[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-2489":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-2489":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"469","ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","",65,"Groningen","groningen","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n1. [Verzoeksters]uit [plaats] , verzoeksters 1,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),\n\n2. [verzoeker]uit [plaats] , verzoeker 2,\n\n (gemachtigde: mr. J.T. Fuller),\n\n hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters.\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nAls derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster] gevestigd in [plaats] , vergunninghoudster,\n\n(gemachtigde: B.H. Woppereis).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in [plaats] . Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingestelden de voorzieningenrechter gevraagd de verleende omgevingsvergunning te schorsen.\n\n1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters 1 zijn in persoon verschenen, vergezeld door [naam] (woordvoerder) en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M.J. Siersema (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe), T. Kamphuis (casemanager ruimtelijke ordening) en F. Minkema (juridisch medewerker). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verzoeken aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd. De verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.1. De wet- en regelgeving die belangrijk is voor de beoordeling van de verzoeken, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n3.1. Vergunninghoudster is een (intensieve) pluimveehoudster. Zij is bezig met de omschakeling van het houden van ‘plofkippen’ naar het houden van beter leven-1 ster-kippen.\n\n3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 maart 2023 een “aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.-beoordeling” bij het college ingediend, die was opgesteld door Van Westreenen voor de wijziging van het bestaande agrarische bedrijf.\n\n3.3. Vergunninghoudster heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om omgevings-vergunning bij het college ingediend, voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel.\n\nDe aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:\n\n- bouwen;\n\n- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;\n\n- het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting (revisie).\n\n3.4. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college besloten dat voor de beoogde verandering van de inrichting van vergunninghoudster geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Dit was een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid366137044f51396edad15489f24c3f82) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3.5. Het college heeft op 1 juli 2024 een ontwerpbesluit genomen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit ontwerpbesluit inclusief de onderliggende stukken ter inzage gelegd in de periode van 5 juli 2024 tot en met\n\n16 augustus 2024. Daarbij heeft het college eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.\n\n3.6. Verzoeksters 1 hebben in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend dat was gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\nOok verzoeker 2 heeft in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend, gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\n3.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.\n\nIs er sprake van een spoedeisend belang?\n\n4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het spoedeisende belang aan de kant van verzoeksters aanwezig is, omdat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.\n\nWelk recht is van toepassing?\n\n5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat vergunninghoudster de aanvraag om omgevingsvergunning vóór die datum bij het college heeft ingediend, is de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.\n\nBevoegdheid tot kortsluiten\n\n6. Gelet op de stukken en op wat er is besproken tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de volledige beoordeling van de beroepszaak nader onderzoek nodig is. Er bestaat daarom geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.\n\n6.1. Dit betekent dat in dit geval alleen uitspraak zal worden gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling geven van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en zal dat betrekken bij het oordeel over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.\n\nHet geschil\n\n7. Tussen partijen is in geschil of het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\nGoede procesorde\n\n8. Op de laatste werkdag vóór de zitting hebben verzoeksters 1 ruim 150 pagina’s aan producties overgelegd, waaronder een omvangrijke contra-expertise van Blauw luchthygiëne onderzoek en advies op het gebied van geur. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop die zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.Verzoeksters 1 hebben op de zitting de gelegenheid gekregen om hun standpunt over het bestreden besluit toe te lichten.\n\nKunnen verzoeksters zich beroepen op de regels voor natuurbescherming?\n\n9. Verzoekers betogen dat in dit geval een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (college van GS) vereist is. Verzoekers voeren aan dat het college in de beoordeling ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat er intern gesaldeerd wordt. In dit verband wijzen verzoekers erop dat intern salderen sinds de uitspraken van 18 december 2024van de Afdeling niet meer mogelijk is. Dit betekent volgens verzoekers dat vergunninghoudster mede een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) had moeten indienen.Gelet daarop stellen verzoekers dat het college van GS een vvgb had moeten afgeven.Van een dergelijke vvgb is niet gebleken. Naar de mening van verzoekers heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte verleend.\n\n9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen vanwege het zogenoemde ‘relativiteitsbeginsel’. