[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-1229":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-1229":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1942","ECLI:NL:RBNNE:2026:1229","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer: C\u002F17\u002F199022 \u002F HA ZA 25-55\n\nVonnis van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] , 2. [eiser sub 2],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna te noemen [eiser sub 1] respectievelijk [eiser sub 2] en samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaten: mr. L.H.E. Drenthe en mr. A.I. Keur,\n\ntegen\n\nMEDIAHUIS NOORD B.V.,\n\ngevestigd te Leeuwarden,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Mediahuis,\n\nadvocaat: mr. J.J. Gevers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 30 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Mediahuis was tot 2025 o.a. een uitgeverij van kranten.\n\n2.2.. \n [eisers] zijn een echtpaar en zijn beiden tandarts te [plaats] .\n\n2.3.. De heer van [naam 1] is net als [eisers] tandarts te [plaats] . Zijn echtgenote [naam 2] (hierna: [naam 2] ), werkt in zijn tandartspraktijk.\n\n2.4.. De verhouding tussen [eisers] enerzijds en [naam 1] en [naam 2] anderzijds is al jaren ernstig verstoord. Er zijn over en weer diverse procedures gevoerd, waaronder meerdere tuchtrechtelijke procedures.2.5.. Op 11 september 2018 heeft [naam 1] een klacht ingediend tegen [eisers] bij het Regionale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle (hierna: RTG). [naam 1] was destijds [functie 1] van de Tandartsenkring [plaats] . Hij heeft [eisers] verweten dat zij (1) zich niet zouden houden aan de afspraken over de opvang van spoedgevallen, (2) zich grievend zouden uitlaten over een collega, (3) geen medische dossiers zouden verstrekken en (4) zorg van onvoldoende kwaliteit zouden verlenen.\n\n2.6.. Op 9 mei 2019 heeft mevrouw [naam 3] , werkzaam als [functie 2] , desgevraagd - voor zover van belang - het volgende per e-mail aan [eiser sub 1] bericht over de afhandeling van een tandheelkundig spoedgeval:\n\nDe begeleider van het voetbalteam van [naam 4] heeft hem (…) naar de ambulancepost gereden. (..) Na hem verzorgd te hebben en de tanden te hebben teruggezet is de verpleegkundige gaan bellen. Eerst naar eigen tandarts van de jongen, vandaar verwezen naar spoedlijn. Terwijl zij met spoedlijn belde was de begeleider van de voetbal ook zelf een tandarts aan het regelen. Toen onze verpleegkundige dat hoorde heeft zij het gesprek met de spoedlijn afgebroken. Uitgelegd dat er via een andere weg een tandarts werd geregeld. Dit is exact wat de triagist van de spoedlijn heeft gerapporteerd. Er is ook verder niet op doorgevraagd. Naar later bleek was inderdaad tandarts Huizen benaderd. Deze blijkt ook begeleider van een voetbalteam, vandaar de korte lijn tussen beide mannen. (…) Begeleider is uiteindelijk met [naam 4] naar diens praktijk gegaan.\n\n2.7.. Bij afzonderlijke beslissingen van 16 mei 2019 heeft het RTG de klacht van [naam 1] tegen [eisers] wat betreft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond verklaard en wat betreft klachtonderdeel 4 ongegrond verklaard. De bevoegdheid van [eiser sub 1] om zijn tandartspraktijk uit te oefenen is voor de duur van een half jaar geschorst, waarvan één maand onvoorwaardelijk en vijf maanden voorwaardelijk en de bevoegdheid van [eiser sub 2] om haar tandartspraktijk uit te oefenen is voor de duur van een half jaar voorwaardelijk geschorst.\n\n2.8.. In de Steenwijker Courant, een uitgave van Mediahuis, is op vrijdag 24 mei 2019 een voor (de tandartspraktijk van) [eisers] negatief artikel gepubliceerd (hierna: het artikel), dat geschreven is door de heer [auteur artikel] (hierna: [auteur artikel] ) Het artikel bestond uit twee delen, een deel op de voorpagina en een deel op pagina 6. Op de voorpagina stond de volgende tekst, waarin verwezen werd naar het uitgebreidere deel van het artikel op pagina 6:\n\nOp pagina 6 van de krant stond de volgende tekst:\n\n2.9.. Het artikel is ook opgenomen in de digitale Steenwijker Courant, die abonnees van de Steenwijker Courant kunnen lezen.