ECLI:NL:RBNHO:2026:7695
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Haarlem
RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11973598 \ CV EXPL 25-7767
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
NOVA DREEF B.V.,
te Beverwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: NOVA Dreef,
gemachtigde: mr. A. de Fouw,
tegen
[gedaagde], T.H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D.J.B. Bosscher.
De zaak in het kort
Verhuurder heeft de al bijna zestig jaar durende huur van een winkelruimte opgezegd omdat zij het verouderde winkelcentrum waarin het gehuurde zich bevindt, gaat afbreken en herbouwen. Huurder kan volgens haar niet terugkeren in het gehuurde omdat deze ruimte betrokken gaat worden bij de ruimte die de supermarkt van verhuurder huurt. Volgens huurder leidt de huuropzegging tot liquidatie van zijn onderneming en hij wil zijn schade vergoed zien. De kantonrechter wijst de door de verhuurder gevorderde huurbeëindiging toe op grond van dringend eigen gebruik en overweegt (ten overvloede) dat die beëindiging ook op grond van de algemene belangenafweging zou zijn geslaagd. Het vonnis wordt gelet op de omstandigheden van dit geval uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De door huurder verlangde schadevergoeding, waarbij hij (zowel in conventie als in reconventie) aansluiting zoekt bij artikel 7:309 BW, wordt afgewezen. Van afbraak van het gehuurde in het algemeen belang of een onteigeningssituatie, waarop artikel 7:309 BW betrekking heeft, is geen sprake. Huurder heeft geen andere gronden aangevoerd waarop de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie
het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de aanvullende productie zijdens NOVA Dreef
de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die beide partijen hebben overgelegd en voorgedragen.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. (. De rechtsvoorganger van) NOVA Dreef verhuurt met ingang van 1 december 1960 aan [gedaagde] de bedrijfsruimte aan het adres [adres 1] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur loopt thans voor onbepaalde tijd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Het gehuurde is onderdeel van het winkelcentrum aan het [adres 2] te [plaats], waarvan NOVA Dreef op 2 januari 2023 eigenaar is geworden.2.2..
[gedaagde] exploiteert in het gehuurde een slijterij onder de naam ‘[bedrijf]'.
2.3.. Het winkelcentrum aan het [adres 2] wordt in een grootschalige herontwikkeling betrokken. Het winkelcentrum – inclusief het gehuurde – zal hiervoor geheel worden gesloopt, waarna een nieuw winkelcentrum zal worden gebouwd met (grotendeels) ondergronds parkeren en daarboven ongeveer 260 woningen. De herontwikkeling maakt deel uit van een groter plan waarbij ook andere partijen betrokken zijn en past in de gemeentelijke Ontwikkelingsstrategie [plaats].2.4.. Deze herontwikkeling staat gepland om aan het einde van het eerste kwartaal van 2026 aan te vangen. Met de herontwikkeling zal een periode van circa drie of vier jaar gemoeid zijn. In die periode zal een deel van de huidige winkels in het winkelcentrum worden gehuisvest in een tijdelijk winkelcentrum. De huur van enkele andere winkels is beëindigd.
2.5.. De omgevingsvergunning is op 21 juni 2024 bij de gemeente [plaats] aangevraagd en op 23 september 2025 verkregen.
2.6.. Onderdeel van de herontwikkeling is ook de vergroting van de DekaMarkt supermarkt, die een vestiging in het winkelcentrum heeft, van circa 1.320 m2 naar 2.500 m2.
2.7.. NOVA Dreef en DekaMarkt Supermarkten zijn vennootschappen die vallen onder dezelfde grootmoedermaatschappij, te weten DKM Holding B.V. NOVA Dreef is binnen dit concern belast met het beheren van vastgoed ten behoeve van andere in het concern aanwezige entiteiten, zoals DekaMarkt Supermarkten.
2.8.. Bij brief van 29 april 2024 heeft NOVA Dreef de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd tegen 30 april 2025 vanwege de voorgenomen renovatie. Primair heeft zij zich in die brief beroepen op dringend eigen gebruiken subsidiair op de belangenafweging.
