevoegd vastgesteld. Volgens eiser is het invoeren van een maximumstelsel voor heel Utrecht ook niet noodzakelijk en evenredig. Er zijn in Vleuten aan de [straat] geen problemen in de openbare ruimte. Het college had voor het vaststellen van de noodzaak van een vergunningenplafond de situatie per wijk moeten onderzoeken en niet een vergunningenplafond voor heel Utrecht mogen vaststellen. Mochten er over vijf jaar problemen in de openbare ruimte in een deel van Utrecht zijn, dan kan de gemeente dan alsnog voor dat deel een vergunningenplafond instellen.\n\n20.2.. De rechtbank is van oordeel dat het vergunningenplafond niet is opgenomen in het Aanwijzingsbesluit. Het vergunningenplafond is vastgelegd in artikel 3 van de Nadere regel, die op grond van artikel 5:13, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening is vastgesteld. In het Aanwijzingsbesluit zijn slechts de locaties aangewezen waarvoor een standplaatsvergunning verkregen kan worden. Het Aanwijzingsbesluit vermeld daarbij hoeveel standplaatsvergunningen voor die locatie beschikbaar zijn. Dat zegt hooguit (impliciet) iets over de hoogte van het plafond, maar niet over het bestaan van het plafond. Het vergunningenplafond als zodanig is dus niet in het Aanwijzingsbesluit vastgesteld.\n\n20.3.. Omdat in het Aanwijzingsbesluit geen vergunningenplafond is opgenomen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden van eiser over de rechtmatigheid van het vastgestelde vergunningenplafond. Deze gronden vallen buiten de omvang van het besluit dat hier voorligt.\n\nOntbreken motivering\n\n21. Eiser voert aan dat in het besluit de motivering voor de invoering van het Aanwijzingsbesluit met terugwerkende kracht ontbreekt en daarvoor ook geen dringende reden is.\n\n21.1.. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld op 21 juni 2024 en met terugwerkende kracht tot 4 juni 2024 in werking gestreden. Op basis van dat besluit heeft de eerste inschrijving voor standplaatshouders plaatsgevonden op 21 september 2024, dus ruim nadat het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld. Daarbij heeft eiser met het besluit van 17 december 2024 voor zijn locatie een nieuwe standplaatsvergunning gekregen die geldig is voor 15 jaar. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij gevolgen heeft ondervonden van het met terugwerkende kracht in werking treden van het Aanwijzingsbesluit. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangetoond dat er in de periode van 4 juni 2024 tot 21 juni 2024 vergunningen zijn aangevraagd of besluiten zijn genomen op grond van het Aanwijzingsbesluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit I, II en II van het college in stand blijven. De geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser hoeft dus niet te worden aangepast.\n\n23. Aangezien de rechtbank in het beroep UTR 24\u002F5432 toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond\n\ndraagt het college in het beroep UTR 24\u002F5432 op het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in het beroep UTR 24\u002F5432 in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, mr. M. van der Knijff en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nDe rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nIngevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening Artikel 5:13 Straathandel\n\nHet is verboden zonder vergunning van het college, in de uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren op een op een openbare plaats of op of aan een openbaar water.\n\nHet college kan in het belang van de openbare orde en veiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente nadere regels stellen ten aanzien van de straathandel.\n\n(…)\n\nNadere regel\n\nArtikel 3 Vergunningenplafond\n\n1. Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van overlast in de openbare ruimte is het aantal dag- en seizoenstandplaatsen en de incidentele standplaatsen binnenstad gelimiteerd. Een vergunning voor een dagstandplaats, seizoenstandplaats of incidentele standplaats binnenstad wordt alleen verleend voor de aangewezen locaties zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit.\n\n2. Op grond van artikel 5:13 van de verordening wordt in deze tabel aangegeven de categorie standplaats waarvoor een vergunning kan worden verleend, het vergunningenplafond en de maximale vergunningsduur:\n\n Categorie\n\nVergunningenplafond\n\nMaximale vergunningsduur\n\nMobiel verkooppunt\n\nnee\n\n2 maanden\n\nIncidentele standplaats buiten binnenstad\n\nnee\n\n3 dagdelen\n\nIncidentele standplaats binnenstad\n\nnee\n\n3 dagdelen\n\nDagstandplaats\n\nja\n\n15 jaar\n\nSeizoenstandplaats\n\nja\n\n15 jaar\n\nArtikel 7 Bekendmaking mogelijkheid aanvragen vergunning dag- en seizoenstandplaats\n\n1. Het college stelt de periode vast waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend. Hiervan wordt minimaal mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Hierin wordt in ieder geval aangegeven:\n\na. een omschrijving van de vrijgekomen kavel en alle kenmerken van de kavel zoals in het aanwijzingsbesluit is opgenomen. Hierbij wordt een kaart van de locatie bijgevoegd;\n\nb. binnen welk tijdvak geïnteresseerden een aanvraag kunnen indienen;\n\nc. binnen welk tijdvak een aanvrager eventuele gebreken op het aanvraagformulier kan herstellen;\n\nd. op welke datum de uitslag van de procedure wordt bekendgemaakt;\n\ne. op welke wijze met gebruikmaking van een (digitaal) aanvraagformulier, een aanvraag kan worden ingediend;\n\nf. welke gegevens bij de aanvraag moeten worden gevoegd om als volledig te worden aangemerkt en;\n\ng. op welke wijze de selectie plaats zal vinden.\n\n2. Het college stelt een (digitaal) aanvraagformulier vast dat moet worden gebruikt voor de vergunningaanvraag.\n\n3. Vergunningaanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen moeten worden ingediend in het tijdvak als bedoeld onder lid 1 van dit artikel.\n\n4. Per kavel kan maximaal één vergunning verleend worden.\n\n Gemeenteblad 26 juni 2024, 277630.\n\n Gemeenteblad 26 juni 2024, 277377.\n\n Richtlijn 2006\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:2892\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2910.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 en de uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2305.\n\n Adviesrapport maximumstelsel standplaatsen Utrecht van 18 januari 2024.\n\n De resultaten daarvan zijn neergelegd in het Adviesrapport branchering standplaatsen Utrecht van 6 oktober 2023 van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] .\n\n Zie artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:595 en 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1067.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3893","ecli-nl-rbmne-2026-3893",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]