\n\n2.10.. De beslissingen van het RTG zijn vernietigd bij beslissing van 17 maart 2020 van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (hierna: CTG).\n\n2.11.. In 2022 heeft [eisers] de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. [eisers] wilden aan de hand van het voorlopig getuigenverhoor bezien of zij [naam 2] konden aanspreken uit onrechtmatige daad vanwege voormeld krantenartikel. Bij beschikking van 8 april 2022 heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Op 17 juni 2022 zijn [naam 2] en [auteur artikel] gehoord, op 17 oktober 2022 is mevrouw [naam 5] ., een huidige client van [eisers] tevens oud-client van [naam 1] , gehoord en op 21 oktober 10 november 2023 is in tegenverhoor [naam 1] gehoord.\n\n2.12.. \n [naam 2] heeft - voor zover van belang - het volgende verklaard:\n\nIk vertel u dat er op 23 mei, de dag ervoor, een artikel in de Stentor stond dat ook ging over meneer [eiser sub 1] en de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege. Die dag nam iemand van de Steenwijker Courant contact met mij op. Ik weet niet meer wie dat was. Dat kan meneer [auteur artikel] zijn geweest, maar dat weet ik niet. Ik weet niet meer wat diegene mij heeft gevraagd. Ik weet ook niet meer wat ik daarop heb geantwoord. Ik weet nog wel dat ik op 23 mei een e-mailbericht heb ontvangen van meneer [auteur artikel] met daarin een opzet voor het artikel van 24 mei. Ik zal daar vast telefonisch op hebben gereageerd, maar ik weet niet meer wat ik daarbij gezegd heb, behalve dan dat de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege niet door de Kring, maar door de praktijk van mijn man en mij is aangespannen. (…). Ik heb alleen nooit gezegd wat er wordt geciteerd: “geen oog voor de mond”. (…) 's Middags op 23 mei kregen we in de e-mail een aangepaste versie van het krantenartikel. (…) Ik zag dat e- mailbericht 's avonds en heb daar niet meer op gereageerd. Het geplaatste artikel zag ik enkele dagen na 24 mei. (…) Ik weet niet meer of ik op Facebook iets geplaatst heb over het gesprek met de medewerker van de Steenwijker Courant. Het kan zijn dat ik wel het artikel op Facebook heb gedeeld.(…) Het artikel van 24 mei heb ik ook niet op een andere manier verder verspreid, zoals door op te hangen in de praktijk of met patiënten te delen. (…) Het citaat dat begint in de tweede kolom op de eerste bladzijde: “zo had hij een landelijk (...) op zijn stoep stonden\" heb ik niet expliciet zo gegeven. (…) U vraagt mij over het citaat dat is opgenomen op de tweede bladzijde: “zo hebben we onlangs (...) waardoor de patiënten hem niet thuis troffen\". Dat citaat heb ik niet letterlijk zo gegeven. Ik heb niet gezegd dat de TBB niet bereikbaar was, maar dat de TBB niet goed kon inschatten naar welke tandarts de jongen moest. Ik heb wel ook gezegd dat tevens de praktijk van meneer [eiser sub 1] niet goed bereikbaar was, terwijl hij die dag de dienstdoende tandarts was. (…) Ik heb gebeld met de praktijk van meneer [eiser sub 1] op het moment dat de ambulance spoedpost had gebeld met ons en mijn man naar de praktijk was gegaan om de bewuste jongen te helpen. Toen ik belde werd opgenomen door de vrouw van meneer [eiser sub 1] , mevrouw [eiser sub 2] . (…) Op een later moment, toen mijn man met de ambulancemedewerker sprak, stond ik daar bij. De medewerker van de ambulancepost vertelde aan mijn man hoe de jongen uiteindelijk bij zijn praktijk terechtgekomen was. Hij vertelde namelijk dat de begeleider van de voetbal aan hem vertelde dat ze een goede praktijk kende in [plaats] en het mobiele nummer van de tandarts hadden, het gaat dan om de praktijk van mijn