[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2023-1920":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2023-1920":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"333","ECLI:NL:RBNNE:2023:1920","",65,"Groningen","groningen","2023-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: LEE 21\u002F4200\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2023 in de zaak tussen\n\n [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. M.J.N. Vermeij),\n\nen\n\nde burgemeester van Groningen,verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. P. Zoeten).\n\nAls derde-partijhebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbenden,\n\n(gemachtigde: mr. A.Z. van Braam).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 9 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) beperkingen en voorschriften verbonden aan de door eiseres te houden demonstratie, waaronder de beperking dat niet gedemonstreerd mag worden op het trottoir voor [belanghebbende], lopende van de [adres]\n\nBij besluit van 18 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 22 maart 2023. Eiseres is vertegenwoordigd door\n\n [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en R.J. Bakker. Derde-belanghebbenden hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam]\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nVoorgeschiedenis\n\n1.1. Eiseres demonstreert al sinds geruime tijd (gemiddeld) om de week op vrijdagochtend aan de [adres] te [plaats], ter hoogte van het [adres]\n\n1.2. Op 8 juni 2021 heeft eiseres een kennisgeving van een demonstratie, te houden op\n\n11 juni 2021, aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.\n\n1.3. Uit de kennisgeving van eiseres van 8 juni 2021 en uit voorgaande kennisgevingen van eiseres heeft verweerder afgeleid dat het doel van eiseres is: “Hulp voor vrouw en kind in plaats van abortus”. Gelet op alle voorgaande demonstraties is het verweerder gebleken dat eiseres demonstreert met minimaal twee en maximaal vier personen. Tijdens de demonstratie worden personen, waarvan vermoed wordt dat zij de kliniek willen bezoeken, door eiseres aangesproken en wordt hen een flyer aangeboden. In een gesprek dat verweerder op 12 mei 2021 met de [naam] eiseres heeft gevoerd, werd aangegeven dat eiseres het aanspreken van personen en flyeren tot de kern van haar betoging rekent.\n\n1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van de Wom beperkingen en voorschriften verbonden aan de door eiseres te houden demonstratie, waaronder de beperking dat niet gedemonstreerd mag worden op het trottoir voor het [adres]\n\n1.5. De commissie heeft verweerder bij brief van 8 oktober 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiseres ongegrond te verklaren en het primaire besluit onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n2. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nToepasselijke regelgeving\n\n3. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingen\n\nHet geschil\n\n4. Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval terecht beperkingen en voorschriften heeft verbonden aan de door eiseres te houden demonstratie. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van het procesbelang\n\n5. De rechtbank stelt vast dat het jaar 2021 inmiddels voorbij is en dat eiseres in zoverre geen belang heeft bij een uitspraak die betrekking heeft op betogingen die in dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres voornemens is om in de komende periode bij de abortuskliniek, gevestigd aan de [adres] te [plaats], te betogen.\n\n5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit de uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382, volgt dat procesbelang kan zijn gelegen in de omstandigheid dat zich tussen dezelfde partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen.\n\n5.2. Nu in dit geval niet uitgesloten kan worden geacht dat zich tussen partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.\n\nOmvang van het geschil\n\n6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep betrekking hebben op de navolgende aspecten:\n\nde artikelen 10 en 11 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM);\n\nde bescherming van de gezondheid en wanordelijkheden;\n\nde bemoeienis met de inhoud van de demonstratie;\n\nde proportionaliteit en evenredigheid van de beperking.\n\nHet komt de rechtbank aangewezen voor om deze gronden afzonderlijk inhoudelijk te beoordelen.\n\nHet recht op betoging: het algemene toetsingskader\n\n7. Het recht op betoging is neergelegd in artikel 11, eerste lid, van het EVRM en artikel 9, eerste lid, van de Grondwet.\n\n7.1. Uit artikel 11, tweede lid, van het EVRM, volgt dat een beperking van het recht op betoging alleen is toegestaan als de beperking is voorzien bij de wet en die beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het vereiste van voorzienbaarheid bij de wet betekent dat de beperking een basis moet hebben in het nationale recht, de wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de belanghebbende en dat de bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen betreft.\n\n7.2. Artikel 9, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet volgt dat de wet regels kan stellen aan een betoging ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\n7.