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.2. In de Wnb staan bepalingen over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Die regels zijn bedoeld om de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. De belangen van verzoeksters hebben te maken met de gebruiksmogelijkheden van vergunninghoudster en de invloed hiervan op hun (nabijgelegen) percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de regels van de Wnb niet zijn bedoeld om deze belangen van verzoeksters te beschermen. Het is ook niet zo dat de belangen van verzoeksters zijn verweven met het algemene natuurbelang van de Wnb. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is daarvoor te ver van de percelen van verzoeksters (op ongeveer vier kilometer). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afstand te groot om verwevenheid aan te nemen. Het relativiteitsbeginsel maakt dat dit argument van verzoeksters dus niet kan leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter deze door verzoeksters naar voren gebrachte grond niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Midden-Drenthe\n\n10. Verzoekers betogen dat in dit geval (ook) ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Midden-Drenthe (de raad) ontbreekt. Naar de mening van verzoekers is een vvgb van de raad vereist.Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan). Voor die gevallen bepaalt de wet dat er een vvgb van de raad vereist is, behalve in uitzonderingsgevallen die zijn aangewezen. Van zo’n uitzondering is in dit geval geen sprake. Toch ontbreekt de vvgb. Volgens verzoekers was het college daarom in dit geval niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen.\n\n10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarvoor gelden andere regels dan voor de categorie (ten derde) die hiervoor is genoemd. Dit betekent volgens het college dat een vvgb van de raad niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgesteld.\n\n10.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond niet. Het college was in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het college in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerstevan de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid onder b en c, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betreft een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een vvgb van de raad in dit geval niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoefde te worden opgesteld. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte als juridische grondslag artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo vermeld, maar uit het ontwerpbesluit en de zienswijzennota blijkt dat bedoeld werd om binnenplans af te wijken. Hieruit moet worden afgeleid dat sprake is van een (slordige) verschrijving van het college voor wat betreft de grondslag. Dat is op zichzelf echter onvoldoende reden om het besluit te schorsen.\n\nMocht het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\n11. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarbij gaat het volgens verzoekers vooral om het criterium dat moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verzoekers vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de vergunde activiteiten. Zij wijzen erop dat het onzeker is of bij de berekeningen van de geluidbelasting de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Bovendien is berekende toename van geluidbelasting op de woning van verzoeksters 1 niet acceptabel. Verder vrezen verzoekers voor een onaanvaardbare toename van geurhinder en van de emissies van fijnstof als gevolg van de vergunde activiteiten. Gelet daarop kan het bouwplan naar de mening van verzoekers niet in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verzoekers is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een intensieve veehouderij op het perceel toelaat. Het college voert aan dat er sprake is van het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de bouwregels. Verder zijn de geluidsvoorschriften in de nieuwe vergunning volgens het college aangescherpt ten opzichte van de vergunning van 2016, op grond van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Uit het geluidsrapport blijkt volgens het college het geluid op de woning van verzoeksters 1 tijdens de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode met 1 dB toeneemt. Dat is naar de mening van het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast voert het college aan dat uit de uitgevoerde geurberekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm van 14 Ou\u002Fm3, die geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.\n\n11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand aannemelijk dat deze beroepsgrond zal slagen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.\n\n11.3. Het bestemmingsplan laat op het perceel een intensieve veehouderij toe, zoals de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij een intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen te maken heeft met de bouwregels over het bebouwingsoppervlak en de situering. Verzoekers maken zich zorgen over een verslechtering van de milieu- en woonsituatie door een toename van de emissies van geur, geluid en fijnstof en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s. Maar zo’n toename had ook veroorzaakt kunnen worden door een uitbreiding van de inrichting die wel in overeenstemming zou zijn met deze bouwregels (en dus niet in strijd met het bestemmingsplan).\n\n11.4. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoeksters 1, alleen doordat het geluid op hun woning met 1 dB toeneemt tijdens de incidentele bedrijfssituatie. Verzoekers hebben niet betwist dat ook met die toename nog voldaan wordt aan de richtwaarden op grond van de Handreiking industrielawaai vergunningverlening (Handreiking). Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor het maximale geluidsniveau (LAmax) sprake is van een overschrijding van de richtwaarde op grond van de Handreiking. Zij hebben alleen gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau. Dat is nog geen overschrijding van derichtwaarde.\n\n11.5. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vanwege de gestelde geurhinder sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoekers. Het college heeft daarbij verwezen naar een uitgevoerde geurberekening. Onder deze omstandigheden heeft het college in de door verzoekers gestelde hinder en gezondheidsrisico’s in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Er is door verzoekers ook onvoldoende onderbouwd dat gezondheidsrisico’s het college aanleiding hadden moeten geven om advies van de GGD in te winnen voor de vergunningverlening. Ook is niet voldoende concreet gemaakt dat eerdere GGD-advisering met betrekking tot het hanteren van het voorzorgbeginsel en de intensieve veehouderij voor het college aanleiding hadden moeten zijn om deze vergunning te weigeren. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nMilieu-aspecten (geluid en geur)\n\n12. Verzoeksters 1 twijfelen aan de berekeningen van geluid en geur waar het college vanuit is gegaan in de besluitvorming. Specifiek betwisten zij de gehanteerde uitgangswaarde van de uittreesnelheid vanwege:\n\n- de benodigde ventilatiecapaciteit;\n\n- de diameter van de uitstroomopening;\n\n- de warmtewisselaar;\n\n- het aantal warmtewisselaars per stal;\n\n- het aantal ventilatoren warmtewisselaar(s);\n\n- het in werking zijn van de warmtewisselaar(s);\n\n- de capaciteit van de ventilatoren;\n\n- de capaciteit van de ventilatoren van de warmtewisselaar;\n\n- de eisen aan cascade gestuurde ventilatie;\n\n- het ten onrechte uitgaan van cascade-gestuurde ventilatie.\n\nGelet daarop zijn verzoeksters onder 1 van mening dat het college de in opdracht van vergunninghoudster opgestelde deskundigenrapporten met betrekking tot geluid en geur niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.\n\n12.1. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de behandeling van complexe technisch-juridische vragen. De vragen die verzoeksters 1 opwerpen over de werking van de ventilatoren en eigenschappen van de ventilatoren en de warmtewisselaar (capaciteit, diameter uitstroomopening en cascade-gestuurd) zijn voorbeelden van zulke complexe technisch juridische vragen. De beantwoording van die vragen vergt mogelijk nader onderzoek door middel van het inwinnen van advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel kan geven en zich zal beperken tot een belangenafweging.\n\n12.2. Na afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrees voor geur- en geluidsoverlast die verzoeksters naar voren hebben gebrachte weliswaar reëel is, maar dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit zal leiden tot een verslechtering van de woon- en leefsituatie van verzoeksters. Vooral ook omdat op grond van de bestaande omgevingsvergunning ook ’s nachts activiteiten zijn toegestaan (het verladen van de vleeskuikens). Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de toelichting met betrekking tot geur, fijnstof en endotoxinen die de gemachtigde Siersema tijdens de zitting heeft gegeven plausibel acht. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet op voorhand zeker is dat de vergunde pluimveehouderij, waarvoor in 2023 uitbreiding is aangevraagd, niet ruimtelijk en milieutechnisch kan worden ingepast, ondanks de bezwaren van verzoeksters. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gevraagde uitbreiding ziet op het bouwen van een pluimveestal en het plaatsen van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen, maar dat het aantal te houden dieren met 33.500 afneemt. Dat zal een positieve invloed hebben op de uitstoot van geur, fijnstof en endotoxinen. Vergunninghoudster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat schorsing van de verleende omgevingsvergunning de verandering van de bedrijfsvoering verhindert en een drastische reductie van het inkomen (tot 50%) met zich brengt, zodat zij dan zal moeten terugvallen op de activiteiten die zij verricht op grond van de oude vergunning. Dat houdt in: het houden van 33.500 meer (plof)kippen, inclusief nachtelijke activiteiten.\n\n12.3. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen van verzoekers over hun woon- en leefklimaat. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij schorsing minder zwaar wegen dan de overige belangen. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd (geraakt) dat de uitkomst van de beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd door het college. Met de uitkomst van de beroepsprocedure zal meer duidelijkheid komen over de ruimtelijke en milieutechnische inpassing van de activiteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen of een maatregel op te leggen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verzochte en verstrekkende last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. Het verzoek daartoe van verzoeker 2 wordt afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;\n\n- wijst het verzoek van verzoeker onder 2 om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden, af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\ngriffier voorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden op:Rechtsmiddel\n\nUitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n(…).\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\n(…)\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).\n\n(…)\n\ne. 1. het oprichten,\n\n2. het veranderen of veranderen van de werking of\n\n3. het in werking hebben\n\nvan een inrichting of mijnbouwwerk.\n\n(…)\n\ni. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.\n\n(…)\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);\n\nd. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,\n\n2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of\n\n3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)\n\nArtikel 2.14\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:\n\na. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:\n\n1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;\n\n2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;\n\n(…)\n\nb. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:\n\n1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;\n\n2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;\n\n3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;\n\nc. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:\n\n1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;\n\n2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.