Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2468

Tribunal

Groningen

Date

23 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Belastingrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/1840, LEE 25/1841 en LEE 25/1842

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen
de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur

(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 april 2025.

1.1.. De inspecteur heeft aan erflater voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.. Tegelijk met de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.

1.4.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.5.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.

1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .

Feiten

2.2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen IB/PVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 19 september 2019, 9 mei 2020 en 6 augustus 2021. Erflater heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen.

2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.

2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .

2.4.. Eisers hebben bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aan erflater opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaarschrift luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Als gevolg van het box 3-arrest is vast komen te staan dat het fictieve rendement voor de jaren 2018 tot en met 2023 te hoog is vastgesteld ten opzichte van het daadwerkelijk genoten rendement en zelfs negatief betaalde rendement in 2021.

In de jaren voor haar overlijden was zij slechts in beperkte mate in staat op te komen voor haar eigen financiële en fiscale positie en had zij een zeer teruggetrokken bestaan. De wijlen willen dit verzuim herstellen door alsnog bezwaarschriften in te dienen.

In onderhavige kwestie is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding (ECLI:NL:HR:2024:515), waardoor de bezwaarschriften ontvankelijk zijn. Als u van mening bent dat sprake is van een niet-ontvankelijkheidskwestie verzoek ik u om daarover met ons in gesprek te gaan.(…)

Als u het bezwaar deels en/of volledig afwijst dan willen wij graag gehoord worden.(…)”

2.5.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren.

2.6.. Bij brieven van 2 april 2025 heeft de inspecteur eisers een vooraankondiging van de door hem voorgenomen uitspraken op bezwaar gestuurd. De inspecteur schrijft daarin van plan te zijn de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Deze brieven luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“HorenU kunt mondeling toelichten waarom u denkt dat uw bezwaar toch ontvankelijk is. U hebt het recht om gehoord te worden. Als u een afspraak wilt maken voor een gesprek kunt u mij e-mailen op [mailadres] of bellen op [telefoonnummer] . U kunt daarbij ook aangeven of u gebruik wilt maken van het recht de stukken die betrekking hebben op de zaak vooraf in te zien (inzagerecht). Laat u mij dit weten vóór 9 april 2025.

Ik zal beoordelen of uw verklaring reden is om het bezwaar toch als tijdig te behandelen.”

2.7.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 9 april 2025.

2.8.. Naar aanleiding van de uitspraken op bezwaar hebben eisers de inspecteur op 24 april 2025 een e-mail van 23 april 2025 doorgezonden. Die e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Bijgaand reageer ik op de stapel brieven die ik heb ontvangen.

Ik sta perplex en weet eigenlijk niet zo goed hoe ik moet reageren.

Daarom heb ik ook eventjes gewacht. Ik voel mij overvallen.

Het is voor mij onduidelijk wat u hebt gedaan, hoe u tot uw inzichten bent gekomen en waarom de beslissingen zijn genomen zoals ze zijn genomen.

Het is voor mij een wirwar en kan mij dan ook moeilijk met de besluiten verenigen. Wilt u mij dat opnieuw en meer op detailniveau uitleggen?

De ingebrekestelling is voor u kennelijk de aanleiding geweest voor een abrupte afdoening en op volle snelheid handelingen uit te voeren zonder inachtneming van een passende en juiste bezwaar behandeling. Dat lijkt mij niet juist. Een ingebrekestelling overrult de inhoudelijk behandeling niet. Het is slechts een prikkel om u te activeren naar de inhoudelijke behandeling toe.

Immers, (i) waren alle termijnen verstreken, heeft de Belastingdienst na de ontvangstbevestiging niks van zich laten horen en verder ook geen enkel initiatief getoond.

De afwikkeling van de nalatenschap was een beladen traject, nu dit. Een ingebrekestelling is geen vrijbrief om vervolgens alle regels die horen bij een de bezwaar- en verzoekbehandeling opzij te schuiven.

Bij mij ontstaat de indruk dat het niet uitbetalen van een dwangsomvergoeding, belangrijker is dan een deugdelijk behandeling van het bezwaar- en/of verzoekschrift op zichzelf.