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de AbRvS van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3174, strekt de Wom onder meer tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet.\n\n7.4. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) eerder heeft overwogen (arrest van 20 februari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0220JUD002065292, punt 56-57), is het recht op betoging een van de fundamenten van een democratische samenleving. De ruimte voor de overheid om beperkingen te stellen is daarom beperkt. De overheid moet het recht op betoging niet alleen waarborgen, maar zich ook onthouden van het nemen van indirecte maatregelen die de uitoefening van dat recht onredelijk beperken. Zo vormt de enkele omstandigheid dat het gewone leven, inclusief het verkeer, in enige mate wordt verstoord op zichzelf genomen nog geen rechtvaardiging voor het nemen van maatregelen.\n\n7.5. Verder volgt uit de jurisprudentie van het Hof over artikel 11, eerste lid, van het EVRM, dat op de overheid een positieve verplichting rust om een demonstratie zoveel mogelijk te faciliteren en te beschermen. De verdragsstaat is verplicht om preventieve en geschikte maatregelen te nemen teneinde het vreedzame verloop van een demonstratie en de veiligheid van burgers te beschermen, bijvoorbeeld door het reguleren van het verkeer om verstoringen te minimaliseren (arresten van 5 januari 2016, ECLI:CE:ECHR:2003:0220JUD002065292, punt 96, 15 oktober 2015, punt 159 en 160, en 5 december 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1205JUD007455201, punt 39). Dit is een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. De verdragsstaat heeft een grote beoordelingsvrijheid om te bepalen welke maatregelen redelijk en geschikt zijn (zie het hiervoor vermelde arrest van 15 oktober 2015, punt 159, en het arrest van 24 maart 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0324JUD002345802, punt 251).\n\n7.6. Zoals hiervoor is overwogen, strekt de Wom onder meer tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet. Uit artikel 5, eerste lid, van de Wom volgt dat verweerder alleen beperkingen en voorschriften aan een demonstratie kan stellen als een van de in artikel 2 van de Wom vermelde belangen dat vordert. Gelet op de tekst van artikel 5, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 2, komt aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toe en is het aan hem om aan de hand van de lokale omstandigheden een inschatting te maken of, en zo ja, welke beperkingen en voorschriften aan een demonstratie moeten worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Zie ook de uitspraak van de AbRvS van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1569, waaruit volgt dat beperkingen en voorschriften dienstig moeten zijn aan de in artikel 2 van de Wom vermelde belangen. De rechter moet vervolgens beoordelen of verweerder terecht bepaalde beperkingen en voorschriften aan een demonstratie heeft gesteld.\n\nDe artikelen 10 en 11 van het EVRM\n\n8. Eiseres betoogt dat verweerder, in navolging van het advies van de commissie, in het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het aanspreken van individuele personen niet onder het betogingsrecht valt, omdat deze wijze van het houden van een betoging niet meer het uitdragen van een opvatting of een maatschappelijk probleem betreft, maar het aankaarten van een individuele zaak bij een individueel persoon, en dat er bij de demonstratie van eiseres dus geen sprake is van een grondwettelijk of verdragsrechtelijk beschermde demonstratie, zodat om die reden geen sprake kan zijn van schending van het EVRM. In de visie van eiseres miskent verweerder daarmee dat het demonstratierecht en het recht op vrijheid van meningsuiting in de opvatting van het Hof communicerende vaten zijn. Uit vaste jurisprudentie van het Hof blijkt volgens eiseres dat klachten met betrekking tot gevallen waarin artikel 11 van het EVRM niet, of niet geheel, van toepassing is (bijvoorbeeld omdat geen sprake was van een “assembly” in strikte zin, of de “assembly” niet “peaceful” was), hoe dan ook beoordeeld moeten worden onder artikel 10 van het EVRM. Alle “non-violent acts committed during an assembly are protected by Article 11”, aldus het Hof. Dat heeft in de visie van eiseres dus stellig ook te gelden voor het aanspreken van een voorbijganger op straat, aangezien de demonstraties van eiseres volstrekt “non-violent” zijn. In dit verband wijst eiseres erop dat voorbijgangers door de demonstranten van eiseres vaak individueel (door één demonstrant tegelijk) worden benaderd. Aangezien ook eenmansdemonstraties volgens het Hof onder de bescherming van artikel 11 van het EVRM vallen, is in de visie van eiseres sprake van inbreuk op het verdragsrechtelijk beschermde demonstratierecht wanneer (zoals in het geval van eiseres) een individuele demonstrant wordt weerhouden (zoals in dit geval gebeurt als gevolg van de opgelegde beperkingen) van het aangaan van een gesprek met een voorbijganger over het onderwerp waarvoor gedemonstreerd wordt. Daarbij mogen folders als hulpmiddel gebruikt worden, zo blijkt uit de jurisprudentie van het Hof, aldus eiseres.\n\n8.