ECLI:NL:RBNNE:2026:2469
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/3031 en 26/1286
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen
de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur
(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2025.
1.1.. De inspecteur heeft bij beslissing van 2 april 2025 de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2021 en 2022 afgewezen. Tegelijk met het afwijzen van de verzoeken heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.
1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van eisers tegen de beslissing dat zij geen recht hebben op dwangsommen afgewezen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.
1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.
1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .
Feiten
2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen IB/PVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 27 september 2022 en 23 juni 2023.
2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.
2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .
2.4.. De heer [naam 1] heeft bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaar ziet op de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
2.5.. Het bezwaarschrift is, voor zover het ziet op de jaren 2021 en 2022, aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.
2.6.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen ten aanzien van de aanslagen IB/PVV 2018 tot en met 2022.
2.7.. Met dagtekening 2 april 2025 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. In diezelfde brief heeft de inspecteur beslist dat eisers geen dwangsom krijgen, omdat binnen twee weken na het ontvangen van de ingebrekestelling is beslist.
2.8.. Bij brief van 19 mei 2025, door de rechtbank ontvangen op 27 mei 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de aanslagen IB/PVV 2018 tot en met 2022.
2.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur voor de jaren 2021 en 2022 geen uitspraken op bezwaar had gedaan, maar dat hij enkel de voorgenoemde beslissing van 2 april 2025 had genomen (zie 2.7). De rechtbank heeft daarom het beroep, voor zover dat zag op de jaren 2021 en 2022, doorgezonden naar de inspecteur om als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
2.10.. Op 3 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Hiertegen zijn eisers niet in beroep gegaan.
2.11.. Op 14 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op het niet toekennen van dwangsommen.
2.12.. Bij brief van 19 augustus 2025, door de rechtbank ontvangen op 25 augustus 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 14 juli 2025.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat het bezwaarschrift ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, en de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij de beslissingen van de inspecteur niet konden begrijpen, omdat uit de aangiften voor de jaren 2021 en 2022 volgt dat er belasting in box 3 verschuldigd zou zijn. Over de definitieve aanslagen, waarin geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, beschikten zij niet. Volgens eisers mag tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht worden.
6. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend omdat binnen twee weken na de ingebrekestelling is beslist. Omdat de ingebrekestelling zag op het niet tijdig nemen van beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering, doet niet ter zake wat er in de latere bezwaarprocedure is gebeurd.
7. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de verzoeken om ambtshalve vermindering beslist. Dit was binnen de termijn die daar volgens artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor staat. Omdat de inspecteur niet in gebreke was, heeft hij ook geen dwangsommen verbeurd. De inspecteur heeft dus terecht geen dwangsommen toegekend. De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde argumenten geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Zelfs als er iets zou schorten aan de besluitvorming in de verzoekprocedure, wat de inspecteur overigens heeft betwist, dan is er voor de toepassing van de wettelijke dwangsommenregeling nog altijd sprake van een tijdig genomen beslissing.Wat er voorafgaande aan de verzoekprocedure is gebeurd (in de aanslagfase) dan wel na afloop daarvan (in de bezwaarfase) heeft verder geen invloed op het al dan verbeuren van dwangsommen; de ingebrekestelling heeft daar immers geen betrekking op gehad.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 23 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vgl. Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.