[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-3806":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-3806":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1017","ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","",73,"Alkmaar","alkmaar","2026-04-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummers: 12107695 \\ KG EXPL 26-25 en 12133212 \\ KG EXPL 26-43\n\nVonnis in kort geding van 10 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,\n\ngevestigd in Alkmaar ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Woonwaard,\n\ngemachtigden: mr. K. Straathof, mr. M.J. Dekker en mr. K. Hollenberg,\n\nin de zaak- rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 tegen:\n\n1. [gedaagde 1 (26-25)] ,\n\n2. [gedaagde 2 (26-25)],\n\nbeiden wonende in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden (26-25)] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Weel.\n\nen in de zaak- rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 tegen:\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\n3. [gedaagde 3],\n\n4. [gedaagde 4],\n\n5. de besloten vennootschap VAN AMERONGEN BEWINDVOERING B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 1],\n\nniet verschenen,\n\n6. [gedaagde 6],\n\n7. [gedaagde 7]en[gedaagde 7],\n\n8. [gedaagde 8],\n\n9. [gedaagde 9],\n\n10. [gedaagde 10]en [gedaagde 10],\n\n11. [gedaagde 11],\n\n12. [gedaagde 12],\n\n13. [gedaagde 13]en [gedaagde 13],\n\n14. [gedaagde 14],\n\n15. [gedaagde 15]en[gedaagde 15],\n\n16. [gedaagde 16],\n\n17. [gedaagde 17]\n\n18. [gedaagde 18],\n\n19. [gedaagde 19],\n\n20. [gedaagde 20],\n\n21. [gedaagde 21] ,\n\n22. [gedaagde 22],\n\n23. de besloten vennootschap BERGEN BEWIND B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 2],\n\n24. [gedaagde 24],\n\n25. [gedaagde 25],\n\n26. [gedaagde 26],\n\n27. [gedaagde 27],\n\nniet verschenen,\n\n28. [gedaagde 28],\n\nniet verschenen,\n\n29. [gedaagde 29],\n\nniet verschenen,\n\n30. [gedaagde 30],\n\nniet verschenen,\n\n31. [gedaagde 31],\n\nniet verschenen,\n\n32. [gedaagde 32],\n\nallen wonende\u002Fgevestigd in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de bewoners,\n\nprocederend in persoon, dan wel procederend in persoon vertegenwoordigd door [gedaagde 1] .\n\nTen behoeve van de leesbaarheid worden de zaken in de rest van het vonnis als volgt aangehaald: de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 als 26-25 en de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 als de zaak 26-43.\n\nGedaagden zullen hierna zowel in de zaak 26-25 als in de zaak 26-43 gezamenlijk de bewoners genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak wil een verhuurder (Woonwaard) met het oog op verduurzaming de woningen in een wooncomplex in [plaats] aansluiten op het warmtenet. Een deel van de bewoners van het wooncomplex wil daaraan niet meewerken. Daarom vordert de verhuurder in kort geding medewerking van deze bewoners aan de werkzaamheden die volgens de verhuurder dringend zijn. De kantonrechter wijst de vordering van de verhuurder toe. De kantonrechter oordeelt dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn en niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld (de verhuurder moet nu verduurzamen), dat de verhuurder bij de uitvoering van deze werkzaamheden een spoedeisend en zwaarwegend belang heeft en dat dit belang prevaleert boven de belangen van de bewoners.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier in de zaak 26-25 bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 20,\n\nde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,\n\nde aanvullende producties 21 tot en met 29 van de zijde van Woonwaard,\n\nde aanvullende producties 30 tot en met 32 van de zijde van Woonwaard.\n\n1.2.. Het dossier in de zaak 26-43 bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding van 23 maart 2026 met producties 1 tot en 24,\n\n- de overgelegde producties 1 tot en met 15 van de zijde van de bewoners, - de conclusie van antwoord, versie 28 maart 2026, met productie 16,\n\n- de aanvullende producties 25 tot en met 27 van de zijde van Woonwaard, - de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden.1.3.. De gelijktijdige mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. De gemachtigden van Woonwaard, [gedaagden (26-25)] en [gedaagde 1] namens de bewoners hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.\n\n1.4.. In zaak 26-43 heeft Woonwaard haar vordering ten aanzien van gedaagden, [gedaagde 27] (gedaagde sub 27), [gedaagde 30] (gedaagde sub 30) en [gedaagde 31] (gedaagde sub 31) ingetrokken.\n\n1.5.. Partijen hebben op vragen van de kantonrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde 1] met instemming van partijen nog drie dagen de tijd gegeven om een machtiging van de bewindvoerders van [naam 1] (gedaagde sub 5) en [naam 2] (gedaagde sub 23) in de zaak 26-43 te overleggen. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] een machtiging van de bewindvoerder van [naam 2] in de zaak 26-43 overgelegd. Tegen de niet verschenen gedaagden is verstek verleend.\n\n1.6.. Tot slot is vonnis in de zaken 26-25 en 26-43 bepaald op 14 april 2026, of zoveel eerder als mogelijk.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woonwaard is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Zij is werkzaam op het gebied van volkshuisvesting en is eigenaar van ongeveer 17.000 woningen.\n\n2.2.. De bewoners zijn allen huurders van woningen die onderdeel uitmaken van het [complex] in [plaats] (hierna: [complex] of het wooncomplex). [complex] bestaat uit totaal 93 appartementen en 13 bedrijfsruimten en is gelegen in de [buurt] in de [wijk] .\n\n2.3.. Op alle afzonderlijke huurovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van Woonwaard van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Woonwaard wil haar woningen in (onder meer) [complex] verduurzamen. Hiervoor moeten werkzaamheden worden uitgevoerd. Het gaat om de aansluiting van de woningen op het warmtenet van HVC, waarvoor de cv-ketels en gasmeters uit de woningen worden weggehaald en een warmte-unit wordt geplaatst en aangesloten op het warmtenet.\n\n2.5.. Voor deze werkzaamheden ontvangt Woonwaard een subsidie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) in het kader van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (hierna: SAH). De subsidie bedraagt € 3.922,50 per woning en verkrijgt Woonwaard alleen als de werkzaamheden vóór 1 mei 2026 zijn uitgevoerd.\n\n2.6.. In verband met de voorgenomen aansluiting heeft Woonwaard op 12 april 2024 alle bewoners uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op 30 april 2024 over aansluiting op het warmtenet. De bijeenkomst heeft op 30 april 2024 plaatsgevonden.