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het ongevraagd aanspreken van individuele personen niet onder het betogingsrecht valt, omdat deze wijze van het houden van een betoging niet meer het uitdragen van een opvatting of een maatschappelijk probleem betreft, maar het aankaarten van een individuele zaak bij een individueel persoon. Omdat deze handelwijze niet behoort tot het betogingsrecht, geniet dit in de visie van verweerder ook niet de bescherming van artikel 9 van de Grondwet. Dit brengt volgens verweerder ook met zich dat geen sprake is van een grondwettelijk en\u002Fof verdragsrechtelijk beschermde demonstratieve actie en om die reden evenmin van een schending van het EVRM. Daarbij verwijst verweerder naar een uitspraak van 21 juli 2020 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2020:5579).\n\n8.2. De rechtbank deelt niet de opvatting van verweerder dat de wijze van betogen van eiseres niet onder een grondwettelijk of verdragsrechtelijk beschermde demonstratie valt. Zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder is erkend, is het door verweerder in zoverre ingenomen standpunt te rechtlijnig in het licht van de vaste jurisprudentie van het Hof. Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder in het bestreden besluit neergelegde opvatting, gelet op de wijze van betogen van eiseres en in het licht van artikel 9 van de Grondwet, te beperkt (vgl. AbRvS, 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1569). De rechtbank ziet aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu eiseres daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.\n\nBeperking van het recht op betoging\n\n9. Eiseres betoogt dat in de eerste plaats van belang is dat het door de wetgever destijds in het kader van de Grondwetswijziging gegeven voorbeeld voor deze beperkingsgrond, de “bestrijding van een epidemie” betreft (Kamerstukken II, 1975\u002F76, 13 872, nr. 3, blz. 39). Uit dat voorbeeld volgt in de visie van eiseres dat overwegingen op het gebied van de geestelijke gezondheid geen rol kunnen en mogen spelen bij de invulling van het doelcriterium ter bescherming van de gezondheid. Volgens eiseres is het begrip ‘geestelijke gezondheid’ bovendien veel te vaag om te betrekken bij de beperking van een grondrecht. Dat blijkt ook uit het bestreden besluit, aangezien het gezondheidsrisico door verweerder niet concreet is ingevuld. In de visie van eiseres wordt door verweerder en de door hem aangehaalde bronnen louter psychologie van de koude grond bedreven en met aannames gewerkt, wanneer gesteld wordt dat het aanspreken van bezoeksters een negatieve psychische ‘(...) invloed (...) kan hebben’. Het afgaan op subjectieve gegevens en\u002Fof de input van medische leken is naar de mening van eiseres een veel te smalle basis voor de inperking van een grondrecht. Dat het risico op aantasting van de geestelijke gezondheid van de bezoeksters aanwezig en reëel is, is volgens eiseres door verweerder niet voldoende aannemelijk gemaakt.\n\n9.1. Eiseres betoogt verder dat verweerder het Wom-begrip wanordelijkheden onjuist heeft uitgelegd. In dit verband wijst eiseres erop dat het aanspreken van voorbijgangers op straat, ook al is dat in de nabijheid van een abortuskliniek, bij lange na niet het niveau van wanordelijkheden haalt. De in artikel 2 van de Wom gebruikte term wanordelijkheden dient volgens eiseres veel beperkter opgevat te worden dan het (onder andere in de Gemeentewet gehanteerde) begrip aantasting van de openbare orde. In de visie van eiseres zijn aantasting van de openbare orde en wanordelijkheden allesbehalve identiek. Ook de begrippen hinder en\u002Fof overlast mogen volgens eiseres niet gelijkgesteld worden aan wanordelijkheden in de zin van artikel 2 van de Wom. In dit verband wijst eiseres erop dat uit de jurisprudentie blijkt dat wanneer sprake is van overlast, dit mogelijkerwijs leidt tot verstoring van de openbare orde. Het begrip wanordelijkheden vormt in de visie van eiseres echter een overtreffende trap. Om van wanordelijkheden te kunnen spreken moet veel meer aan de hand zijn, namelijk “(...) een niet aflatende stroom incidenten” die moet “uitstijgen boven de te verwachten overlast en hinder” die een bepaalde manifestatie met zich brengt.’ Hieruit blijkt volgens eiseres overigens al dat iedere demonstratie geacht wordt een zekere mate van overlast en\u002Fof hinder te veroorzaken. Naar de mening van eiseres is het aanspreken van mensen op straat geen strafbaar gedrag en dus geen wanordelijkheid in de zin van de Wom. In de jurisprudentie van het Hof vindt eiseres steun voor haar standpunt, dat de in artikel 2 van de Wom gebruikte term wanordelijkheden gereserveerd moet worden voor strafbaar gedrag. Voor wat betreft beperkingen die opgelegd worden in verband met het karakter van het gebouw in de nabijheid waarvan een demonstratie plaatsvindt, ziet het Hof in de visie van eiseres, alleen ruimte voor beperkingen die ingegeven worden door “security reasons”, of indien sprake is van demonstraties bij gerechtsgebouwen. Voor (specifiek) abortusklinieken wordt een dergelijke generieke uitzondering in ieder geval niet gemaakt door het Hof, zoals volgt uit de arresten Annen tegen Duitsland en Plattform “Arzte für das Leben” tegen Oostenrijk, waar immers sprake was van (volgens het Hof) beschermenswaardige demonstraties in de nabijheid van abortusklinieken. Dat eiseres demonstreert bij een abortuskliniek mag daarom niet als (directe of indirecte) grond voor het opleggen van beperkingen aangegrepen worden.