2.9.. In reactie hierop heeft de gemachtigde van [gedaagde] bij brief van 10 juni 2024 laten weten dat [gedaagde] zich in beginsel niet zal verzetten tegen de door NOVA Dreef aangezegde opzegging van de huurovereenkomst. Wel heeft hij namens [gedaagde] aanspraak gemaakt op schadeloosstelling wegens gedwongen liquidatie omdat van [gedaagde], die zijn pensioengerechtigde leeftijd op 23 juli 2025 zou bereiken, niet kon worden verlangd dat hij zijn bedrijf elders zou voortzetten.
2.10.. Bij brief van 12 december 2024 heeft de gemachtigde van NOVA Dreef aan [gedaagde] een tegemoetkoming van € 15.000,- aangeboden als de huurovereenkomst uiterlijk per 30 april 2025 zou worden beëindigd. Dat heeft [gedaagde] geweigerd.
3. Het geschil
In conventie
3.1.. NOVA Dreef vordert – samengevat – vaststelling het tijdstip van beëindiging van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.. NOVA Dreef legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat [gedaagde] niet heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst kan NOVA Dreef – op de gronden als vermeld in de opzegging – vorderen dat de kantonrechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. NOVA Dreef heeft aan de opzegging ten grondslag gelegd dat zij het gehuurde gelet op de geplande renovatie van het winkelcentrum zelf dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Als een beroep op die grondslag geen stand houdt, stelt Nova Dreef dat haar belang bij het beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij voortzetting daarvan.
3.3..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat de primaire grondslag niet slaagt, omdat NOVA Dreef het gehuurde na de herontwikkeling niet zelf in duurzaam gebruik zal gaan nemen. Zij zal het gehuurde aan DekaMarkt supermarkt gaan verhuren. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag voert [gedaagde] aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat opzegging van de huurovereenkomst zal leiden tot feitelijke liquidatie van zijn onderneming, met de daarbij behorende kosten en verlies van toekomstige inkomsten tot gevolg. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat beëindiging van de huur alleen kan plaatsvinden onder gelijktijdige toekenning van een schadevergoeding aan [gedaagde], waarbij hij aansluiting zoekt bij de schadevergoedingsmogelijkheid van artikel 7:309 BW.
3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.5..
[gedaagde] vordert – in strikt voorwaardelijke reconventie, namelijk voor het geval een schadevergoeding niet als voorwaarde aan de beëindiging zal worden verbonden – betaling van € 110.000,00, met veroordeling van NOVA Dreef in de proceskosten.
3.6..
[gedaagde] voert aan dat hij door de huurbeëindiging schade lijdt door verlies aan goodwill, het verlies van de kans op voortzetting van de onderneming en liquidatieschade.
3.7.. NOVA Dreef voert verweer. Op het verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
Het beroep op dringend eigen gebruik slaagt4.1.. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of NOVA Dreef aannemelijk heeft gemaakt dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Die vraag moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. NOVA Dreef moet daarbij aannemelijk maken dat zij:
de wil heeft het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen, waarbij onder duurzaam gebruik begrepen wordt de renovatie die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, en;
het gehuurde daartoe dringend nodig heeft.
4.2.. Niet in geschil is dat sprake is van concrete renovatieplannen aan de zijde van NOVA Dreef die al in een (vergaand) stadium van ontwikkeling en uitvoering zijn. NOVA Dreef heeft toegelicht dat het winkelcentrum waarvan het gehuurde deel uitmaakt en dat dateert uit 1960, aan het einde van haar technische levensduur is en niet meer aan de eisen van deze tijd voldoet. Het winkelcentrum zal worden betrokken in een grootschalige herontwikkeling die ook de bouw van woningen en een parkeergarage en de vernieuwing/aanpassing van de openbare ruimte omvat en waarbij meerdere partijen betrokken zijn. Het belang van NOVA Dreef is niet alleen in de herontwikkeling van het verouderde winkelcentrum zelf gelegen, maar ook in het rendement dat zij na de renovatie zal gaan behalen: zij kan aan DekaMarkt supermarkt en de andere huurders in het winkelcentrum een aanzienlijk hogere huurprijs vragen dan in de huidige omstandigheden mogelijk is en huuropbrengsten verkrijgen wegens de op het winkelcentrum te bouwen woningen. De huuropbrengsten zullen meer dan het tienvoudige bedragen van de huidige huuropbrengsten. Het enkele feit dat het gehuurde zal worden opgenomen in de vestiging van de DekaMarkt supermarkt die wordt uitgebreid, brengt al mee dat de beoogde veranderingen wijzigingen in plaats en functie betreffen, waardoor de huur met [gedaagde] niet kan worden voortgezet. De huidige wijze waarop de ruimte geëxploiteerd wordt kan daardoor immers redelijkerwijs niet meer worden voortgezet. Het voorgaande wordt door [gedaagde] ook niet weersproken. Inmiddels beschikt NOVA Dreef over een omgevingsvergunning en zal zij in het laatste kwartaal van 2026 met de werkzaamheden kunnen beginnen. De gemeente [plaats] ondersteunt de herontwikkeling.