man, en dat de ambulancemedewerker vertelde dat ze vanwege de lange wachttijd bij het triagebureau besloten om naar deze praktijk te gaan. Met de lange wachttijd bij het triagebureau bedoel ik dat de TBB eerst nog moest kijken welke tandarts dienst had. Het citaat: “ontevreden patiënten (...) hier gaande\" heb ik niet letterlijk zo gegeven. Ik heb wel gezegd dat de patiënten overstapten, maar dat waren er toen 250 en ik heb ook gezegd dat er een zekere week zelfs 66 patiënten overstapten. Het zou kunnen dat ik heb gezegd dat die 250 patiënten in een jaar tijd waren overgestapt.\n\n2.13.. Mevrouw [naam 5] . heeft - voor zover van belang - verklaard:\n\nIk had een conflict met de heer [naam 1] over het verkeerd plaatsen van mijn facings. Ik wilde in oktober\u002Fseptember 2020 bij hun praktijk weg en overstappen naar (…) meneer [eiser sub 1] . (…) Toen ik het gesprek met mevrouw [naam 1] aanging over dat overstappen wees zij naar dat artikel [van de Steenwijkercourant van 24 mei 2019; toevoeging rechtbank] en zei dat ik dat moest lezen.\n\n2.14.. Bij e-mail van 30 oktober 2024 heeft mr. Drenthe namens [eisers] Mediahuis gesommeerd om het artikel offline te halen en een rectificatie te plaatsen. In reactie hierop heeft Mediahuis per e-mail van 4 november 2024 aan mr. Drenthe bericht niet bereid te zijn het artikel te verwijderen of een uitgebreide rectificatie te plaatsen, maar naar aanleiding van de beslissing in hoger beroep in de tuchtzaak wel het online artikel zou aanvullen met een kader, waarin deze latere feiten zouden worden onderstreept. Vervolgens heeft Mediahuis in 2024 in de digitale versie van het artikel op de volgende wijze in het artikel een kader met een aanvullende tekst gevoegd met als kop: ‘Update: schorsing ongedaan gemaakt’.2.15.. Gelijktijdig met de update bij het artikel is het artikel aangepast en is opgenomen dat niet de Tandartsenkring [plaats] , maar Tandartspraktijk [naam 1] de zaak tegen [eisers] aanspande bij het RTG.\n\n2.16.. Mediahuis is op 1 april 2025 gefuseerd en verdwenen als rechtspersoon. Verkrijgende rechtspersoon is Mediahuis Nederland B.V. De fusieakte is op 31 maart 2025 verleden. Mediahuis is uitgeschreven uit het handelsregister per 4 april 2025.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:\n\ni. voor recht zal verklaren dat het artikel in de Steenwijker Courant d.d. 24 mei 2019\n\n onjuistheden bevat en ongegronde verwijten en verdachtmakingen;\n\nii. Mediahuis zal veroordelen binnen 2 dagen na betekening van het in dezen te\n\n wijzen vonnis het bewuste artikel in de Steenwijker Courant volledig te verwijderen en\n\n verwijderd te houden; en \u002Fof\n\niii. Mediahuis zal veroordelen een rectificatie te plaatsen, online en in de papieren\n\nuitgave van de Steenwijker Courant, in de vorm van een advertentie die voor eenieder (ook\n\nniet- abonnees) leesbaar is met de tekst:\n\n\"Op 24 mei 2019 plaatsten wij een artikel over een tandarts te [plaats] met 2 \"koppen” te weten op de voorpagina \"Tuchtcollege schorst tandarts\" en op pagina 6 \"Waslijst van klachten over tandarts ”, naderhand is gebleken dat het artikel ernstige onjuistheden bevatte, beweerd door de geïnterviewde mevrouw, met als gevolg dat in het artikel een onjuist beeld werd opgeroepen. De in het artikel aangehaalde tuchtuitspraak is bovendien door de hogere tuchtrechter in beroep vernietigd. De redactie ”\n\niv. Mediahuis zal veroordelen in de kosten van onderhavige procedure;\n\n3.2.. \n [eisers] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd. Het artikel bevat grove onjuistheden en ongefundeerde beschuldigingen die [eisers] schaden. Mediahuis heeft voorafgaand aan de publicatie van het artikel onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Ook heeft Mediahuis met de aanduiding ‘tandarts [eiser sub 1] ’ de uitspraak van het RTG waarin is bepaald dat die uitsluitend anoniem zou worden gepubliceerd, uit de anonimiteit gehaald. Het artikel is daarmee onrechtmatig jegens [eisers] Het artikel heeft nog altijd grote, negatieve impact op de tandartspraktijk van [eisers]\n\n3.3.. Mediahuis voert verweer. Mediahuis concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis worden voldaan.