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze bijeenkomst heeft Woonwaard een nieuwsbrief aan alle bewoners gestuurd. In januari 2025 heeft Woonwaard vervolgens een informatiebrochure naar alle bewoners gestuurd waarin de praktische en financiële consequenties voor de bewoners uiteen zijn gezet.\n\n2.8.. Op 8 april 2025 heeft Woonwaard het definitieve besluit genomen om alle woningen van [complex] aan te sluiten op het warmtenet. Dit is bij brief van 9 april 2025 aan alle bewoners medegedeeld. Ook is in deze brief uitleg gegeven over het warmtenet en de te maken stappen voor aansluiting daartoe, waaronder een huisbezoek.\n\n2.9.. Woonwaard heeft daarnaast op 11 april 2025 een flyer over het huisbezoek op verschillende plekken in het wooncomplex opgehangen.\n\n2.10.. \n\nWoonwaard heeft op 11 juli 2025 vervolgens aangekondigd dat zij vanaf\n\n18 augustus 2025 zou beginnen met de voorbereidende werkzaamheden in het complex. Hierin is ook aangekondigd dat zij verwacht in het eerste kwartaal 2026 te kunnen starten met de werkzaamheden in de woning.\n\n2.11.. In oktober 2025 zijn de bewoners per brief ingelicht over huisbezoeken aan het gehuurde. Deze huisbezoeken hebben in november 2025 plaatsgevonden.\n\n2.12.. De SAH is per 1 januari 2026 vervallen.\n\n2.13.. In januari 2026 heeft Woonwaard per adres aangekondigd wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd.\n\n2.14.. De bewoners hebben aangegeven niet te willen meewerken aan de uitvoering van de werkzaamheden door en namens Woonwaard. Onder andere bij brief van 12 en 18 februari 2026 zijn de bewoners gesommeerd vrijwillig mee te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden. Daaraan hebben zij geen gehoor gegeven.\n\n2.15.. Tot op heden is ongeveer twee derde van de woningen in het wooncomplex aangesloten op het warmtenet. De woningen van de bewoners zijn tot op heden niet op het warmtenet aangesloten.\n\n3. Het geschil\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43:\n\n3.1.. Woonwaard vordert op grond van artikel 7: [nummer 21] Burgerlijk Wetboek (BW) medewerking van de bewoners aan de aansluiting op het warmtenet, waartoe volgens Woonwaard de volgende (dringende) werkzaamheden moeten worden verricht: het weghalen van de cv-ketel, het plaatsen van de warmte-unit, het aansluiten van de warmte-unit op het verwarmingssysteem in de woning, het vervangen van de radiator in de keuken en woonkamer, het vervangen van de radiatorknoppen in alle ruimtes, het aanbrengen van roosters in de vensterbanken (indien nodig), het maken van een perilex stopcontact en een extra groep in de meterkast (als dit nog niet is gebeurd), het weghalen van de gasmeter (door Liander) en het maken van planken in de stookruimte (als de bewoners daarvoor gekozen hebben). Woonwaard vordert daarom van de kantonrechter – enigszins samengevat – bij wijze van voorlopige voorziening:\n\nI. (hoofdelijke) veroordeling van elk van de individuele bewoners om binnen één dag na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de dringende werkzaamheden in en aan de woning inclusief aanhorigheden die de bewoners van Woonwaard huren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom;\n\nII. veroordeling van elk van de individuele bewoners om voor de duur van de werkzaamheden de woning te ontruimen en ontruimd te houden, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwaard te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIII. de bewoners hoofdelijk, in zowel zaak 26-25 als zaak 26-43, te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. De bewoners voeren hiertegen gemotiveerd verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Woonwaard in de proceskosten. Voor zover enige voorziening wordt overwogen verzoeken zij:\n\nin de zaak 26-25\n\nI. de aanleg van het warmtenet in de woning van [gedaagden (26-25)] voor (on)bepaalde duur op te schorten;\n\nVoor zover de rechtbank van oordeel is dat de werkzaamheden aan het warmtenet doorgang dient te vinden:\n\nII. te bepalen dat [gedaagden (26-25)] niet meer zullen betalen dan hun huidige energielasten, althans dat eventuele meerkosten volledig door Woonwaard wordt gecompenseerd;\n\nIII. te bepalen dat voorafgaand aan de werkzaamheden voor de aanleg van het warmtenet de gebreken aan de woning worden vastgesteld en hersteld;\n\nIV. de veroordeling te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden;\n\nV. geen dwangsom vast te stellen;\n\nVI. de vordering tot tijdelijke ontruiming van de woning en afgifte van sleutels af te wijzen;\n\nVII. te bepalen dat de werkzaamheden dienen aan te vangen vanaf 10:00 uur.\n\nin de zaak 26-43\n\nI. te bepalen dat de voorgenomen werkzaamhedenworden opgeschort totdat in een bodemprocedure duidelijkheid bestaat dan wel rechtsgeldige instemming is verkregen, zodat de bewoners hun rechten kunnen uitoefenen en eventuele schade of beperkingen kunnen worden voorkomen;\n\nII. te bepalen dat de bewoners niet gehouden zijn de woning tijdelijk te ontruimen of sleutels af te geven, en dat werkzaamheden dienen plaats te vinden terwijl de bewoners in de woning verblijven en zelf toegang verlenen, om de redelijkheid en veiligheid te waarborgen tijdens de uitvoering;\n\nIII. te bepalen dat, ook indien sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, Woonwaard gehouden blijft om werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast die zich in de algemene ruimte bevindt, maar exclusief gekoppeld is aan de individuele woning, tijdig en schriftelijk aan te kondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen;\n\nIV. te bepalen dat Woonwaard zonder voorafgaande schriftelijke aankondiging van minimaal vijf werkdagen en zonder toestemming van gedaagden geen toegang verkrijgt tot de woning, waaronder de meterkast, behoudens aantoonbare acute calamiteiten, ter waarborging van naleving en bescherming van de belangen van de bewoners;\n\nV. te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per overtreding voor iedere keer dat zonder voorafgaande aankondiging en zonder toestemming werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast, worden verricht; alsmede te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 150,00 per dag (of gedeelte daarvan) voor iedere dag dat de bewoners, in strijd met het vonnis, afgesloten zijn of worden gehouden van essentiële voorzieningen, waaronder gas, verwarming en warm water, dan wel dat de cv-installatie is verwijderd, buiten werking is gesteld of niet functioneert, met een maximum van € 10.000 per woning, een en ander na betekening van het vonnis, althans naar de kantonrechter begrijpt een in goede justitie te bepalen dwangsom.3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De aard van een kort geding brengt mee dat toewijzing van de gevorderde voorziening, die in de kern neerkomt om het verlenen van medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, afhankelijk is van een belangenafweging. Mede gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, neemt de kantonrechter bij deze belangenafweging in elk geval het voorlopig oordeel over de aard en kwalificatie van de werkzaamheden, de spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening, het ingrijpende en onomkeerbare karakter van de voorziening en de wederzijdse belangen in aanmerking. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij geen uitspraak doet over de vraag of de aansluiting op het warmtenet al dan niet wenselijk is. Zij beslist alleen of, met inachtneming van het hiervoor genoemd kader, over de vraag of het Woonwaard moet worden toegestaan de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet in de woningen van de betrokken bewonersin [complex] uit te voeren. Die vraag beantwoordt zij bevestigend. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\nde zaken lenen zich voor kort geding\n\n4.2.. De bewoners stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat deze zaken zich niet lenen voor een beoordeling in kort geding, omdat de gevraagde voorziening een definitief en onomkeerbaar karakter heeft. Na verwijdering van de cv-installatie en de gasaansluiting is terugkeer naar de oude situatie feitelijk uitgesloten. Bovendien bestaat er tussen partijen een fundamenteel verschil van mening over onder meer de kwalificatie van de werkzaamheden en de gevolgen van de aansluiting op het warmtenet voor de bewoners.\n\n4.3.. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Dat toewijzing van de gevraagde voorziening leidt tot feitelijke gevolgen die niet of alleen met veel moeite of tegen hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt, maakt op zichzelf genomen niet dat deze zaken op voorhand ongeschikt moeten worden geacht voor een beoordeling en beslissing in kort geding. Wel is dit een element dat, zoals hierboven al weergegeven, een rol speelt in de afweging bij de vraag of de gevraagde voorziening toewijsbaar is. Het belangrijkste punt van discussie tussen partijen betreft in de kern een juridische vraag, namelijk de vraag of sprake is van dringende werkzaamheden. Daarbij speelt in de zaak van [gedaagden (26-25)] de bijkomende vraag of de beoogde werkzaamheden moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden. Deze juridische vraag kan worden beantwoord in kort geding en partijen hebben daarover ook, zowel in hun schriftelijke stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling als op de mondelinge behandeling, een standpunt kunnen innemen. Op deze standpunten baseert de kantonrechter de beslissing. Daarbij beschikt de kantonrechter met alle stukken die partijen hebben verstrekt ook overigens over voldoende informatie om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen.\n\ner is sprake van dringende werkzaamheden en niet van renovatie\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de huurder gelegenheid moet geven om dringende werkzaamheden aan de woning uit te voeren.Een huurder moet deze werkzaamheden dus gedogen. Dringende werkzaamheden zijn werkzaamheden die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Het nadeel kan bestaan uit schade, maar bijvoorbeeld ook uit extra kosten. De huurder moet ook renovatiewerkzaamheden aan de woning gedogen, als de verhuurder daartoe een redelijk renovatievoorstel heeft gedaan aan de huurder.Van renovatie is (onder meer) sprake bij gedeeltelijke vernieuwing van de woning door veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot objectief gezien toeneemt.\n\n4.5.. Namens [gedaagden (26-25)] is betoogd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden, omdat deze diep ingrijpen op de woning, de installatie, het gebruik en het comfortregime. Daarbij wijzen de bewoners er op dat ook Woonwaard zelf uitgaat van de voordelen van verduurzaming, zoals comfort en toekomstbestendigheid en bijvoorbeeld een beter energielabel. Volgens Woonwaard kwalificeren de werkzaamheden uitdrukkelijk niet als renovatie, omdat deze niet zijn gericht op toename van het woongenot. De aansluiting op het warmtenet leidt daar volgens Woonwaard niet toe. Het gaat simpelweg om het vervangen van het ene verwarmingssysteem door het andere verwarmingssysteem, zonder dat daaraan noemenswaardige voor- of nadelen kleven voor een huurder, waartoe Woonwaard onder meer verwijst naar de rapporten van de door haar ingeschakelde deskundige [technisch adviesbureau] .Er worden volgens Woonwaard geen andere werkzaamheden uitgevoerd dan het aansluiten van de woningen op het warmtenet en, zo nodig, het vervangen van radiatoren en de woningen hebben al een goed energielabel, variërend van (in een paar gevallen) B tot A++. Bijkomende werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, zijn niet nodig en worden dus niet verricht.\n\n4.6.. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat werkzaamheden die zijn gericht op toename van het woongenot kwalificeren als renovatiewerkzaamheden. In dat geval gelden andere regels dan voor het verrichten van (alleen) dringende werkzaamheden. Een verhuurder moet in zo’n geval immers een redelijk voorstel doen en mag er daarbij bovendien voor kiezen om de huur te verhogen. Niet iedere werkzaamheid die mede leidt tot een toename van woongenot moet echter worden gekwalificeerd als renovatie. Ook het uitvoeren van enkel dringende werkzaamheden kan immers mede tot gevolg hebben dat sprake is van toegenomen woongenot, zonder dat de werkzaamheden daar primair op zijn gericht. Daarbij valt te denken aan de situatie van dringende reparaties of preventief onderhoud. De wet beperkt het begrip dringende werkzaamheden niet tot deze situaties. Ook bijvoorbeeld het uitvoeren van energiebesparende maatregelen, zoals hier aan de orde is, kan onder dat begrip worden gebracht. De aansluiting op het warmtenet die in dit geval plaatsvindt moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel die primair is gericht op het voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen en -verplichtingen van Woonwaard en het nakomen van de door Woonwaard daarover gemaakte afspraken, en niet als een maatregel die primair is gericht op het vermeerderen van het wooncomfort van de bewoners.Om die reden is in dit geval sprake van dringende werkzaamheden in de zin van de wet. Hoewel niet uitgesloten is dat de werkzaamheden ook hier een toegenomen wooncomfort tot gevolg zullen hebben (hoewel de bewoners daaraan twijfelen), leidt dat dus niet tot de conclusie dat sprake is van renovatie. Van bijkomende werkzaamheden die objectief gezien wel zijn gericht op het vermeerderen van het woongenot, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, is geen sprake, zoals Woonwaard heeft toegelicht.