Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:4672

Tribunal

Haarlem

Date

23 April 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Belastingrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Haarlem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/6127

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 mei 2025 aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.301.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [naam 1] (vader van belanghebbende). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten

1. In 2021 startte belanghebbende met een studie [studie] bij [opleidingsinstituut] . De duur van de studie betrof ongeveer drie jaar en de totale studiekosten bedroegen € 21.786,77. Door belanghebbende zijn die kosten in drie jaarlijkse termijnen betaald, namelijk op 17 november 2021 (€ 7.406,49), 28 november 2022 (€ 7.190,14) en op 1 december 2023 (€ 7.190,14). Belanghebbende heeft met succes de studie afgerond en is tegenwoordig werkzaam als persoonlijk begeleider.

2. In haar aangifte IB/PVV 2022 zijn de in 2022 betaalde studiekosten als een restant persoonsgebonden aftrek opgevoerd.

3. Bij het vaststellen van de aanslag is door verweerder het restant persoonsgebonden aftrek van € 7.190 niet in aftrek toegelaten.

4. Op 6 november 2025 stuurt verweerder de ‘Voorgenomen beslissing op bezwaar 2022’. Daarin maakt hij kenbaar voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen. Daarnaast schrijft hij dat, voordat hij een definitieve beslissing zal nemen, belanghebbende de mogelijkheid heeft het bezwaar in een gesprek toe te lichten. Door belanghebbende is op dit voornemen niet gereageerd.

5. Op 19 december 2025 ontvangt verweerder bericht van belanghebbende, waarin zij onder meer schrijft:

“In uw schrijven van 1 december wijst u mij op de mogelijkheid om in beroep te gaan. Dank daarvoor; inmiddels heb ik daadwerkelijk beroep aangetekend.

In uw brief (…) geeft u aan dat u mij op 6 november een uitnodiging heeft verstuurd om mijn bezwaar mondeling toe te lichten. Helaas heb ik deze uitnodiging nimmer ontvangen. Indien dit wel het geval was geweest, zou ik hier zeker op zijn ingegaan, temeer daar het mij verbaast aangezien ik mijn standpunt meerdere malen telefonisch heb toegelicht.”

6. Belanghebbende is op 12 januari 2026 alsnog door verweerder gehoord. Van het hoorgesprek is een verslag opgesteld.

Geschil

7. In geschil is of bij belanghebbende het vertrouwen was gewekt dat zij de studiekosten als restant persoonsgebonden aftrek kon aftrekken en of verweerder belanghebbende in bezwaar had moeten horen.

8. Belanghebbende voert aan dat zij de studiekosten in 2022 kon aftrekken, omdat een medewerker van de Belastingtelefoon haar heeft toegezegd dat de studiekosten als restant persoonsgebonden aftrek opgevoerd konden worden. Verder stelt zij dat verweerder haar in bezwaar had moeten horen.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een verzamelinkomen van € 23.111.

9. Volgens verweerder is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een medewerker van de Belastingtelefoon bij haar in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt. Ten aanzien van het horen stelt hij primair dat geen sprake is van een schending van het hoorrecht en subsidiair dat als het hoorrecht wel geschonden is, niet moet worden teruggewezen. Belanghebbende is alsnog gehoord en voor verweerder bestaat er na het horen geen aanleiding om anders te oordelen dan gedaan bij uitspraak op bezwaar.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel

10. Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij is gestart met de studie in 2021 met de verwachting dat alle studiekosten aftrekbaar zouden zijn. Toen belanghebbende in 2022 bekend werd met de afschaffing van de aftrek studiekosten heeft zij contact opgenomen met de Belastingtelefoon. Tijdens dit gesprek zou door een medewerker van de Belastingtelefoon zijn toegezegd dat de studiekosten (ook) in 2022 in aftrek gebracht konden worden als restant persoonsgebonden aftrek.

11. De rechtbank stelt voorop dat informatie van de Belastingtelefoon een inlichting van de Belastingdienst betreft. Verweerder is in de regel niet gebonden aan onjuistheden of onvolledigheden in die voorlichting (zie HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918). Voor een uitzondering daarop bestaat aanleiding indien een medewerker van de Belastingtelefoon beschikt over de juiste en volledige informatie op basis waarvan hij een toezegging doet die niet zodanig in strijd in met een juiste wetstoepassing dat een belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. Daarnaast moet een belastingplichtige op grond van die onjuiste informatie een handeling hebben verricht of nagelaten, met als gevolg dat van hem een hoger bedrag wordt geheven dat hij meende te moeten betalen als het gevolg van die handeling of dat nalaten. (zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654). De bewijslast dat daarvan sprake is rust op belanghebbende.

12. In dit geval volgt op basis van de uiteenzetting door belanghebbende niet welke vragen belanghebbende heeft gesteld en welke feiten en omstandigheden zij daarbij aan de Belastingtelefoon heeft voorgelegd. Ook is niet volledig duidelijk wat de Belastingtelefoon precies heeft gezegd. De rechtbank kan daarom niet concluderen dat door een medewerker van de Belastingtelefoon de toezegging is gedaan dat, ondanks dat de aftrek studiekosten was afgeschaft, de door belanghebbende gemaakte studiekosten in 2022 toch nog als restant persoonsgebonden aftrek in aftrek konden worden gebracht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

13. De rechtbank volgt het beroep van belanghebbende op de schending van het evenredigheidsbeginsel evenmin. De wet- en regelgeving over de persoonsgebonden aftrek betreffen politieke keuzes. Het zou de taak van de rechter te buiten gaan om daarover in deze procedure een oordeel te geven. Daarbij is het de rechtbank op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de wetswijziging voor belanghebbende nadelig heeft uitgepakt, zijn die nadelige gevolgen volgens de rechtbank niet zozeer onevenredig dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Hoorrecht en zorgvuldigheidsbeginsel

14. Voordat verweerder op een bezwaar beslist, stelt hij belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). Paragraaf 9, eerste lid, van het Besluit fiscaal bestuursrecht (Bfb) legt in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het initiatief voor het horen bij verweerder. Van het horen van belanghebbende kan, onder meer, worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:3, onderdeel d, van de Awb en onderdeel 9, onder 2, van het Bfb).

15. Vast staat dat belanghebbende niet om een hoorgesprek heeft verzocht. In de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar heeft verweerder belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij gehoord wenste te worden. Die brief is naar het juiste adres van belanghebbende gestuurd. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij die brief niet heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende daar niet in is geslaagd. De enkele stelling dat zij de brief niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. Ook zijn er door belanghebbende geen andere omstandigheden aangedragen die deze stelling aannemelijk zouden kunnen maken, zoals aantoonbare tekortkomingen in de postbezorging. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoorrecht daarom niet geschonden en is ook geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

16. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van

H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de datum van verzending;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Plus de Décisions