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVerduidelijking van de vorderingen\n\n4.1.. \n [eisers] hebben ter zitting verduidelijkt dat de vorderingen onder ii en iii zo begrepen moeten worden dat ze naast elkaar worden gevorderd, in die zin dat én verwijdering van het artikel én rectificatie daarvan wordt gevorderd en niet het een of het ander. De rechtbank zal de vordering zo begrijpen, omdat Mediahuis daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Partijen verschillen van mening over de vraag of Mediahuis door publicatie van het artikel (en haar latere weigering om het artikel te verwijderen) onrechtmatig handelt jegens [eisers] in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). De vraag of een publicatie onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM) enerzijds, en het wettelijk verankerde recht op bescherming van eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) anderzijds. In beginsel staan deze twee fundamentele rechten op een gelijk niveau: niet kan worden gezegd dat de vrijheid van meningsuiting (de persvrijheid) per definitie zwaarder weegt dan de bescherming van het privéleven. Het omgekeerde kan evenmin worden gezegd.\n\n4.3.. De publicatie van een artikel kan onrechtmatig zijn wanneer deze in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid. Daarbij gaat het om een afweging van de wederzijds betrokken belangen. [eisers] heeft er belang bij niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen door publicaties in de pers. Mediahuis heeft er belang bij om zich in het openbaar kritisch te kunnen uitlaten over misstanden of anderszins kwalijk geachte tendensen in de samenleving. Daarnaast is er uiteraard het belang van de samenleving om te worden geïnformeerd over ontwikkelingen en nieuws.\n\nOnrechtmatig artikel\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat het artikel hoofdzakelijk bestaat uit citaten van [naam 2] , met verwijten en beschuldigingen aan het adres van [eisers] Ook heeft [auteur artikel] aan die verklaringen vergaande en niet zonder meer objectieve en onderbouwde conclusies verbonden die ook in het artikel zijn opgenomen. Zo concludeert hij: “Er waren zoveel klachten over deze tandarts [eiser sub 1] . dat Tandartsenkring [plaats] een zaak aanspande bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle.” en “De kans is groot dat er een nog grotere toeloop van zijn patiënten naar andere praktijken komt.” Het had op de weg van Mediahuis gelegen om [eisers] in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid te stellen op deze verwijten, beschuldigingen en conclusies te reageren vanwege de potentiële schadelijke effecten daarvan. Dit heeft zij nagelaten. [eisers] hebben ter zitting onbestreden gesteld dat Mediahuis hen enkel heeft gevraagd om een reactie op de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 16 mei 2019. Die reactie (van hun advocaat) is in het artikel opgenomen. [eisers] hebben, anders dan [naam 2] , ook geen concept van het artikel toegestuurd gekregen voor de publicatie ervan. Mediahuis heeft [eisers] aldus de mogelijkheid ontnomen om feitelijke onjuistheden in het artikel recht te zetten.