\n\n9.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beperking dat eiseres niet mag demonstreren op het trottoir voor de abortuskliniek terecht mede gebaseerd is op de bescherming van de gezondheid. De reden dat de beperking mede op deze beperkingsgrond is gebaseerd, is volgens verweerder gelegen in het feit dat het aanspreken van bezoekers van de abortuskliniek een grote invloed heeft op de (psychische) gezondheid van (in ieder geval) een deel van de aangesprokenen. Dit blijkt onder meer uit een mail van [naam]. Het aangesproken worden door demonstranten op het moment dat deze vrouwen voor een dergelijke indringende gewetenskeuze staan, tast in de visie van verweerder bovendien de mentale gezondheid van (een deel van) deze vrouwen aan. Dat de bevindingen van [naam] geen waarde zouden toekomen, omdat hij zou zijn opgeleid als sociaal geograaf en planoloog, kan verweerder niet volgen. In dit verband wijst verweerder erop dat de heer Rietveld al ruim 35 jaar zorggerelateerde functies bekleedt en in dit geval niet op persoonlijke titel spreekt, maar namens de GGD Groningen. Des te opvallender is deze stellingname van eiseres in het licht van de omstandigheid dat het eiseres is die - anders dan het personeel van abortusklinieken - als ongekwalificeerde de gewetenskeuze van kwetsbare vrouwen tracht te beïnvloeden, waarbij het onmiskenbare doel is vrouwen af te laten zien van een (mogelijk) voorgenomen abortus. Overigens blijkt ook uit de door de abortuskliniek tussen 18 september 2020 en 9 april 2021 afgenomen enquête en uit de brief van de kliniek aan verweerder van 20 mei 2021 dat het aanspreken van bezoekers van de kliniek een grote invloed heeft op de psychische gezondheid van een deel van de aangesprokenen. Een deel van de vrouwen kwalificeert het aangesproken worden door een demonstrant als confronterend en heel erg, zo blijkt uit de resultaten van de enquête. In de brief van de kliniek aan verweerder wordt beschreven dat de kliniek regelmatig bezoeksters aangeslagen, boos, schaamtevol en\u002Fof verdrietig de kliniek ziet betreden na een confrontatie met demonstranten. Daarnaast benadrukt de kliniek dat het belangrijk is om te weten dat het besluitvormingsproces een essentieel onderdeel van de zorg is in de kliniek. Zij merkt dat, wanneer demonstranten ongevraagd in gesprek willen met cliënten, dit verstorend kan werken op het verloop van het besluitvormings- en verwerkingsproces, omdat (bijvoorbeeld) gevoelens van schuld of angst voor spijt worden aangewakkerd en op die manier het proces verstoren. Deze signalen van de GGD Groningen, de bezoeksters zelf én de kliniek, maken in de visie van verweerder dat, mede gelet op de bescherming van de (psychische) gezondheid van de bezoeksters deze beperking aan de demonstratie kan worden opgelegd. De stelling van eiseres dat de beperkingsgrond bescherming van de gezondheid niet kan zien op de bescherming van de belangen van derden, zoals bezoekers van de abortuskliniek of de abortuskliniek zelf, is volgens verweerder onbegrijpelijk. Uiteraard - en juist hoofdzakelijk - ziet de beperkingsgrond bescherming van de gezondheid op de belangen van derden. Daarbij verwijst verweerder naar uitspraken van de AbRvS van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1569) en 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2521).\n\n9.3. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat het aanspreken, het flyeren en\u002Fof het volgen van bezoeksters en het belemmeren van een ongestoorde doorgang voor de abortuskliniek aan te merken is als een wanordelijkheid als bedoeld in artikel 2 van de Wom, omdat het hen onevenredig hindert in hun vrijheid. In dit verband wijst verweerder erop dat het de betrokken vrouwen in het bijzonder hindert in het ongestoord gebruik kunnen maken van hun rechten uit de Wet afbreking zwangerschap. De context waarbinnen dit gebeurt is daarbij van belang, aldus verweerder. In de visie van verweerder moet het aanspreken van de bezoekers van de kliniek op dat moment en op die plek worden aangemerkt als het hinderen van de bezoekers in (de uitoefening van hun recht op) een ongestoord bezoek aan de kliniek. Dat de toegang tot de kliniek door de demonstranten niet feitelijk of fysiek wordt gehinderd of verhinderd, maakt dat volgens verweerder niet anders. Daarnaast wijst verweerder erop dat het aanspreken van individuele bezoekers op deze plek en in deze context, ook als dit op een rustige en niet dwingende manier gebeurt, eveneens als intimiderend wordt ervaren en daarom een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, zoals beschermd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Naar de mening van verweerder dienen de bezoeksters direct voorafgaand of na een bezoek aan de kliniek gevrijwaard te blijven van het ongevraagd en\u002Fof ongewenst aangesproken worden door onbekenden op zeer persoonlijke en ingrijpende gewetenskeuzes. Dat de bezoeksters zich op de openbare weg bevinden, betekent in de visie van verweerder niet dat zij zich het ongevraagd aanspreken moeten laten welgevallen ofwel het risico daarop behoren te aanvaarden.