Ik verzoek u daarom het volgende:

  • een nieuwe herbeoordeling van de ontvankelijkheid waarbij wordt getoetst op de persoonlijke omstandigheden (zoals ook al gemotiveerd) conform de nieuwe jurisprudentie zoals aangehaald in de eerste brief, deze mag u niet zo maar opzij schuiven. Mijn moeder was op een zeer hoge leeftijd, woonachtig in een bejaardenhuis, zie ook de context in brief met de datum 30 november 2024;

  • sommige jaren speelt de ontvankelijkheid wel en voor andere niet hoe kan dat en waarop baseert u dat inzicht?

  • voor sommige jaren is volgens geen sprake van box 3-inkomen, kunt u mij uitleggen waarop u dat inzicht baseert?

Hopend dat u nogmaals kritisch, open en integraal het dossier (ambtshalve) doorneemt.”

2.9.. In reactie op de e-mail van 24 april 2025 van eiser heeft de inspecteur op 29 april 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Na onderzoek blijkt dat de belastingjaren 2018, 2019 en 2020 automatisch mee doen aan de massaal bezwaar plus procedure. Voor de belastingjaren 2021 en 2022 heeft wijlen mevrouw [erflater] geen box 3 belang. Uw reactietermijn voor een hoorgesprek is verstreken. Mocht u het niet eens zijn met de uitspraken, dan verwijs ik u naar de bijlage in de brieven waar u ziet hoe u in beroep en/of in bezwaar kunt gaan.”

2.10.. In reactie op de e-mail van 29 april 2025 van de inspecteur hebben eisers op 6 mei 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Ik verbaas mij over uw reactie, opstelling en houding. Uw reactie is onjuist en ongepast.

Uw opstelling past niet bij een fatsoenlijke bezwaarprocedure die de Belastingdienst nastreeft.

Uw houding past niet bij de rechtsbeginselen, de Awb zoals bijvoorbeeld het Besluit fiscaal bestuursrecht, paragraaf 9. Dat is een uitvloeisel van artikel 7:2 Awb. Ik zal dat onderstaand toelichten.

Ik verzoek u nogmaals om de ontvankelijkheid te beoordelen alsook de materiële aspecten van box 3.

U mag niet zonder meer enkele dagen voor een hoorgesprek inplannen. De gegeven reactietermijn was onredelijk en dat behoort u te (kunnen) weten.

Dat staat geheel los van de ingestuurde ingebrekestelling zoals uitgelegd in de vorige mail. Bovendien hebt u zich dan te houden aan enig vorm van herstelverzuim als uw opvatting wel juist zou zijn. Ik heb het hoorrecht niet prijsgegeven en ik heb hiervan ook niet afgezien.

Verder houdt u geen enkele rekening met de geschetste en specifieke omstandigheden dat mijn moeder is overleden, erfgenamen onderdeel zijn van de correspondentie en de overleden persoon en erfgenamen zich correct hebben gehouden aan de fiscale verplichtingen. Ik neem aan dat ik ook van u enige wederkerigheid mag verwachten.

Als u opnieuw besluit om zonder een serieuze, oprechte en inhoudloze behandeling te gaan voor afdoening, dan maak ik conform de door u aangehaalde rechtsmiddelenverwijzingen bezwaar en beroep tegen uw besluiten.

Deze moet u dan ook als zodanig kwalificeren. Ik ben het dan oneens met uw standpunten zonder dat ik mij echt moeilijk kan verweren aangezien nergens echt inhoudelijk op is ingegaan.

Op u rust dan de doorzendplicht ingevolge artikel 6:15 Awb. De doorzendplicht verplicht het bestuursorgaan waarbij bezwaar of beroep wordt ingesteld terwijl dat bij een ander orgaan dient te gebeuren, dit bezwaar of beroepsschrift door te zenden naar het orgaan dat op dit bezwaar of beroep dient te beslissen.

Ook uw andere verzuimen zoals het ongemotiveerd afdoen, niet horen en niet verstrekken van op de zaak betrekking hebben de stukken, geen opvolging geven aan de op uw rustende onderzoeksplicht t.a.v. de ontvankelijkheid vormen dan onder meer gronden van bezwaar en beroep.”

2.11.. Eisers hebben hun beroepschrift per aangetekende post aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft het beroepschrift op 27 mei 2025 ontvangen. De verzendsticker op de enveloppe geeft aan dat de brief op 26 mei 2025 op de post is gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van de beroepen

3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.Als de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, omdat het niet tijdig is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

4. Het beroepschrift van eisers is buiten de beroepstermijn ontvangen. Het is per post verzonden op 26 mei 2025 (zie 2.11). Dat had uiterlijk op 21 mei 2025 gemoeten. Uitgaande van de hiervoor genoemde regels is het beroep dan niet tijdig ingediend.