\n\n4.7.. Hoewel sprake is van een voorlopig oordeel in kort geding, realiseert de kantonrechter zich dat dit een oordeel is dat voor bewoners ingrijpende gevolgen kan hebben en dat zij zich daardoor geconfronteerd kunnen zien met een warmtevoorziening waar zij grote zorgen over hebben. De kantonrechter hecht er echter aan op te merken dat alleen een oordeel wordt gegeven over de aard van de werkzaamheden in deze specifieke zaak. In elk geval waarin een verhuurder verduurzamingsmaatregelen wil treffen en daartoe wil overgaan op bijvoorbeeld aansluiting op het warmtenet, zal steeds moeten worden nagegaan of inderdaad sprake is van (alleen) dringende werkzaamheden in de zin van de wet, en niet (ook) renovatie. Het oordeel in deze zaak betekent dus niet dat per definitie ieder ander geval ook kwalificeert als het verrichten van dringende werkzaamheden, zeker niet als de werkzaamheden in die andere gevallen niet primair zijn gericht op verduurzaming en deze werkzaamheden worden uitgevoerd samen met andere werkzaamheden gericht op vermeerdering van het woongenot. Ook staat het iedere verhuurder vrij om, ook als alleen sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, desondanks te kiezen voor de weg van het redelijk renovatievoorstel om de acceptatie onder de betrokken bewoners te vergroten.\n\n4.8.. Omdat in dit geval sprake is van dringende werkzaamheden en niet van renovatiewerkzaamheden, wordt aan de vraag of aan de bewoners een redelijk voorstel is gedaan niet toegekomen.\n\nde werkzaamheden zijn noodzakelijk en kunnen niet zonder nadeel worden uitgesteld\n\n4.9.. Woonwaard heeft de noodzaak tot het verrichten van de dringende werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet goed uitgelegd. Verduurzaming is voor Woonwaard geen keuze, maar zij is daartoe daadwerkelijk gehouden. Niet alleen op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, maar ook op basis van haar eigen Duurzaamheidsbeleid 2026-2030,de [plaats] Warmtevisie en de bindende prestatieafspraken die zij op grond van de Woningwet als toegelaten instelling verplicht is te maken met de gemeente. Om aan de landelijke doelen te voldoen moeten in 2050 alle woningen in [plaats] volledig aardgasvrij zijn en daarvoor moeten de gemeente en de corporaties, in samenwerking met de andere betrokken partijen, een strakke planning en gemeentelijke (sub)doelstellingen hanteren. Daarbij staat vast dat op korte termijn de wijken [buurt] en [wijk] helemaal aardgasvrij moeten zijn.Er is voor Woonwaard geen ruimte om te onderhandelen of om andere keuzes te maken, zelfs als zij dat zou willen. Die ruimte heeft zij ook niet bij de totstandkoming van de nieuwe prestatieafspraken (op grond van de Woningwet) met de gemeente voor de periode 2026-2030. Bepalend voor deze afspraken zijn immers, naast de landelijke doelstellingen uit het Klimaatakkoord, onder meer de Woonvisie [plaats] 2040 en de [plaats] Warmtevisie 2025, waarin het uitgangspunt van 1.600 bestaande woningen per jaar aardgasvrij maken onverkort is gehandhaafden waarin [wijk] en [buurt] als eerste en belangrijkste startbuurt zijn aangewezen. Tegen deze achtergrond is de aansluiting van [complex] op het warmtenet dan ook noodzakelijk en onvermijdelijk. Daarbij geldt dat aan Woonwaard als eigenaar van de woningen in beginsel de vrijheid toekomt om een keuze te maken tussen de verschillende verduurzamingsmaatregelen, en dus te kiezen welk systeem van warmtevoorziening zij het meest geschikt acht. In dat kader is van belang dat zij als toegelaten instelling zorgvuldig en verantwoord moet omgaan met gemeenschapsgeld en dus financiële overwegingen daarin een belangrijke rol mag laten spelen.Van belang is verder dat inmiddels ongeveer 80% van de hele wijk aardgasvrij is en dat ongeveer 66% van de woningen in het wooncomplex van de bewoners is aangesloten op het warmtenet. Om haar doelstellingen te halen moet Woonwaard daarom ook de overige bewoners in het complex, degenen waar het in deze zaken om gaat, op het warmtenet kunnen aansluiten.\n\n4.10.. Naast een goede uitleg over de noodzaak van de werkzaamheden heeft Woonwaard ook voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat dit nadeel in de eerste plaats is gelegen in het niet behalen van de klimaatdoelstellingen en de verplichtingen die in dat kader op Woonwaard rusten. Daarnaast is echter ook sprake van aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel. In het geval van dringende werkzaamheden moet onder nadeel ook worden begrepen het mislopen van subsidie, extra kosten of het mislopen van voordeel door werkzaamheden projectmatig uit te voeren. Dat is hier aan de orde. Woonwaard heeft subsidie aangevraagd en aan haar is ook subsidie verleend voor de aansluiting van de woningen op het warmtenet op basis van op grond van de – inmiddels vervallen – SAH. Deze subsidie is verleend voor in totaal 594 woningen voor een totaalbedrag van € 2.329.965,00, dus € 3.922,50 per woning. Daarbij is de helft van het subsidiebedrag bij wijze van voorschot uitgekeerd en zal de andere helft worden uitgekeerd als is voldaan aan de voorwaarde dat de woningen volledig aardgasvrij zijn. Woonwaard heeft geen ruimte om de aansluiting op het warmtenet (verder) uit te stellen, de aansluiting op het warmtenet van deze bewoners achterwege te laten dan wel te kiezen voor een ander verwarmingssysteem. De subsidie betreft immers nadrukkelijk de aansluiting op het warmtenet en is verleend voor specifieke adressen (waaronder de woningen van de bewoners in deze zaken). Toegelicht is dat inmiddels op alle adressen waarvoor subsidie is verleend de aansluiting op het warmtenet is uitgevoerd, behalve bij deze bewoners. Woonwaard is op grond van de subsidiebeschikking bovendien verplicht de aansluiting op het warmtenet te realiseren binnen vijf jaar na de aanvraagdatum van 1 mei 2020, met een verlengingsmogelijkheid van een jaar. Deze (verlengde) periode is inmiddels bijna verstreken. Kortom, als Woonwaard de aansluiting op het warmtenet van de bewoners niet vóór 1 mei 2026 realiseert, loopt zij een reëel risico de daarvoor verleende subsidie mis te lopen, wat alleen daarom al leidt tot veel hogere kosten. Op de mondelinge behandeling is daarover namens de bewoners nog gesteld dat als Woonwaard deze subsidie misloopt zij mogelijk aanspraak zou kunnen maken op een andere subsidie, gelet op de toezeggingen van het nieuwe kabinet. Dit betreft echter niet meer dan een enkele toezegging. Van Woonwaard kan, gelet op haar doelstellingen en verplichtingen op korte en op langere termijn op het gebied van verduurzaming, niet worden gevergd de huidige toegekende subsidieaanspraak te laten lopen en af te wachten of zij misschien op basis van een eventuele nieuwe regeling in de toekomst opnieuw aanspraak zou kunnen maken op subsidie, met alle onzekere gevolgen van dien.