\n\nWanneer is verweerder bevoegd om het recht op betoging te beperken?\n\n9.4. De rechtbank overweegt dat een beperking van het recht op betoging alleen is toegestaan als de beperking is voorzien bij de wet en die beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het vereiste van voorzienbaarheid bij de wet betekent dat de beperking een basis moet hebben in het nationale recht, de wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de belanghebbende en de bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen betreft (vgl. AbRvS, 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1361).\n\n9.4.1. Hoewel uit arresten van het Hof volgt dat een wettelijke norm zo precies moet zijn dat iemand, zo nodig na advies, erdoor in staat wordt gesteld om in de gegeven omstandigheden in redelijke mate te voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben, zijn wetten onvermijdelijk enigszins algemeen geformuleerd. Zie in dit verband bijvoorbeeld het arrest van het Hof, Galstyan tegen Armenië, van 15 november 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:1115JUD002698603, par. 106. De reikwijdte van een bevoegdheid mag echter niet zo groot zijn dat die bevoegdheid willekeurig kan worden ingezet. De bepaling moet een indicatie geven hoe een bevoegdheid in een bepaalde situatie zal worden uitgeoefend. Vergelijk hiervoor het arrest van het Hof, Navalnyy tegen Rusland, van 15 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1115JUD002958012, par. 115. Artikel 5, eerste lid, van de Wom voldoet, mede in het licht van de wetsgeschiedenis en de systematiek van de Wom, aan de vereisten van helderheid en geeft geen aanleiding tot willekeurig overheidsoptreden (vgl. AbRvS, 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1361).\n\n9.5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het recht op betoging heeft beperkt vanwege de bescherming van de gezondheid en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden als bedoeld in artikel 2 en artikel 5, eerste lid, van de Wom. Ten aanzien van de beperkingsgrond ‘bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ overweegt de rechtbank als volgt.\n\n9.5.1. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid die artikel 5, eerste lid, van de Wom aan verweerder geeft om voorschriften en beperkingen te stellen aan een betoging, een discretionaire bevoegdheid is. Dat betekent dat verweerder een bepaalde beleidsruimte heeft bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de voorwaarden ter beperking van de betogingen in redelijkheid kon stellen vanuit het oogpunt van de belangen die genoemd worden in artikel 2 van de Wom: bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nHeeft verweerder het begrip wanordelijkheid juist uitgelegd?\n\n9.6. De rechtbank overweegt dat eiseres terecht betoogt dat de beperkingsgrond ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden niet te ruim mag worden uitgelegd. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar standpunt dat die beperkingsgrond zo beperkt moet worden uitgelegd, dat alleen strafbare gedragingen hieronder vallen en dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen. Zoals de AbRvS heeft overwogen in haar uitspraak van 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2521) is van belang dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 van de Grondwet (Kamerstukken II 1975\u002F76, 13 872, nr. 4, blz. 90, en Kamerstukken II 1976\u002F77, 13 872, nr. 7, blz. 34), waarnaar ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom wordt verwezen, is vermeld dat doelbewust voor bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden als beperkingsgrond is gekozen. Het vervangen van deze beperkingsgrond door handhaving van de openbare orde zou een aanmerkelijke uitbreiding van de beperkingsbevoegdheid en dus een verzwakking van het in dit artikel vervatte grondrecht inhouden, omdat het begrip openbare orde zeer ruim kan worden uitgelegd. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom (Kamerstukken II 1985\u002F86, 19 427, nr. 3, blz. 17) is verder vermeld dat de betekenis van de beperkingsgrond bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context waarbinnen de grond wordt ingeroepen. De beoordeling of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, hangt niet uitsluitend af van de aard van die gedragingen. Ook de plaats waar de manifestatie wordt gehouden kan hier van betekenis zijn. De mate van orde en rust die naar algemeen inzicht op een bepaalde plaats behoort te heersen, bepaalt mede wanneer de grens van wanordelijkheden wordt overschreden, aldus de geschiedenis. Gelet op deze totstandkomingsgeschiedenis volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat onder wanordelijkheden uitsluitend strafbare gedragingen moeten worden verstaan. Ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis niet dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip wanordelijkheid als bedoeld in artikel 2 van de Wom. Deze grond van eiseres slaagt niet.\n\nWas verweerder bevoegd om de betoging te beperken?\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van de doelcriteria van artikel 2 van de Wom, meer specifiek ter voorkoming van wanordelijkheden, in dit geval bevoegd was om beperkingen en voorwaarden aan de betoging van eiseres te stellen.