Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2550

Tribunal

Groningen

Date

30 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht

Décision / Solution

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: 12236683 \ VV EXPL 26-60

Vonnis in kort geding van 30 juni 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap

[eiser] B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. E.T. van Dalen,

tegen

[gedaagde]handelend onder de naam [bedrijf],

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

1.1..

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding - de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarbij de heer [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de heer [naam 2] namens [gedaagde] zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling een overzicht van de actuele huurachterstand overgelegd.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[gedaagde] huurt van [eiser] met ingang van 1 juli 2015 een pand aan het adres [adres] . Het pand is in eigendom van een derde partij, die het pand verhuurt aan [eiser] . Tussen [eiser] en [gedaagde] is een onderhuurovereenkomst gesloten.

2.2.. De totale huurprijs bedraagt op dit moment € 3.719,62 per maand.2.3.. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden is een boeteclausule opgenomen. Daarin is bepaald, voor zover hier van belang:

“25.3 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. (…)”

2.4..
[gedaagde] heeft sinds februari 2026 een huurachterstand laten ontstaan. [eiser] heeft daarin aanleiding gezien om dit kort geding te starten.

3. Het geschil

3.1..
[eiser] vordert, samengevat weergegeven en nadat zij haar eis tijdens de mondelinge behandeling heeft verminderd:

ontruiming van het pand aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening,

betaling van een bedrag van € 12.221,86 (huurachterstand tot en met juni 2026),

betaling van de huur van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand nog in gebruik mocht hebben,

betaling van een bedrag van € 1.200,00 (contractuele boete),

[gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2..
[gedaagde] voert verweer.

3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.. Mede gelet op de aard van de door haar ingestelde vorderingen en de aangevoerde omstandigheden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening.

Huurachterstand

4.2.. Partijen zijn het erover eens dat de huidige huurachterstand, berekend tot en met de maand juni 2026, € 12.221,86 bedraagt. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag.

Ontruiming

4.3..
[eiser] vordert ontruiming van het pand vanwege de huurachterstand die [gedaagde] heeft laten ontstaan. De kantonrechter stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat een vordering tot ontruiming van een verhuurd pand in kort geding slechts toewijsbaar is indien met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, terwijl niet van de verhuurder kan worden gevergd dat hij de beslissing in een bodemprocedure afwacht.

4.4.. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan van ruim drie maanden. Gelet daarop is ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure met voldoende mate van waarschijnlijkheid te verwachten. Dat er sprake is van betalingsonmacht doet daaraan niet af. Dit is namelijk een omstandigheid die, hoe zwaarwegend die voor [gedaagde] ook is, hem niet ontslaat van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarbij komt dat [eiser] heeft toegelicht dat zij op haar beurt het pand ook huurt en iedere maand zelf ook de huur aan de eigenaar van het pand is verschuldigd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiser] afhankelijk is van de huurinkomsten van [gedaagde] om aan haar eigen betalingsverplichting te voldoen. Verder weegt mee dat namens [gedaagde] ter zitting is toegelicht dat er momenteel te weinig omzet wordt gegenereerd om de lopende kosten van de onderneming te voldoen en dat er meerdere dingen moeten gebeuren om de omzet weer te verhogen, zoals het lanceren van nieuwe marketing en het opknappen van het interieur. Daarmee zullen de nodige tijd en ook kosten gemoeid zijn. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van [eiser] niet kan worden gevergd dat zij een beslissing in een bodemprocedure afwacht. De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming daarom toe.

4.5.. Ten aanzien van de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden, overweegt de kantonrechter het volgende. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling besproken dat [gedaagde] aan [eiser] binnen één week na de mondelinge behandeling een betalingsvoorstel doet om de huurachterstand alsnog (in termijnen) te betalen, in een ultieme poging om te bezien of partijen hierover nadere afspraken kunnen maken om zo een ontruiming te voorkomen. Voor het geval die poging geen effect zal hebben en dit vonnis ten uitvoer wordt gelegd, heeft [eiser] aangegeven in te kunnen stemmen met een ontruimingstermijn van een maand. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn daarom bepalen op 30 dagen na betekening van het vonnis.

Contractuele boete

4.6..
[eiser] vordert betaling van de contractuele boete die is opgenomen in artikel 25.3 van de algemene voorwaarden, vanwege het niet tijdig betalen van de huur.

4.7.. De kantonrechter overweegt dat het voor toewijzing van een geldvordering in kort geding nodig is dat deze vordering in voldoende mate vaststaat. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval, omdat vaststaat dat partijen de boeteclausule zijn overeengekomen en [gedaagde] de huur gedurende (in ieder geval) vier maanden niet op tijd heeft betaald. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van de gevorderde contractuele boete van € 1.200,00.

Huurtermijnen tot de ontruiming

4.8..

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de huurprijs van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand nog in gebruik mocht hebben. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De kantonrechter wijst de vordering daarom toe.

Proceskosten

4.9..
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

130,16

  • griffierecht

1504,00

  • salaris gemachtigde

577,00

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.355,16

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.. veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,

5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.221,86 aan achterstallige huur tot en met juni 2026,

5.3..

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 1.200,00 aan contractuele boete,

5.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand aan de [adres] nog in gebruik mocht hebben,

5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.355,16, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,

5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

66449/RG

Plus de Décisions