4.3..
[gedaagde] heeft aangevoerd dat van voorgenomen eigen gebruik geen sprake is omdat NOVA Dreef na de renovatie de ruimte niet zelf in gebruik neemt, maar gaat verhuren aan DekaMarkt supermarkt. Weliswaar is DekaMarkt supermarkt aan NOVA Dreef gelieerd, maar van een nauwe verwantschap is geen sprake en NOVA Dreef is een vastgoed vennootschap met een omvangrijke, gemengde portefeuille die zich niet alleen richt op huisvesting van DekaMarkt supermarkten.
4.4.. In de wet is bepaald dat onder duurzaam gebruik ook wordt begrepen de renovatie van de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is. Dat betekent dat als de renovatie door de verhuurder zelf wordt uitgevoerd, zoals hier het geval is, al sprake is van dringend eigen gebruik zoals bedoeld in de wet. Met andere woorden: dat NOVA Dreef na de renovatie het gehuurde niet zelf gaat gebruiken maar gaat verhuren, is dus niet relevant. In die zin wijkt deze zaak ook af van het arrest Toka Mitra /PTMwaarop [gedaagde] zich beroept omdat in die procedure de verhuurder de huur opzegde omdat zij het gehuurde wilde gaan verhuren aan een andere huurder die haar ruimte in het winkelcentrum wilde uitbreiden. Van een door de verhuurder uit te voeren renovatie die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, was dus geen sprake. De rechterlijke toets bij een beroep op dringend eigen gebruik ligt dus bij: i) de dringendheid, ii) de haalbaarheid van de plannen en iii) noodzaak van de beëindiging van de huurovereenkomst in verband met de renovatie. Uit hetgeen in r.o. 4.2. is overwogen, volgt dat NOVA Dreef voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze eisen is voldaan. Het voorgaande betekent dat het beroep van NOVA Dreef op dringend eigen gebruik slaagt en de belangen van [gedaagde] niet meer hoeven te worden meegewogen.
De belangen van NOVA Dreef bij beëindiging van de huur wegen in dit geval zwaarder
4.5.. Overigens is de kantonrechter van oordeel dat ook als van dringend eigen gebruik geen sprake zou zijn, de belangenafweging in het voordeel van NOVA Dreef zou uitvallen. De belangen van NOVA Dreef bij de beëindiging van de huur zijn in r.o. 4.2. aan de orde geweest en die belangen zijn niet alleen gericht op de financiële positie van NOVA Dreef zelf, maar dienen ook een breder maatschappelijk doel (extra woningen en parkeerplaatsen, een noodzakelijke modernisering van een winkelcentrum en opwaardering en vergroening van de openbare ruimte).4.6..
[gedaagde] heeft hier tegen ingebracht dat in de DekaMarkt supermarkt een (interne) slijterij zal worden geplaatst. Voortzetting van de huurovereenkomst - al dan niet in een andere vorm - was dus wel degelijk een mogelijkheid geweest, maar DekaMarkt wil daaraan niet meewerken. Het einde van de huur houdt voor [gedaagde] een feitelijke liquidatie van zijn onderneming in. Hoewel hij de pensioengerechtigde leeftijd nadert, had [gedaagde] de exploitatie van de slijterij, die goed loopt en waarvan de omzet in de afgelopen jaren is gegroeid, nog enige tijd kunnen voortzetten waarna hij deze aan zijn dochter had kunnen overdoen. Verplaatsing van de slijterij in de nabije omgeving is niet mogelijk: er zijn geen geschikte bedrijfsruimten in een straal van circa één kilometer beschikbaar.
