[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-7505":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-7505":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","",67,"Haarlem","haarlem","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]