\n\n4.11.. Naast het mislopen van subsidie heeft het niet aansluiten van deze bewoners bovendien ook andere nadelige gevolgen. Het projectmatig en in een aaneengesloten stroom aansluiten van de bewoners van het wooncomplex op het warmtenet is dan immers niet meer mogelijk, wat onder meer leidt tot hogere kosten voor de aannemer. Deze kosten zijn begroot op een bedrag van ongeveer € 1.800,00 per bewoner,zodat het niet (tijdig) aansluiten op het warmtenet per woning in totaal ongeveer € 5.700,00 kost. Daarbij is, zoals Woonwaard op de mondelinge behandeling heeft toegelicht, nog geen rekening gehouden met eventuele extra personeelskosten van Woonwaard en schade door huurderving. Dat is, anders dan namens de bewoners is betoogd, een concreet en aannemelijk nadeel dat in een geval als dit zwaar weegt. Woonwaard is immers niet zomaar een bedrijf dat een ondernemersrisico loopt, maar is een toegelaten instelling die maatschappelijk verantwoord met gemeenschapsgeld moet omgaan. Tot slot heeft Woonwaard ook een rol mogen laten spelen dat de levensduur van de cv-installaties van de bewoners ergens in de komende jaren mogelijk tot een einde komt, gelet op de gemiddelde levensduur van dergelijke installaties, ook al doen zich nu nog geen technische problemen of defecten voor. Van Woonwaard kan niet worden verwacht dat zij de werkzaamheden uitstelt tot dat de levensduur van de cv-installaties daadwerkelijk zijn verstreken of dat zij tegen die tijd nieuwe cv-ketels ophangt. Dat verdraagt zich niet met klimaatdoelstellingen en de op haar rustende verduurzamingsverplichtingen.\n\n4.12.. De bewoners hebben terecht de vraag aan de orde gesteld of Woonwaard zichzelf niet in deze situatie heeft gebracht met de door haar gekozen aanpak van de verduurzamingsmaatregelen, waarbij zij onder meer wijzen op het in een vroegtijdig stadium aanvragen van subsidie voor een groot aantal woningen. Deze vraag is ook op de mondelinge behandeling aan de orde gekomen en Woonwaard heeft daarop een overtuigende toelichting gegeven. Het Klimaatakkoord uit 2019, met de daarin neergelegde klimaatdoelstelling, en de daaruit voortvloeiende subsidieregeling waren voor alle partijen, en dus ook voor Woonwaard, op het moment van het aanvragen van de subsidie een relatief nieuw en onbekend fenomeen. Duidelijk was al wel dat er verduurzaming op grote schaal moest plaatsvinden en Woonwaard wilde niet het risico lopen dat de regeling zou vervallen, waardoor zij subsidie zou mislopen. Daarom heeft zij de keuze gemaakt om de subsidie voor 594 woningen tegelijk aan te vragen. Op dat moment kon zij redelijkerwijs niet voorzien dat de ruime subsidietermijn van vijf jaar niet zou worden gehaald. Niet voorzienbaar was dat de feitelijke uitvoering vanwege maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen (waaronder ook het gezamenlijk optrekken met de gemeente, HVC, Liander en aannemer Hemubo) zoveel meer tijd in beslag zou nemen dan verwacht.\n\n4.13.. Ook heeft Woonwaard toegelicht dat zij er inderdaad al in juni 2024 door het indienen van een petitie van op de hoogte was dat niet alle bewoners van het wooncomplex achter de aansluiting op het warmtenet stonden, maar dat zij er niettemin voor heeft gekozen om pas in een laat stadium, kort voor het verstrijken van de verlengde subsidietermijn, een juridische procedure te beginnen. Procederen tegen haar huurders is voor Woonwaard een allerlaatste stap en het uiterste middel. Gezien haar rol en positie als sociale verhuurder is haar handelen er vooral op gericht om tot een onderlinge oplossing en draagvlak te komen door de bewoners waar mogelijk te informeren en het gesprek aan te gaan. Daarin is Woonwaard ook voor een groot deel geslaagd, omdat aanvankelijk ongeveer 94% van de bewoners van dit wooncomplex bezwaren had tegen de aansluiting op het warmtenet en daar nu nog slechts ongeveer 30% van over is. Inmiddels resteert ten aanzien van deze laatste groep bewoners alleen nog de juridische weg, hoewel op de mondelinge behandeling ook gebleken is dat de vordering ten aanzien van drie bewoners is ingetrokken, omdat zij in weerwil van hun aanvankelijke bezwaren alsnog wilden instemmen met de aansluiting op het warmtenet. Gezien deze toelichting is de keuze van Woonwaard om zo lang mogelijk te wachten met procederen een begrijpelijke en de kantonrechter volgt dan ook niet het standpunt dat Woonwaard de bewoners eerder in rechte had moeten betrekken om het werk uitgevoerd te krijgen en zichzelf dus in deze positie heeft gebracht.\n\ntussenconclusie: Woonwaard heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang\n\n4.14.. Dat sprake is van dringende werkzaamheden maakt dat de bewoners gehouden zijn de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet te gedogen en daaraan hun medewerking te verlenen. De dringende aard van de werkzaamheden maakt ook dat Woonwaard daarbij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft.\n\nhet belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners\n\n4.15.. Tegenover het belang van Woonwaard moeten de belangen van de bewoners worden afgewogen.\n\n4.16.. Duidelijk is dat er bij de bewoners onrust en zorgen bestaan over de aansluiting op het warmtenet en dat in algemene zin binnen de [gemeente] de ontwikkelingen rond het warmtenet eveneens een onderwerp van zorg en gesprek zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat de gemeenteraad op 2 maart 2026 een motie heeft aangenomen die er kort gezegd toe strekt met HVC en Woonwaard in gesprek te gaan om bewoners die in financiële problemen zijn gekomen te compenseren of ondersteunen en problemen met het warmtenet op te lossen, en uit het feit dat ook de woonbond zich kritisch heeft uitgelaten over de voorgenomen aansluiting op het warmtenet, zoals de bewoners hebben aangevoerd. Dat staat echter, gezien het belang van Woonwaard daarbij, niet in de weg aan aansluiting van dit specifieke wooncomplex op het warmtenet. In juridisch opzicht bestaat daarvoor onvoldoende grond.