4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat het belangen van [gedaagde] niet opwegen tegen die van NOVA Dreef. Reden hiervoor is dat huur naar zijn aard tijdelijk is en dat een huurder van bedrijfsruimte er rekening mee moet houden dat de huur op enig moment eindigt. Dat geldt hier al helemaal omdat de huurovereenkomst vanaf 1960 aan (de familie van) [gedaagde] wordt verhuurd. Daarbij heeft [gedaagde] er ook rekening mee moeten houden dat het gehuurde zich bevindt in een verouderd winkelcentrum dat op enig moment gerenoveerd zou moeten worden, hetgeen zou kunnen leiden tot het einde van de huur. Weliswaar is aannemelijk dat het niet makkelijk zal zijn om in de nabijheid van het gehuurde een andere ruimte te vinden, maar dat dit onmogelijk is, is niet gebleken. [gedaagde] lijkt ook niet actief te hebben gezocht omdat hij zich kennelijk en mogelijk in het licht van zijn naderende pensioen neerlegt bij liquidatie van de slijterij. Verder heeft [gedaagde] weliswaar aangevoerd dat hij de slijterij na zijn pensioen aan zijn dochter zou willen overdoen, maar de realiteit van dat plan heeft hij niet onderbouwd. Ten slotte is van belang dat NOVA Dreef aan [gedaagde] een tegemoetkoming van € 15.000 is aangeboden. Het subsidiaire verweer van [gedaagde] kan dus ook niet slagen.
De vordering tot vaststelling van het einde van de huur en ontruiming is toewijsbaar
4.8.. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot vaststelling van het einde van de huur worden toegewezen.
4.9.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft NOVA Dreef desgevraagd verklaard dat zij er geen bezwaar tegen heeft om een langere ontruimingstermijn aan te houden. Zij heeft in dat kader verklaard dat de andere huurders die op dit moment in het winkelcentrum zijn gevestigd na de bouwvak overgaan naar het tijdelijke winkelcentrum, waarna zal worden aangevangen met de sloop van het winkelcentrum aan het [adres 2]. De kantonrechter neemt als feit van algemene bekendheid aan dat de bouwvak in Noord Nederland dit jaar loopt tot en met 7 augustus 2026. Gelet op het voorgaande zal zij bepalen dat de huurovereenkomst op 8 augustus 2026 zal eindigen. [gedaagde] moet het gehuurde uiterlijk tegen die datum ontruimen en te verlaten. Daarmee wordt aan [gedaagde] ook enige tijd gegund om tot liquidatie over te gaan.
De door [gedaagde] verzochte schadevergoeding is niet toewijsbaar
4.10.. Meer subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat aan de beëindiging van de huur de voorwaarde moet worden verbonden dat hem een schadevergoeding van € 110.000,00 wordt toegekend. In dat verband zoekt [gedaagde] aansluiting bij het bepaalde in artikel 7:309 BW (afbraak van het gehuurde voor de uitvoering van werken in het algemeen belang. Volgens [gedaagde] is hier ook een situatie waarin een eigendomsovergang leidt tot een beëindiging van de huurovereenkomst en tot verlies van de reële kans op voortzetting van de onderneming. Pas nadat NOVA Dreef eigenaar is geworden van het gehuurde (in 2023), ontstond het streven om de huur te beëindigen vanwege de herontwikkeling die (mede) geschiedt in het algemeen belang.
4.11.. Het betoog van [gedaagde] kan niet slagen. Ook hier geldt als uitgangspunt dat huur tijdelijk is en dat de verhuurder op enig moment de huur kan beëindigen zonder dat hij een vergoeding voor schade die de huurder daardoor lijdt, verschuldigd is. Met de negatieve gevolgen van een huurbeëindiging voor een huurder van winkelruimte wordt al rekening gehouden doordat die huurbeëindiging uitsluitend via de rechter kan worden bewerkstelligd, alleen op bepaalde momenten mogelijk is en moet zijn gebaseerd op in de wet gegeven gronden. De schadevergoeding die in de situatie van artikel 7:309 BW aan de orde is, betreft dan ook een uitzondering in een bijzondere situatie. Daarvan is geen sprake. De gemeente [plaats] ondersteunt weliswaar de wens tot herontwikkeling van het winkelcentrum, maar die herontwikkeling is niet gebaseerd op beleid van de overheid of de gemeente. Van afbraak van het gehuurde in het algemeen belang of een onteigeningssituatie, waarop artikel 7:309 BW betrekking heeft, is geen sprake. NOVA Dreef gaat het gehuurde renoveren en dan verhuren.