\n\n10.1. De rechtbank overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom (Kamerstukken II 1985\u002F86, 19427, 3, p. 17) volgt dat de voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden in de nabijheid van bijvoorbeeld gebouwen van buitenlandse vertegenwoordigingen, parlementsgebouwen, beschermde natuurgebieden, ziekenhuizen en begraafplaatsen het stellen van zwaardere eisen met zich kan brengen dan op andere openbare plaatsen. De rechtbank merkt het CSGNN en de daarvan deel uitmakende abortuskliniek aan als een plaats waarbij deze zwaardere eisen gesteld kunnen worden. Verder overweegt de rechtbank dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom is vermeld dat de betekenis van de beperkingsgrond “bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context waarbinnen de grond wordt ingeroepen. Dat de beoordeling of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, hangt niet uitsluitend af van de aard van die gedragingen. Ook de plaats waar de manifestatie wordt gehouden kan hier van betekenis zijn. De mate van orde en rust die naar algemeen inzicht op een bepaalde plaats behoort te heersen, bepaalt mede wanneer de grens van wanordelijkheden wordt overschreden, aldus de geschiedenis. Of gesproken kan worden van wanordelijkheden hangt dus af van de aard van de gedragingen en de plaats waar de betogingen plaatsvinden, in dit geval bij een abortuskliniek. De rechtbank is van oordeel dat bezoeksters van een abortuskliniek in zekere mate meer bescherming behoeven dan bezoekers van andere openbare locaties. De rechtbank maakt uit de aan verweerder overgelegde meldingen van bezoeksters van de abortuskliniek, ondersteund door de bevindingen van opsporingsambtenaren, de directeur van de GGD Groningen alsmede de directeur van de abortuskliniek, op dat de wijze waarop betogers van eiseres bezoeksters benaderen de grens van het toelaatbare overschrijdt. De mate van indringendheid en vastberadenheid waarmee betogers trachten bezoeksters van de abortuskliniek persoonlijk aan te spreken op ethische kwesties, hen achternalopen en hen naroepen met als doel het gesprek voort te zetten, ook nadat is aangegeven dat daar geen prijs op wordt gesteld, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat door het gedrag van de betogers sprake is van wanordelijkheden. Bij de afweging om beperkingen aan een betoging te stellen heeft verweerder ook het verloop en de meldingen naar aanleiding van eerdere betogingen door eiseres mogen betrekken (vgl. AbRvS, 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1569). Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank betekenis mogen toekennen aan de door hem ontvangen informatie, bestaande uit e-mails van bezoekers van de abortuskliniek, resultaten van een door de abortuskliniek gehouden enquête, een brief van de abortuskliniek en van de directeur van de GGD Groningen alsmede verklaringen van buitengewone opsporingsambtenaren (hierna: boa’s), in onderlinge samenhang bezien, in het licht van voormelde doelcriteria. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de uitkomsten van de gehouden enquête het beeld van de negatieve waarnemingen van de boa’s bevestigt. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.\n\n10.1. Aangezien verweerder naar het oordeel van de rechtbank reeds bevoegd was om beperking en voorwaarden aan de betoging te stellen ter voorkoming van wanordelijkheden, komt de rechtbank niet toe aan hetgeen is gesteld ten aanzien van de beperkingsgrond ‘bescherming van de gezondheid’.\n\nBemoeienis met de inhoud\n\n11. Eiseres betoogt dat verweerder bij het opleggen van de beperkingen (al dan niet indirect) een oordeel over de inhoudelijke wenselijkheid van de uitingen van eiseres bij zijn afweging en besluitvorming heeft betrokken. In dit verband wijst eiseres erop dat haar werkwijze sindsdien niet is veranderd en dat zich in de gang van zaken tijdens haar demonstraties geen wijzigingen hebben voorgedaan. Daarbij acht eiseres van belang dat in 2019 de huidige locatiebeperking niet nodig werd gevonden dan wel toegepast. In de visie van eiseres is in het beleid van verweerder echter een duidelijke omslag te zien als gevolg van de door abortusactivisten in het voorjaar van 2021 opgetrommelde stroom aan e-mails en publiciteit ten gunste van het instellen van een bufferzone. Ook verwijst eiseres in dit kader naar de oproep van het Humanistisch Verbond aan burgemeesters om beperkingen op te leggen aan anti-abortusdemonstraties, in navolging van voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter. Dit brengt eiseres tot de conclusie dat de aan haar demonstratie opgelegde beperkingen getuigen van wat het Hof een “ulterior purpose” noemt: het willen apaiseren van de gepolitiseerde druk van de abortuslobby.\n\n11.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inhoud van de demonstratie niet bij de besluitvorming is betrokken. In dit verband wijst verweerder erop dat hij zonder een inhoudelijk oordeel te vormen en te geven over de inhoud van de (voorgenomen) demonstratie van eiseres, aan de hand van alle feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de gedragingen van eiseres, bestaande uit het aanspreken, volgen en trachten te overtuigen van bezoeksters, op deze specifieke locatie als intimiderend worden ervaren. Naar de mening van verweerder is er geen enkele beperking opgelegd die ziet op de inhoud van de betoging, maar slechts beperkingen die zien op de gedragingen van de demonstranten.