\n\n4.17.. \n\nAnders dan de bewoners betogen, heeft Woonwaard de geschiktheid van dit –\n\nrelatief jonge (2002) en goed geïsoleerde – wooncomplex voor de aansluiting op het warmtenet met de rapporten van [technisch adviesbureau] voldoende toegelicht en onderzocht. Op basis van een warmtetransmissieberekening is vastgesteld hoeveel vermogen er nodig is om de woningen warm te krijgen en of het nodig is om de capaciteit van het afgiftesysteem (de radiatoren) te verhogen, waarbij vervolgens per woning de capaciteit van de radiatoren is gecontroleerd. Dit onderzoek is later – vanwege de zorgen van de bewoners – aangevuld met een controle ter plaatse (in ieder geval drie woningen, waarvan één op de begane grond boven de parkeergarage, één op de vijfde verdieping en één verdeeld over twee verdiepingen) om na te gaan of de uitgangspunten uit de berekening overeenkomen met de werkelijkheid. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het wooncomplex in bouwkundig opzicht geschikt is voor de aansluiting op het warmtenet. Er zijn geen situaties geconstateerd die tot grote verliezen en hoge energieverbruiken zullen leiden. Wel is er een aantal aanbevelingen gedaan om een goede werking van het warmtenet te bevorderen,maar deze maken niet dat op voorhand moet worden aangenomen dat de installatie niet goed zal functioneren.\n\n4.18.. Er is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de door Woonwaard ingeschakelde deskundige. De bewoners hebben daar niet een onderzoek van een eigen deskundige tegenover gesteld. Zij hebben er op gewezen dat het onderzoek is gebaseerd op een 3D-model met uitgangspunten uit 2002, maar daaruit volgt, anders dan zij menen, niet dat het onderzoek niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Het wooncomplex zelf is en wordt immers niet aangepast (er is energetisch dus niets gewijzigd), zodat op zichzelf genomen van de definitieve bouwtekeningen en situatie uit 2002 mocht worden uitgegaan, zoals ook volgt uit de rapporten van de deskundige. Bovendien heeft de deskundige daarmee niet volstaan, omdat, zoals hiervoor al vermeld, daarnaast in een aantal woningen feitelijk is nagegaan of de gehanteerde uitgangspunten nog steeds van toepassing zijn. Daarmee voldoet het onderzoek aan wat daarvan mag worden verwacht, waarbij ook van belang is de stelling van Woonwaard dat er iedere drie of vier jaar een visuele inspectie van het complex plaatsvindt en dat uit het meest recente rapport van 2025 blijkt dat de conditie van de gevels en kozijnen als uitstekend is aangemerkt.\n\n4.19.. Tot het verrichten van een woningspecifiek onderzoekkan Woonwaard niet worden gehouden. De stelling dat er in een deel van de woningen sprake zou zijn van gebreken, zoals bijvoorbeeld tocht bij ramen of deuren of spouwmuurproblematiek, die van invloed zouden kunnen zijn op het functioneren van het warmtenet (en daarmee ook de hoogte van verbruikskosten) leidt daar niet toe. Los van het feit dat bij Woonwaard maar drie woningen uit het complex bekend zijn waar sprake is van gebreken, waar zij bezig is deze te verhelpen, geldt, zoals Woonwaard terecht stelt, hiervoor de reguliere gebrekenregeling.Op grond van die regeling zijn bewoners gehouden eventuele gebreken bij Woonwaard te melden (dat geldt ook voor eventuele storingen in de werking van het warmtenet als zodanig) en Woonwaard als verhuurder is vervolgens op haar beurt gehouden deze binnen redelijke termijn te (laten) verhelpen, bij gebreke waarvan de huurders aanspraak kunnen maken op huurvermindering of vergoeding van schade. De aanwezigheid van eventuele gebreken staat dan ook los van de voorgenomen aansluiting op het warmtenet en heeft geen invloed op het algemene uitgangspunt dat het wooncomplex daarvoor in bouwkundig opzicht geschikt is. Bovendien moet worden aangenomen dat eventuele bouwkundige gebreken ook nu al invloed zullen hebben op de huidige warmtelevering door gas. Er is in dit verband niet gebleken van een relevant verschil tussen verwarming door gas dan wel door het warmtenet. Dat geldt evenzeer voor het verschil in ligging van de verschillende appartementen (waaronder begrepen de invloed van zon, wind, specifieke isolatie en aanwezigheid van bijvoorbeeld boven- en onderburen), waarop de bewoners hebben gewezen. Er is geen reden om aan te nemen dat een verschil in ligging in het complex bij het warmtenet tot wezenlijk andere gevolgen zal leiden dan bij verwarming door de huidige cv-installatie. De kantonrechter kan Woonwaard dan ook volgen in de conclusie dat als verwarmen met gas lukt, aangenomen moet worden dat dit ook lukt met het warmtenet.\n\n4.20.. De onzekerheid van de bewoners over de financiële gevolgen van de aansluiting op het warmtenet kan niet volledig worden weggenomen, maar dat behoort ook niet tot de taak en verantwoordelijkheid van Woonwaard. Sommige prijsontwikkelingen zijn immers mede afhankelijk van omstandigheden die buiten de invloedssfeer van Woonwaard liggen, zoals bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen (waaronder ontwikkelingen op de energiemarkt door de situatie in de wereld en de ontwikkeling van het Consumentenprijsindex (CPI)). Dit geldt bovendien ook in geval van warmtelevering door middel van gas. Ook daar kan sprake zijn van prijsstijgingen buiten toedoen van Woonwaard. Niet aannemelijk is geworden dat het warmtenet per definitie een duurdere warmtevoorziening is dan gasen dat de aansluiting van de bewoners op het warmtenet daadwerkelijk tot een substantiële verhoging voor warmtekosten zal leiden. Naast de bescherming die de Warmtewet (via het Niet-Meer-Dan-Anders-principe)en de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) (via de jaarlijkse vaststelling van maximale tarieven) al bieden, heeft Woonwaard zich in voldoende mate ingespannen om aan de bewoners tegemoet te komen door de aansluiting op het warmtenet zoveel mogelijk met (financiële) waarborgen te omkleden. Zo heeft Woonwaard zich door middel van een afzonderlijke overeenkomst met HVC verbonden een deel van het vast recht van de bewoners voor haar rekening te nemen (een vast bedrag van € 263,75 exclusief btw per jaar). Dit zal Woonwaard doen zolang de huurovereenkomst met de huidige bewoners voortduurt. Daarnaast hanteert HVC een lager verbruikstarief dan volgens de ACM is toegestaan en wordt bovendien een korting van 5% gegeven aan huurders van Woonwaard die worden aangesloten op het warmtenet, dus ook aan deze bewoners. Los daarvan compenseert Woonwaard in individuele gevallen nog extra, waaronder in het geval van [gedaagden (26-25)] vanwege lagere netbeheerkosten. Hieruit volgt dat Woonwaard zich rekenschap heeft gegeven van mogelijke nadelige financiële gevolgen en heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om deze gevolgen te voorkomen. Een garantie dat de kosten van warmte helemaal gelijk blijven kan en hoeft zij niet te geven.