5. De rechtbank ziet echter aanleiding om het beroep toch ontvankelijk te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Nadat eisers de uitspraken op bezwaar ontvingen hebben zij met de inspecteur contact per e-mail contact gehad (zie 2.8 en 2.10). De rechtbank leest in de e-mails van eisers dat zij het niet eens zijn met de uitspraken op bezwaar én daarbij de inspecteur vragen om het bezwaar opnieuw te behandelen. Gelet daarop, en gelet op het feit dat de inspecteur niet zelf kan terugkomen op zijn uitspraken op bezwaar, had de inspecteur deze e-mails aan de rechtbank moeten doorsturen als zijnde een (pro forma) beroepschrift. Het feit dat de inspecteur in zijn reactie (zie 2.9) eisers nogmaals op de mogelijkheid van beroep heeft gewezen, waarna eisers bleven aandringen op een herbeoordeling door de bezwaarbehandelaar, doet deze doorzendplicht niet vervallen. Uitgaande van de datums van de e-mails van eisers, zijn de beroepen dan wel tijdig ingediend.

Inhoudelijke beoordeling van de beroepen

6. De rechtbank beoordeelt hierna of de inspecteur de bezwaren terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure en of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

7. De rechtbank is van oordeel dat:

de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;

de inspecteur niet zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure;

de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Ontvankelijkheid van de bezwaren

8. Eisers stellen dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De inspecteur heeft het op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2024 geformuleerde beoordelingskader niet juist toegepast.Ter zitting hebben eisers toegelicht dat, toen erflater nog in leven was, de gemachtigde van eisers op basis van een levenstestament of volmacht ook gerechtigd was om voor erflater bezwaar te maken. Erflater wilde haar zaken echter zelf regelen. Tot op zekere hoogte kon zij dat ook. Haar doenvermogen was echter beperkt. Uit respect voor de wensen van erflater heeft de gemachtigde van eisers daarom destijds geen bezwaar gemaakt.

9. De inspecteur stelt dat voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar vereist is dat eisers aannemelijk maken dat erflater niet in staat was om zelf tijdig bezwaar te maken. Als erflater niet zelf in staat was om bezwaar te maken, had zij maatregelen moeten treffen om haar belangen te laten behartigen. De inspecteur wijst er verder op dat na het overlijden van erflater het nog circa tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat eisers bezwaar instelden. Ook voor dat deel van de termijnoverschrijding zijn geen valide redenen aangevoerd. Aldus de inspecteur.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren ver buiten de bezwaartermijnen zijn ingediend. Ook staat vast dat ten aanzien van elke aanslag IB/PVV een deel van de termijnoverschrijding kwam doordat erflater geen bezwaar had gemaakt, en een deel doordat de erfgenamen pas tweeëneenhalf jaar na het overlijden bezwaar maakten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn.

11. Van verschoonbaarheid is sprake indien (i) de indiener pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en (ii) de indiener, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dit moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van de indiener onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.

12. Uit wat eisers hebben gesteld volgt niet dat erflater niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Het enkele feit dat erflater een hoge leeftijd had en was opgenomen in een verzorgingstehuis, vormen op zichzelf nog geen reden om daar anders over te oordelen. Uit de ter zitting gegeven toelichting van eisers blijkt bovendien dat erflater bij leven maatregelen “op papier” had getroffen, maar dat haar gevolmachtigde niet haar wens om dingen zelf te regelen heeft willen doorkruisen. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar. De bezwaren zijn daarom reeds hierom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede deel van de termijnoverschrijding – de circa tweeëneenhalf jaar tussen het overlijden van erflater en het indienen van de bezwaren door eisers – behoeft dan verder geen bespreking.

Zorgvuldigheid van de bezwaarbehandeling

13. Eisers stellen dat de inspecteur in de bezwaarprocedure onzorgvuldig gehandeld heeft. Eisers wijzen er daarbij op dat de ontvankelijkheid van de bezwaren niet juist is beoordeeld, dat na de ingebrekestelling de bezwaarprocedure is afgeraffeld, en dat de reactietermijn die de inspecteur hen gaf na de ingebrekestelling te kort was.