\n\n4.5.. Daardoor staan er nu beschuldigingen en conclusies in het artikel die feitelijk onjuist zijn. Zo is de hierboven geciteerde conclusie van [auteur artikel] in het artikel dat vanwege de vele klachten tegen [eiser sub 1] . de Tandartsenkring een procedure bij het RTG is gestart onjuist. Die procedure is enkel gestart door [naam 1] . Ook de in het artikel opgenomen verklaring van [naam 2] dat er inmiddels in ruim een jaar tijd al 600 patiënten van de praktijk van [eisers] zouden zijn overgestapt naar de praktijk van [naam 1] is feitelijk onjuist. Dit blijkt al uit de door [naam 2] zelf afgelegde getuigenverklaring. Volgens haar heeft zij [auteur artikel] niet verteld dat het 600 patiënten waren maar 250. [eisers] hebben bovendien onbestreden gesteld dat er geregeld patiënten overstappen van praktijk, ook van de praktijk van [naam 1] naar die van hem. Die nuancering is in het artikel ten onrechte niet aangebracht. Verder staan in het artikel feitelijk onjuiste verwijten aan het adres van [eisers] over het onbereikbaar zijn in spoedgevallen. [naam 2] wordt hierover in het artikel als volgt geciteerd: “Hij hield zich niet aan de afspraken. Zo had hij een landelijk tandartsbemiddelingsbureau, afgekort TBB, ingeschakeld om de noodtelefoontjes op te vangen. (…) Maar te vaak gaven hij en zijn vrouw niet thuis als mensen met kiespijn of andere acute problemen op de stoep stonden. Zo hebben we onlangs een jongen van 18 jaar moeten helpen bij het terugplaatsen van twee uitgeslagen voortanden, omdat de praktijk van [eiser sub 1] . door inzet van TBB niet bereikbaar was terwijl acute hulp noodzakelijk was.” Uit de latere getuigenverklaring van [naam 2] blijkt dat het niet juist is dat de praktijk van TBB in het geval van de achttienjarige jongen niet bereikbaar was. Volgens haar heeft zij dat ook niet zo gezegd tegen [auteur artikel] . Ook uit de e-mail van 9 mei 2019 van [naam 3] , de [functie 2] van de ambulancepost die die dag het betreffende contact had met het TBB over dit spoedgeval, blijkt dat het feitelijk onjuist is dat [eisers] in dit spoedgeval onbereikbaar waren. Zij geeft in die mail aan dat, terwijl de verpleegkundige van de ambulancepost met de TBB belde, de begeleider van het voetbalteam van de jongen ook zelf een tandarts aan het regelen was. Toen de verpleegkundige dat hoorde heeft zij het gesprek met de TBB afgebroken. Van het onbereikbaar zijn van [eisers] in dit spoedgeval is dus geen sprake geweest. Deze feitelijk onjuist gebleken beschuldigingen en conclusie hebben een zware lading.\n\n4.6.. Mediahuis heeft aangevoerd dat zij [eiser sub 1] in het artikel heeft aangeduid als ‘ [eiser sub 1] .’, om zo veel als mogelijk de privacy van [eisers] te waarborgen en dat het artikel, afgezien van de uitspraken van het RTG en CTG, geen gegevens bevat die tot identificatie kunnen leiden. Voor zover zij hiermee wil aanvoeren dat het artikel niet makkelijk te herleiden is tot [eisers] wordt zij hierin niet gevolgd. In het artikel staat vermeld dat het gaat om een tandarts met een praktijk in [plaats] en dat de vrouw van deze tandarts ook tandarts is, terwijl als onbestreden vaststaat dat [eisers] het enige tandartsechtpaar in [plaats] zijn. Nu [eiser sub 1] bovendien is aangeduid met de eerste letter van zijn achternaam, is aan de hand van deze specifieke informatie het artikel vrij makkelijk te herleiden tot [eisers]\n\n4.7.. Mediahuis, in de persoon van [auteur artikel] , heeft aldus in het artikel een eenzijdig en tendentieus beeld gegeven van de persoon en de praktijkvoering van [eisers] zonder dat zij [eisers] voldoende gelegenheid heeft geboden om voor de publicatie op de inhoud van het artikel te reageren. Daarmee heeft Mediahuis onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld. Hieraan doet niet af dat [eiser sub 1] , zoals Mediahuis heeft aangevoerd, zich onder andere op LinkedIn als criticaster presenteert en regelmatig bijdragen publiceert. Het feit dat [eiser sub 1] zich kritisch uitlaat over anderen wettigt niet het publiceren van een voor hem schadelijk artikel met feitelijk onjuiste beschuldigingen aan zijn adres.