\n\n4.21.. In het geval van [gedaagden (26-25)] blijkt verder uit de overgelegde proefberekening niet dat er sprake zal zijn van een substantiële verhoging van de warmtekosten. Daaruit moet juist worden opgemaakt dat de kosten min of meer gelijk zullen blijven, nu er in die berekening geen rekening mee is gehouden dat Woonwaard een bedrag van € 263,75 exclusief btw aan vastrecht voor haar rekening neemt. Namens de andere bewoners is naar voren gebracht dat hun zorg niet zozeer de kosten van het warmtenet als zodanig betreft, maar dat het hen gaat om de vrees voor hogere kosten vanwege de aanwezigheid van gebreken. Daarover is hierboven echter al overwogen dat eventuele gebreken los staan van de noodzakelijk geachte dringende werkzaamheden en dat daarvoor de reguliere gebrekenregeling geldt. Het ligt dus op de weg van bewoners om melding te doen van aanwezige gebreken en indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, kunnen zij zich wenden tot de huurcommissie of de rechter. Dat er bij de aansluiting op het warmtenet geen vrije keuze meer bestaat tussen energieleveranciers, zoals de bewoners ook naar voren hebben gebracht, is nu eenmaal het gevolg van deze vorm van warmtelevering en om de onwenselijke gevolgen daarvan te voorkomen is voorzien in regulering en aanvullende maatregelen op de hiervoor omschreven wijze.4.22.. Tot slot vinden de bezwaren van de bewoners mede hun grondslag in de door hen ervaren gebrekkige informatievoorziening door Woonwaard en het gebrek aan serieuze aandacht voor hun bezwaren en omstandigheden. De kantonrechter heeft echter moeten vaststellen dat zich in het dossier veel concrete informatie bevindt over onder meer de werking van het warmtenet, de financiële gevolgen en de aard, omvang en duur van de werkzaamheden. Deze informatie is in de periode vanaf april 2024 tot en met maart 2026 ook aan de bewoners beschikbaar gesteld. Ook in deze procedure en op de mondelinge behandeling is Woonwaard niet terughoudend geweest in het verstrekken van informatie en heeft zij benadrukt open te staan voor het gesprek. Gelet hierop kan de stelling dat de bewoners niet adequaat zijn geïnformeerd niet zonder meer worden gevolgd, waarbij ook van belang is dat Woonwaard als verhuurder niet gehouden is om een gedetailleerd antwoord te geven op alle vragen die worden gesteld, en er op de bewoners als huurders op hun beurt ook verplichtingen rusten. Dat er bewoners zijn die zich niet serieus genomen hebben gevoeld en het gesprek met Woonwaard zo hebben ervaren dat zij onder druk werden gezet, is – ook volgens Woonwaard zelf – betreurenswaardig en dat kan ook niet de bedoeling zijn geweest. In de juridische beoordeling kan dat echter verder geen rol spelen.\n\nconclusie: de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet wordt toegewezen\n\n4.23.. De conclusie is dat de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, ofschoon ingrijpend en moeilijk ongedaan te maken, in dit kort geding toewijsbaar is. Het spoedeisende en zwaarwegende belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners en gelet op de dringende aard van de werkzaamheden kan van Woonwaard niet worden gevraagd dat zij een bodemprocedure aanhangig maakt. Dat de bewoners hun medewerking moeten verlenen, betekent dat zij de werkzaamheden moeten gehengen en gedogen en dat zij op eerste verzoek toegang moeten verschaffen aan Woonwaard en degenen die de werkzaamheden uitvoeren. Dit verschaffen van toegang kan door thuis te blijven, een buur te vragen de deur te openen of een sleutel af te geven aan Woonwaard.\n\n4.24.. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, ondanks de toezegging van [gedaagden (26-25)] dat bij een toewijzend vonnis medewerking zal worden verleend. Gelet op de korte termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten worden verricht en de hoeveelheid bewoners die in deze procedure betrokken zijn, is begrijpelijk dat Woonwaard een dwangsom noodzakelijk acht als stok achter de deur om vertraging te voorkomen. Daarbij hoeven de bewoners indien zij hun toezegging dat zij mee zullen werken gestand doen, zich geen zorgen te maken over het verbeuren van een dwangsom. De dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 500,- per dag of dagdeel dat de bewoners in gebreke blijven de veroordeling na te komen, met een maximum van € 7.500,-.\n\nde overige vorderingen van Woonwaard worden ook toegewezen\n\n4.25.. Naast medewerking door het gehengen en gedogen van de werkzaamheden en het verlenen van toegang vordert Woonwaard ook de tijdelijke ontruiming van de woningen (voor de duur van de werkzaamheden) onder afgifte van de sleutels. De bewoners verzetten zich hiertegen en wensen in hun woning te kunnen blijven tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden in beginsel kunnen uitgevoerd, terwijl de bewoners in hun woning verblijven en het begrijpelijk is dat zij dat willen, heeft Woonwaard toch een belang bij de gevorderde tijdelijke ontruiming, namelijk in de situatie waarin bewoners toch niet volledig meewerken en gedwongen toegang en het tijdelijk vertrek uit de woning onverhoopt toch nodig blijkt. Voorstelbaar is dat een veroordeling tot tijdelijke ontruiming onder afgifte van de sleutels voor de bewoners als een ingrijpende maatregel voelt, maar dit is op zichzelf genomen een gebruikelijke maatregel bij het verrichten van werkzaamheden door een verhuurder, waarvan alleen gebruik wordt gemaakt als het niet anders kan en die beperkt is tot de duur van de werkzaamheden. Ook hier zal een gematigde dwangsom van € 500,- met een maximum van € 7.500,- worden vastgesteld.\n\nde overige vorderingen en verzoeken van de bewoners worden afgewezen\n\n4.26.. Bij deze uitkomst is er geen grond om de vordering van de bewoners tot het opschorten van de werkzaamheden (in beide zaken) toe te wijzen.\n\n4.27.. In de zaak 26-25 heeft [gedaagden (26-25)] verder verzocht om te bepalen dat er niet meer hoeft te worden betaald dan de huidige energielasten dan wel dat volledige compensatie van de meerkosten moet plaatsvinden. Uit wat hiervoor onder 4.20 is overwogen blijkt dat dat verzoek, voor zover dat zich al leent voor toewijzing in kort geding, moet worden afgewezen.\n\n4.28.. In die zaak is verder nog gevraagd om Woonwaard te veroordelen tot het beoordelen van de gebreken aan de woning en deze te herstellen. Ook die vordering wordt afgewezen: het is aan [gedaagden (26-25)] om van gebreken melding te doen bij Woonwaard en haar te verzoeken deze binnen een redelijke termijn op te lossen. De inhoudelijke beoordeling van eventuele gebreken valt buiten het bestek van deze procedure.