\n\n11.2. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat verweerder zich heeft laten leiden door de inhoud van de betoging van eiseres. Uit de door eiseres gemaakte verwijzingen valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat verweerder in dit geval beperkingen heeft opgelegd aan de betoging van eiseres vanwege de inhoud. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zich gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aangesproken worden door de demonstranten van eiseres voor een groot deel van de bezoeksters van de abortuskliniek als intimiderend kon worden ervaren. Dat betreft de vorm van de betoging van eiseres en niet de inhoud. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat van de door eiseres gestelde schending van het EVRM niet is gebleken. Deze grond van eiseres slaagt niet.\n\nTen aanzien van de evenredigheid en proportionaliteit\n\n12. Eiseres betoogt dat verweerder een onjuiste conclusie heeft getrokken naar aanleiding van de belangenafweging, aangezien de vereiste stappen die bij toetsing van een mogelijke inbreuk op een Verdragsrecht zijn voorgeschreven, zijn overgeslagen. In de visie van eiseres is het niet voldoende om te constateren dat er zoiets is als het demonstratierecht, om vervolgens meteen te concluderen dat een opgelegde locatiebeperking evenredig en proportioneel is. In dit verband acht eiseres van belang dat bij de beantwoording of een beperking van een verdragsrecht (het demonstratierecht) heeft te gelden als “necessary in a democratic society”, staten, aldus het Hof, een zekere (maar zeker niet onbeperkte) “margin of appreciation” hebben. Een beperking is alleen “necessary” als zij beantwoordt aan een “pressing social need”, en proportioneel is in verhouding tot het beoogde legitieme doel. De voor de beperking aangevoerde grond(en) moet(en) “relevant and sufficient” zijn. De beslissing moet bovendien gebaseerd zijn op een “acceptable assessment of the relevant facts” (Guide on Article 11 of the European Convention on Human Rights). Naar de mening van eiseres is van dat laatste onvoldoende sprake in het bestreden besluit. In dit verband wijst eiseres erop dat de enige objectieve feitenbron die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, de enquête is die de abortuskliniek gehouden heeft onder een aantal bezoeksters. Eiseres gaat er van uit dat de antwoorden naar waarheid opgetekend zijn. Verweerder heeft in de visie van eiseres echter niet de enquête zelf als bron gebruikt, maar alleen de interpretatie van de enquêteresultaten door de abortuskliniek. Eiseres is van mening duidelijk te hebben gemaakt dat die interpretatie geen recht doet aan de feitelijk gegeven antwoorden. Weliswaar hebben de abortuskliniek en verweerder geconcludeerd dat de geënquêteerde vrouwen het onprettig, naar of vervelend vonden om aangesproken te worden, maar, objectief bezien, hadden veel meer antwoorden de strekking dat het aanspreken rustig en beleefd gebeurde, en dat vrouwen wel de vrijheid hadden om interactie met de demonstranten te weigeren, als zij dat niet wilden. Daarnaast is het feitelijk zo dat, doordat de demonstranten nu op afstand zijn geplaatst van de ingang van de abortuskliniek, zij juist niet meer in staat zijn hun gedachten en opvattingen aan de doelgroep te openbaren, gezien de door de demonstranten gekozen werkwijze. De demonstranten van eiseres bedienen zich niet van de klassieke demonstratiehulpmiddelen als spandoeken, borden of megafoons. De door hen gekozen demonstratiemethode bestaat uit het ‘low-key’, respectvol en persoonlijk benaderen van iedere (mogelijke) bezoekster van de abortuskliniek. Dat heeft verweerder onmogelijk gemaakt met de opgelegde locatiebeperking, die inhoudt dat de demonstranten aan de overkant van de straat moeten staan. Naar de mening van eiseres komt de locatiebeperking daarmee feitelijk neer op een totaal verbod.\n\n12.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in dit geval sprake is van een te maken afweging tussen botsende grondrechten, namelijk de afweging tussen enerzijds het demonstratierecht en het recht op vrijheid van meningsuiting van eiseres en anderzijds het recht van kliniekbezoekers op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer en hun recht om ongehinderd gebruik te maken van medische zorg op grond van de Wet afbreking zwangerschap. Weliswaar betekent het in het EVRM neergelegde recht op betoging en vrije meningsuiting eveneens het recht om zelf te kiezen voor tijdstip, plaats en wijze van demonstreren en om daarbij uitingen te doen die “offend, shock and disturb”, zoals eiseres stelt, maar dit recht is niet onbegrensd en kan naar de mening van verweerder niet worden uitgeoefend onder voorbijgaan aan de rechten en belangen van derden.