\n\n4.8.. De onjuiste beeldvorming in het artikel kan naar het oordeel van de rechtbank enkel hersteld worden met een rectificatie. Het kader met de ‘update’ die Mediahuis in 2024 in het artikel heeft gevoegd en de gelijktijdig in het artikel aangebrachte correctie dat niet de Tandartsenkring maar [naam 1] de zaak tegen [eisers] bij het RTG heeft aangespannen, zijn niet voldoende. Hiermee wordt onvoldoende tot uitdrukking gebracht dat het artikel niet enkel is achterhaald door de latere vernietiging van de beslissing van het RTG maar al vanaf het moment van verschijnen een onjuist beeld van [eisers] schetste.\n\n4.9.. Ander dan Mediahuis heeft betoogd, brengt het enkele tijdsverloop sinds de publicatie van het artikel niet mee dat rectificatie geen enkel redelijk belang meer dient. [eisers] hebben gesteld dat zij er aanvankelijk voor hebben gekozen geen actie te ondernemen vanuit de gedachte dat de effecten van dergelijke publiciteit in de regel sneller wegebben als er geen aandacht aan wordt besteed. Na ruim 3,5 jaar bleek het artikel echter nog altijd een negatieve invloed op hun praktijk te hebben, bijvoorbeeld waar het gaat om het werven van personeel en stagiairs. Ook (potentiële) patiënten blijken er nog altijd kennis van te nemen. Hierbij speelt volgens [eisers] een rol dat [naam 2] en [naam 1] zich negatief uitlaten over [eisers] en in dat kader o.a. verwijzen naar het artikel. Deze stelling vindt steun in het in rov. 2.13 opgenomen citaat uit de getuigenverklaring van mevrouw [naam 5] ., de oud-patiënt van [naam 1] die is overgestapt naar de praktijk van [eisers]\n\n4.10.. Het verweer van Mediahuis dat, als [naam 2] telkens op het artikel wijst, [eisers] tegen haar actie moeten ondernemen en niet tegen Mediahuis, kan haar niet baten. Eventueel onrechtmatig handelen van [naam 2] door het blijven wijzen op het onrechtmatige artikel doet niet af aan de onrechtmatigheid van de publicatie van het artikel. Gelet hierop slaagt ook het verweer van Mediahuis niet dat rectificatie geen zin heeft als [naam 2] op het artikel blijft wijzen. De rectificatie strekt ertoe om de (gevolgen van) de onrechtmatige publicatie door Mediahuis te herstellen. Het feit dat, om die gevolgen te herstellen, mogelijk ook actie moet worden ondernomen tegen [naam 2] als zij naar het oude krantenartikel blijft verwijzen, maakt rectificatie niet zinloos. Door de rectificatie wordt onder de aandacht van de lezers van de Steenwijker Courant gebracht dat de eerdere uitlatingen in die krant over [eisers] als onrechtmatig zijn gekwalificeerd.\n\n4.11.. De rechtbank zal daarom de vordering tot rectificatie toewijzen, zij het dat Mediahuis zal worden veroordeeld om in plaats van de gevorderde tekst de volgende tekst te plaatsen:\n\n Rectificatie\n\nOp 24 mei 2019 plaatsten wij een artikel over een tandarts te [plaats] met twee ‘koppen’ te weten ‘Tuchtcollege schorst tandarts’ en ‘Waslijst van klachten over tandarts’. Bij vonnis van 15 april 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat het artikel onrechtmatig is ten opzichte van de betreffende tandarts en zijn vrouw. Het artikel bevat namelijk feitelijke onjuistheden, waardoor in het artikel een onjuist beeld wordt geschetst van de tandarts en zijn vrouw. De in het artikel aangehaalde tuchtuitspraak is bovendien door de hogere tuchtrechter in beroep vernietigd. De rechtbank heeft ons daarom veroordeeld om deze rectificatie te plaatsen.\n\n De redactie\n\n4.12.. Daarmee is de onrechtmatigheid van het artikel naar het oordeel van de rechtbank voldoende hersteld en is voldoende tegemoet komt aan het belang van [eisers] bij de bescherming van hun eer, goede naam en reputatie. Algehele verwijdering van de artikelen van internet, omwille van reputatiebescherming, levert in dit geval een te vergaande en onevenredige beperking van de persvrijheid op. De vordering om het artikel ook volledig te verwijderen en verwijderd te houden zal daarom worden afgewezen. Hiervoor is ook redengevend dat verwijdering van het artikel afbreuk kan doen aan de strekking van de rectificatie, te weten herstel van het onjuiste beeld dat in het artikel van [eisers] is geschetst, omdat zonder het oorspronkelijke artikel onduidelijk kan zijn waar de rectificatie precies over gaat.