\n\n4.29.. Aan het verzoek om de medewerking te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden, wordt reeds door Woonwaard zelf voldaan doordat zij die werkzaamheden bij haar vordering al concreet heeft omschreven. Daarbij kan echter niet worden uitgesloten dat er voorafgaand of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden meer of ook andere werkzaamheden nodig blijken te zijn om te komen tot een aansluiting op het warmtenet. Ook aan die werkzaamheden zal medewerking moeten worden verleend.\n\n4.30.. Ook het verzoek van [gedaagden (26-25)] om te bepalen dat de werkzaamheden aanvangen vanaf 10.00 uur in plaats van vanaf 7.30 uur komt niet voor toewijzing in aanmerking. Dat zou immers betekenen dat bij een werkdag tot ongeveer 16.00 uur, er veel minder tijd beschikbaar is voor het uitvoeren van de werkzaamheden in deze woning. Dat kan van Woonwaard redelijkerwijs niet worden gevergd. Daarbij komt dat Woonwaard heeft toegezegd met de persoonlijke situatie van [gedaagden (26-25)] rekening te zullen houden bij de planning van de werkzaamheden en waar mogelijk later dan om 7.30 uur te zullen beginnen.\n\n4.31.. In de zaak 26-43 hebben de bewoners tot slot nog verzocht te bepalen dat Woonwaard tijdig en schriftelijk de uitvoering van het werk moet aankondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen. Ook dat zal worden afgewezen. De uitvoering van de werkzaamheden is immers al aangekondigd en Woonwaard heeft toegezegd binnen een termijn van drie dagen na de mondelinge behandeling een gewijzigde planning aan alle bewoners te doen toekomen. Daarmee weten de bewoners wanneer hun woning aan de beurt is en dus ook waar zij aan toe zijn.\n\nde proceskosten\n\n4.32.. De bewoners zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten betalen).\n\n4.33.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-25 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € [nummer 10] ,09\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.591,09\n\n4.34.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-43 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € 185,32\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.622,32\n\n4.35.. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hieronder vermeld.\n\nhoofdelijkheid\n\n4.36.. \n\nDe veroordeling wordt, zoals gevraagd in de gevallen waar sprake is van meerdere gedaagden per adres en waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot medewerking aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor zover het zijn of haar gehuurde betreft en ook dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot ontruiming. Verder wordt de hoofdelijkheid eveneens uitgesproken ten aanzien van de proceskosten. Dat betekent dat iedere gedaagde ten aanzien van de proceskosten kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.37.. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd in de zaak 26-25 en 26-43, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak 26-25\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in hun woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] , alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.2.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, de woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.1, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.1 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.591,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-43\n\nten aanzien van de woningen gelegen aan de [buurt] met de huisnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] , [nummer 11] , [nummer 12] [nummer 13] , [nummer 14] , [nummer 15] , [nummer 16] , [nummer 17] , [nummer 18] , [nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] , [nummer 23] , [nummer 24] , [nummer 25] , [nummer 26] , [nummer 27] , en de woningen die gedaagde sub 20 ( [gedaagde 20] ) en sub 29 ( [gedaagde 29] ) van Woonwaard huren:5.4.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in de woning die hij\u002Fzij van Woonwaard huurt\u002Fhuren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij\u002Fzij in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.5.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder\u002Fbewoner zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis zijn\u002Fhaar\u002Fhun woning die zij van Woonwaard huurt\u002Fhuren tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.4, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.4 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat de betreffende bewoner(s) in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.6.. veroordeelt de bewoners hoofdelijk in de proceskosten van € 1.622,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien de bewoners niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.\n\n waaronder het verwijderen van cv-installaties, het loskoppelen van gasaansluitingen en de aansluiting op het warmtenet.\n\n Van de in totaal 93 appartementen betreft deze zaak 30 appartementen.\n\n Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:220 lid 2 BW.\n\n Rapportages van 8 december 2025 en 9 januari 2026, onder meer onder 3.0: “De stadsverwarming moet worden gezien als de nieuwe cv-ketel, maar dan gevoed vanuit het warmtenet van HVC in plaats van de gasleiding van Liander. Omdat het gebouw zelf niet wordt aangepast zal de energiebehoefte in de woningen niet veranderen.”.\n\n Vgl. ECLI:NL:RBNHO:2024:11673.\n\n Tot 2030 moet ongeveer 50% en 4000 woningen aangesloten zijn op het warmtenet van HVC.\n\n Wijkuitvoeringsplan [plaats] [wijk] en [buurt] .\n\n Aanvankelijk werd deze subdoelstelling niet gehaald. Inmiddels worden gemiddeld 1.660 woningen per jaar van het gas gehaald.\n\n Volgens het Wijkuitvoeringsplan is aansluiting op een warmtenet de goedkoopste aardgasvrije optie, waarbij ook de belasting van het elektriciteitsnet minder is dan bij een warmtepomp.\n\n Besluit minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (RVO) van 4 augustus 2020.\n\n De totale kosten voor aansluiting op het warmtenet per woning bedragen op dit moment ongeveer € 11.182,29 exclusief btw.\n\n Vgl. emailbericht Hemubo van 25 februari 2026 waarin de kosten per woning worden begroot op € 1.769,78 per woning.\n\n Zoals het aanbrengen van roosters of sleuven in de vensterbanken en een aanvullende isolatie met PUR isolatieschuim in het plafond van de parkeergarage.\n\n Dat wil zeggen een onderzoek per afzonderlijke woning.\n\n In artikel 7:204 BW en verder.\n\n Volgens het Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie zal de verwachte kostenstijging voor warmtenetten in de toekomst lager zijn dan de kosten voor gas of een warmtepomp.\n\n In de toekomst te vervangen door de Wet collectieve warmte.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","ecli-nl-rbnho-2026-3806",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]