Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2613

Tribunal

Groningen

Date

17 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/1764
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoekster,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.. Het Uwv heeft de aanvraag van 30 maart 2026 met de beslissing van 5 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

2.1.. Verzoekster betoogt dat de spoedeisendheid is gelegen in het behoud van de feitelijk beschikbare praktijkroute. Hiertoe heeft verzoekster aangegeven dat indien de bezwaarprocedure dient te worden afgewacht haar re-integratiepositie, dossierpositie en concrete praktijkroute worden beschadigd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster aangegeven dat het Uwv haar aanvraag niet heeft beoordeeld als een geïntegreerde route van juridische scholing met leerwerk-/praktijkcomponent. Verzoekster acht de beslissing van 5 juni 2026 om die reden onrechtmatig en geen correcte uitvoering van de door de voorzieningenrechter eerder gedane uitspraak. Ten slotte heeft verzoekster aangegeven dat de door haar verzochte 2 jarige opleiding start in september 2026.

2.2.. Met het besluit van 5 juni 2026 heeft het Uwv de aanvraag van verzoekster voor een werkervaringsplek van 2 jaar en een juridische hbo-opleiding afgewezen. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat verzoekster wel de mogelijkheid wordt aangeboden om voor een periode van maximaal 6 maanden stage te lopen met behoud van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de WIA) in combinatie met de inzet van de re-integratiedienst Praktijkassessment.

2.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar zijn voorlopig oordeel de beslissing van 5 juni 2026 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). De bezwaren die door verzoekster daartegen schriftelijk zijn ingebracht zijn in zoverre ontvankelijk en haar verzoek om een voorlopige voorziening moet connex aan deze bezwaren worden geacht, zodat ook dit verzoek in zoverre ontvankelijk is.

2.4..

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er géén sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een dusdanige spoed dat verzoekster de beslissing op de door haar gemaakte bezwaren niet kan afwachten. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat het Uwv in het besluit van 5 juni 2026 heeft aangegeven dat verzoekster – met behoud van haar WIA-uitkering – in ieder geval gedurende zes maanden een stage mag volgen bij het door haar gewenste advocatenkantoor. Voor wat betreft hetgeen door verzoekster is gesteld met betrekking tot het door haar gewenste scholingstraject, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van dusdanig zwaarwegende feiten en /of omstandigheden dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster in deze procedure gevraagde schorsing van het besluit van 5 juni 2026 niet leidt tot het door haar gewenste gevolg. Daarmee kan verzoekster niet het door haar geambieerde integrale stage- en scholingstraject gaan volgen met behoud van uitkering. De aard van de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure leent zich voorts niet voor het door de voorzieningenrechter toekennen van vorenbedoeld traject. Dit onder meer gelet op de onomkeerbaarheid daarvan. Het doorlopen van de bezwaarprocedure waarin het Uwv op basis van de door verzoekster ingebrachte bezwaren tegen het besluit van 5 juni 2026 een volledige heroverweging moet maken aangaande het stage- en scholingstraject van verzoekster, is in dit geval dan ook de aangewezen route.

2.5.. De voorzieningenrechter wijst er ten slotte volledigheidshalve op dat voor zover de bezwaarprocedure voor verzoekster nadelig uitpakt zij tegen het besluit op bezwaar beroep kan instellen en zij gedurende deze beroepsprocedure een nieuwe voorlopige voorziening kan indienen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Plus de Décisions