14. De inspecteur stelt wel zorgvuldig gehandeld te hebben. Over de ontvankelijkheid is een gemotiveerde beslissing genomen in de uitspraak op bezwaar. Omdat duidelijk was dat het kerstarrest over box 3 de enige reden was voor het alsnog indienen van de bezwaren, waren eventuele persoonlijke omstandigheden tijdens de bezwaartermijn niet relevant. In de brief van 2 april 2025 is een week reactietermijn gegeven. Dat was voldoende. Met de ingebrekestelling verzoeken eisers juist om een beslissing binnen twee weken. Eisers hebben binnen de reactietermijn niet aangegeven dat ze gehoord wilden worden.

15. De rechtbank overweegt als volgt. In hun bezwaarschrift hebben eisers expliciet aangegeven in gesprek te willen gaan indien de inspecteur van mening was dat de bezwaren niet-ontvankelijk zouden zijn. Daarnaast hebben eisers aangegeven dat bij afwijzing van het bezwaar graag gehoord willen worden (zie 2.4). In het licht daarvan is de brief van 2 april 2025, met name de passage over het horen (zie 2.6), moeilijk te plaatsen. Het had voor de inspecteur al duidelijk moeten zijn dat eisers gehoord wilden worden over zijn voornemen om de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Door desondanks eisers niet actief uit te nodigen voor een hoorgesprek en in de plaats daarvan het initiatief voor een hoorgesprek bij eisers te leggen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.

16. Eisers hebben in beroep de mogelijkheid gehad om alsnog een toelichting te geven waarom volgens hen de termijnoverschrijdingen in bezwaar verschoonbaar zijn. Daar hebben zij ook gebruik van gemaakt in de van hen afkomstige stukken en op de zitting. De rechtbank heeft, met inachtneming van wat eisers hebben aangevoerd, hiervoor geoordeeld dat de termijnoverschrijdingen in bezwaar niet verschoonbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom aannemelijk dat eisers in zoverre niet benadeeld zijn door het onzorgvuldige handelen van de inspecteur. De rechtbank past daarom artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe. Dat betekent dat het onzorgvuldig handelen niet tot gevolg heeft dat het bestreden besluit – de uitspraken op bezwaar – vernietigd wordt.

17. Eisers hebben wel recht op vergoeding van het griffierecht. Zij hebben immers kosten moeten maken om de onzorgvuldigheid van de inspecteur aan de orde te stellen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

18. Eisers stellen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser noemt daarbij onder meer de voorlopige aanslagen, systeeminformatie uit diverse systemen, beschrijvingen van zoek- en procesinformatie, logboekregistraties, en interne correspondentie over de bezwaren.

19. De inspecteur stelt dat hij wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

20. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld in bezwaar, zijn de stukken waar eisers op wijzen niet (meer) van belang voor beslechting van het bij de rechtbank voorliggende geschil. Reeds om die reden zijn de stukken die eiser noemt geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.

Dwangsommen

21. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht mag worden.

22. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de uitspraken op bezwaar niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, stelt de inspecteur dat een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar nog steeds een uitspraak op bezwaar is. De inspecteur wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018.

23. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft hebben deze beroepen mede betrekking op de dwangsombeschikkingen.

24. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op de bezwaren heeft gedaan. Er zijn daarom geen dwangsommen verschuldigd. Een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar telt voor de dwangsomregeling gewoon mee.De rechtbank ziet in de ontwikkeling hoe er over de verhouding tussen burger en overheid wordt gedacht geen aanleiding om anders te beslissen.

Conclusie en gevolgen

25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Eisers krijgen wel het griffierecht vergoed (zie 17). In verband met samenhang heeft de rechtbank alleen in zaaknummer LEE 25/1840 griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond;

verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de dwangsombeschikkingen ongegrond;

bepaalt dat de inspecteur het in zaaknummer LEE 25/1840 betaalde griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 23 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.

Hoge Raad 20 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2824 en Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.

Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t/m 4.2.6.

Artikel 6:11 van de Awb.

Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t/m 4.2.6.

Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.

Zie Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96, vergelijk Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2152, Rechtbank Noord-Nederland 21 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:440, Rechtbank Midden-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6984.

Plus de Décisions