4.12..
Zou al aansluiting kunnen worden gezocht bij artikel 7:309 BW, dan heeft [gedaagde] alleen recht op de schade wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder de eigendomsoverdracht (waarbij NOVA Dreef eigenaar van het gehuurde werd) zou hebben voortgeduurd. Die kans moet gelet op de verstreken duur van de huurovereenkomst (ruim zestig jaar) en de verouderde staat van het winkelcentrum niet als groot worden ingeschat. Een op die kans gebaseerde schadeloosstelling kan in ieder geval niet gelijk worden gesteld aan de door [gedaagde] berekende schade die is gebaseerd op een vergoeding voor de goodwill en de ondernemingswaarde bij beëindiging van de huur.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard4.13.. NOVA Dreef stelt dat gelet op de voorbereidingen en de tijd die met de realisatie van de herontwikkeling gemoeid gaat, het voor haar van belang is om zo spoedig mogelijk zekerheid te verkrijgen omtrent de datum waarop zij beschikking zal krijgen over het gehuurde. Om te voorkomen dat het vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd en niet op tijd kan worden gestart met de herontwikkeling, vordert NOVA Dreef dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.14.. Een opgezegde huurovereenkomst blijft na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd, van rechtswege van kracht tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de overeenkomst zal eindigen. Alleen in het geval dat het verweer tegen een dergelijke vordering de rechter kennelijk ongegrond voorkomt, kan het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat is het geval vanwege het volgende. [gedaagde] heeft erkend dat het gehuurde gesloopt zal gaan worden en dat hij, als de andere huurders vertrekken (al dan niet naar het tijdelijke winkelcentrum) hij niet als enige in het winkelcentrum de slijterij zal kunnen blijven exploiteren. Zijn verweer richt dan ook niet op de gevorderde beëindiging van de huur en de ontruiming van het gehuurde maar op het verkrijgen van een schadeloosstelling. In die zin is zijn verweer tegen het einde van de huur en ontruiming kennelijk ongegrond. Daarbij komt dat [gedaagde], gelet op het voorgaande, door het uitvoerbaar verklaren van dit vonnis niet in een onomkeerbare situatie terecht komt: ook na ontruiming van het gehuurde kan hij in hoger beroep nog procederen over de vraag of hij al dan niet recht heeft op een door NOVA Dreef te betalen schadevergoeding.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
4.15..
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NOVA Dreef worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.118,40
4.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
4.17.. In reconventie heeft [gedaagde] een door NOVA Dreef te betalen schadevergoeding gevorderd voor het geval deze niet zou worden opgelegd als voorwaarde voor de beëindiging van de huurovereenkomst. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen, moet de reconventionele vordering als ingesteld worden beschouwd.
4.18..
[gedaagde] heeft niet gesteld of onderbouwd waarop die vordering is gebaseerd. Indien en voor zover hij hiervoor, net zoals in conventie, aansluiting zoekt bij het bepaalde in artikel 7:309 BW, geldt dat dit ook in reconventie niet kan leiden tot toewijzing van de verlangde schadevergoeding. De kantonrechter verwijst hiervoor naar hetgeen zij in r.o. 4.11. en 4.12. heeft overwogen. Een andere grondslag is niet aangevoerd en ziet de kantonrechter ook niet. De reconventionele vordering zal dan ook worden afgewezen.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten4.19..
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de verwevenheid met de eis in reconventie, worden de proceskosten zijdens NOVA Dreef vastgesteld op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter
In conventie
5.1.. stelt vast dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde gelegen aan het adres [adres 1] in [plaats] zal eindigen op 8 augustus 2026,5.2.. veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde uiterlijk op 8 augustus 2026 te ontruimen met afgifte van de sleutels aan NOVA Dreef,
5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke renteover de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.7.. wijst de vorderingen af,
5.8.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, welke worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Artikel 7:296 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:296 lid 3 BW.
Waarbij NOVA Dreef zich beroept op artikel 7:296 lid 1 sub b dan wel lid 3 BW.
Waarbij [gedaagde] een beroep doet op het Toko Mitra-arrest, ECLI:NL:HR:2010:BM9758.
ECLI:NL:HR:2010:BM9758.
Artikel 7:295 lid 1 BW.
Als bedoeld in artikel 6:119 BW.