\n\n12.2. De rechtbank is van oordeel de door verweerder opgelegde beperking aan de betoging van eiseres, als resultaat van de verrichte belangenafweging, evenredig en proportioneel is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het belang van het voorkomen van de wanordelijkheden mogen besluiten dat de betogingen van eiseres op enige afstand van de ingang van de abortuskliniek moeten worden gehouden. Gelet op de strekking van de door verweerder opgelegde beperking aan de betoging behoudt eiseres het recht om bezoeksters van de abortuskliniek aan te spreken, maar wordt voorkomen dat bezoeksters achterna worden gelopen tot aan de ingang van de abortuskliniek. Deze afweging van het demonstratierecht van eiseres enerzijds en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bezoeksters van de abortuskliniek anderzijds is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. Niet gebleken is van de door eiseres gestelde schending van artikel 10, in samenhang gelezen met artikel 11, van het EVRM.\n\n12.3. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het voor eiseres nog steeds mogelijk is om op enige afstand van de ingang van de abortuskliniek, maar in het zicht van de doelgroep van de demonstratie, haar gedachten en opvattingen over dit onderwerp te openbaren. Gelet daarop is van de door eiseres gestelde onevenredigheid voor wat betreft de beperking van haar demonstratierecht geen sprake. Niet gezegd kan worden dat de beperking het recht op betoging illusoir maakt of dat de beperking betrekking heeft op de inhoud van de betoging. Evenmin vormt de beperking een beletsel op het houden van een betoging als zodanig, of op betogingen door eiseres in het algemeen. Eiseres heeft ondanks de opgelegde beperkingen, naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid haar standpunt aan de bezoeksters van de abortuskliniek kenbaar te maken. De rechtbank begrijpt dat eiseres liever op het trottoir voor de ingang van de abortuskliniek een betoging of een openbare manifestatie zou houden, maar dit brengt niet met zich dat enkel om die reden de door verweerder verrichte belangenafweging onredelijk is. Hoewel eiseres een specifieke vorm van betogen\u002Fdemonstreren nastreeft, is de rechtbank van oordeel dat elke andere beperking een nog ingrijpender karakter heeft. Onder die omstandigheden kan evenmin geconcludeerd worden dat de door verweerder verrichte belangenafweging onredelijk is en de beperking onevenredig en disproportioneel is. Deze grond van eiseres slaagt niet.\n\nConclusie\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond.\n\n13.1. Vanwege het toepassen van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen de proceskosten van eiseres worden begroot op € 1.674,- in verband met verleende professionele rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 360,- aan haar dient te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep van eiseres ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.674,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;\n\n- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 360,- aan haar dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter,\n\nmr. P.H.M. Tapper-Wessels en mr. A.W.C.M. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n12 mei 2023.\n\ngriffier voorzitterRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nEuropees Verdrag voor Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM)\n\nArtikel 8 Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven\n\n1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.\n\n2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\nArtikel 10 Vrijheid van meningsuiting\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.\n\n2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.\n\nArtikel 11 Vrijheid van vergadering en vereniging\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.\n\n2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.\n\nGrondwet (Gw)\n\nArtikel 9 Vrijheid van vergadering en betoging\n\n1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.\n\n2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nArtikel 10 Privacy\n\n1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.\n\n(…).\n\nWet openbare manifestaties (Wom)\n\nArtikel 2\n\nDe bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nArtikel 5\n\n1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.\n\n(…)\n\n3. Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.\n\n(…)\n\nArtikel 6\n\nDe burgemeester kan tijdens een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APV)\n\nArtikel 2:4 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen\n\n1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden,\n\nwaaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet\n\nopenbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste\n\n48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.\n\n2. De kennisgeving bevat:\n\na. naam en adres van degene die de betoging houdt;\n\nb. het doel van de betoging;\n\nc. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en\n\nvan beëindiging;\n\nd. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;\n\ne. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en\n\nf. maatregelen die degene die de betoging houdt, zullen treffen om een regelmatig\n\nverloop te bevorderen.\n\n(…).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1920","ecli-nl-rbnne-2023-1920",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]