\n\n4.13.. Ook de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Op grond van artikel 3:302 BW kan iedere onmiddellijk bij een rechtsverhouding betrokken persoon een verklaring voor recht vorderen omtrent die rechtsverhouding. Met een verklaring voor recht (declaratoir vonnis) komt de rechtsverhouding tussen partijen onbetwistbaar vast te staan. De door [eisers] gevorderde verklaring ziet uitdrukkelijk niet op de vaststelling dat sprake is van onrechtmatig handelen van Mediahuis maar enkel op de vaststelling dat het artikel onjuist is. Het betreft daarom geen verklaring voor recht omtrent de rechtsverhouding tussen partijen, omdat uit die verklaring niet blijkt dat Mediahuis een verwijt valt te maken van de onjuistheden en dat er dus een rechtsverhouding uit onrechtmatige daad tussen partijen bestaat. De gevorderde verklaring voor recht voldoet dan ook niet aan de vereisten die 3:302 BW aan een verklaring voor recht stelt.\n\n4.14.. De rechtbank verwerpt het subsidiaire verweer van Mediahuis dat enkel de vordering tot rectificatie van [eiser sub 1] kan worden toegewezen en niet van [eiser sub 2] . Weliswaar gaat het artikel voornamelijk over [eiser sub 1] maar het artikel bevat ook onjuistheden over [eiser sub 2] . Zo staat er in het artikel vermeld dat zij door het RTG voor een half jaar is geschorst, waarvan vier maanden voorwaardelijk, terwijl het RTG haar enkel voorwaardelijk heeft geschorst voor de duur van zes maanden. Verder wordt het verwijt in het artikel dat mensen met kiespijn of andere acute problemen tevergeefs op de stoep stonden zowel aan [eiser sub 1] als aan [eiser sub 2] gemaakt. Het voorbeeld dat in het artikel wordt gegeven van een tandheelkundig spoedgeval waarin de tandartspraktijk van [eisers] onbereikbaar zou zijn geweest, vindt geen steun in de feiten, zoals hiervoor is overwogen. Tot slot raakt het verwijt in het artikel dat in ruim een jaar tijd al 600 ontevreden patiënten overstapten van de praktijk van [eisers] naar de praktijk van [naam 6] ook [eiser sub 2] , terwijl ook dit verwijt onjuist is gebleken.\n\nProceskosten\n\n4.15.. Mediahuis is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n139,42\n\n- griffierecht\n\n€\n\n331 ,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.965,42\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. \n\nveroordeelt Mediahuis om een rectificatie te plaatsen, online en in de papieren\n\nuitgave van de Steenwijker Courant, in de vorm van een advertentie die voor eenieder (ook\n\nniet-abonnees) leesbaar is met de tekst:\n\nRectificatie\n\nOp 24 mei 2019 plaatsten wij een artikel over een tandarts te [plaats] met twee koppen, te weten ‘Tuchtcollege schorst tandarts’ en ‘Waslijst van klachten over tandarts’. Bij vonnis van 15 april 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat het artikel onrechtmatig is ten opzichte van de betreffende tandarts en zijn vrouw. Het artikel bevat namelijk feitelijke onjuistheden, waardoor in het artikel een onjuist beeld wordt geschetst van de tandarts en zijn vrouw. De in het artikel aangehaalde tuchtuitspraak is bovendien door de hogere tuchtrechter in beroep vernietigd. De rechtbank heeft ons daarom veroordeeld om deze rectificatie te plaatsen.\n\nDe redactie\n\n5.2.. veroordeelt Mediahuis in de proceskosten van € 1.965,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Mediahuis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. \n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op\n\n15 april 2026.\n\n1.155","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1229","ecli-nl-rbnne-2026-1229",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Burgerlijk procesrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]