\n\n(…)\n\n3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.\n\n4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.\n\n(…)\n\n7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nArtikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving\n\nAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:\n\na. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0015158&artikel=9&g=2023-07-01&z=2026-02-12) of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0006147&artikel=13&g=2023-07-01&z=2026-02-12), voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.\n\n(…).\n\nArtikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten\n\n1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.\n\n(…).\n\n4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:\n\na. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.\n\n(…).\n\nWet geurhinder en veehouderij\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nconcentratiegebied:concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2023-05-21&z=2026-05-21), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.\n\n(…).\n\nArtikel 2\n\n1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21).\n\n(…).\n\nArtikel 3\n\n1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\n4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.\n\nArtikel 6\n\n1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21), met dien verstande dat deze andere waarde:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\nVerordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024\n\nArtikel 3.5 Andere waarden voor de geurbelasting\n\n1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.\n\n(…).\n\n3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de geurnorm\n\n14 Odourunits\u002Fm3 lucht.\n\nBestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”\n\nAan het perceel zijn de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Agrarisch met waarden-1” toegekend, alsmede de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden-1\n\nArtikel 4.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor “Agrarisch met waarden – 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…).\n\nc. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;\n\n(…).\n\nArtikel 4.2 Bouwregels\n\na. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:\n\n1. er zullen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;\n\n(…);\n\n4a. de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak worden gebouwd gerekend vanuit de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak', waarbij de diepte van de vierhoek (ongeveer haaks op de naar de weg gerichte gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) altijd langer is dan de breedte (ongeveer evenwijdig aan de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) van de vierhoek. In afwijking hiervan zijn in bestaande situaties waarin de bebouwing niet binnen een vierhoek, dan wel bouwvlak is gesitueerd ook andere vormen toegestaan;\n\n4b. in uitzondering op het gestelde onder a, mogen tevens gebouwen worden gebouwd overeenkomstig de bestaande situatie, dan wel binnen een bouwvlak, zoals ter plaatse is aangeduid;\n\n5. de diepte van een aaneengesloten vierhoek zal ten hoogste 200 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. Indien geen bedrijfswoning aanwezig is, zal de diepte worden gerekend vanaf de naar de weg gekeerde perceelgrens. De grootste afstand in de breedte van een vierhoek zal ten hoogste 125 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek;\n\n(…);\n\n16. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak’ worden bedrijfsgebouwen in ten hoogste één bouwlaag gebouwd.\n\n(…).\n\nArtikel 4.4 Afwijken van de bouwregels\n\nBij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als genoemd in artikel 48.2 gehanteerd.\n\nOnderstaande bevoegdheden kunnen ook nog worden toegepast na gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onder b.\n\nBij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:\n\n(…);\n\nb. lid 4.2 sub a onder 4 en 5:\n\nen worden toegestaan dat de aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak wordt vergroot, mits:\n\n1. de oppervlakte van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2 ha;\n\n2. deze afwijking niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 ha';\n\n3. met de vormgeving van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en\u002Fof de landschappelijke structuur;\n\n4. het verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing ter versterking van het landschappelijk karakter; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd;\n\n5. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering\u002Fverbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;\n\n6. is aangetoond dat binnen de bestaande aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;\n\n7. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;\n\n(…).\n\n De beroepen zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25\u002F2603 en 25\u002F2639.\n\n De verzoeken om voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515.\n\n Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\nToepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dus niet aan de orde.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van\n\n16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:263, rechtsoverweging 5.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 6.10a van het Bor.\n\nDat volgt uit artikel 8:69a van de Awb.\n\nVergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 en van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627.\n\n Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n Om af te wijken zoals beschreven in artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”.\n\n Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.\n\n Deze norm is ten aanzien van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied opgenomen in artikel 3:5, derde lid, van de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024 (de Verordening).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:617, r.o. 9.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","ecli-nl-rbnne-2026-2489",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]