Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2637

Tribunal

Leeuwarden

Date

26 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Strafrecht; Materieel strafrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Leeuwarden

Procedure: UitspraakDomain: Strafrecht; Materieel strafrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-216297-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rosema, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand/woning, gelegen aan [adres] , door open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een deurmat, althans met een brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voorgenoemde pand/woning en/of de inboedel van voorgenoemde pand/woning en/of nabijgelegen woning(en) en/of de inboedel van de nabijgelegen woning(en) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk en

wederrechtelijk een deurmat en/of de portiek aan [adres] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het dossier bevat een verklaring van een forensisch medewerker van de politie, waarin de medewerker stelt dat door de brand geen gevaar voor goederen is ontstaan. Uit het proces-verbaal blijkt dat er geen directe objecten in de nabijheid stonden waarop de brand had kunnen overslaan. Naast deze verklaring blijkt nergens anders uit het dossier dat de brand zich had kunnen uitbreiden. Verdachte heeft verklaard dat hij geen brandversnellers heeft gebruikt.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiaire feit, vernieling, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025188702 d.d. 15 juli 2025, inhoudend de verklaring van [naam] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 juli 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 16 juli 2025, opgenomen op pagina 12

e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met opzet brand heeft gesticht in de portiek van een pand gelegen aan de [adres] te Leeuwarden door met een aansteker een deurmat in brand te steken. Als gevolg daarvan is schade ontstaan aan de deur van de meterkast, waarvan zich fotos in het dossier bevinden. Uit de verklaring van de bevelvoerder van de brandweer volgt dat als de brand de brand was uitgeslagen en niet op tijd was geblust er een ramp had kunnen ontstaan, omdat het een oud pand betreft. Volgens de bevelvoerder van de brandweer, welke tijdens de brand op 15 juli 2025 ook aanwezig was, was er daarom absoluut gevaar voor goederen. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, waarbij gevaar voor goederen te duchten is geweest. De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 15 juli 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht in een pand, gelegen aan de [adres] , door open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een deurmat, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voorgenoemde pand en de inboedel van voorgenoemde pand en nabijgelegen woningen en de inboedel van de nabijgelegen woningen te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primairopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar was en daarom dient worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De conclusie van de psychiaters luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van de psychische stoornis schizofrenie, een psychotische stoornis met akoestische hallucinaties en waanideeën. Tevens heeft verdachte een stoornis in het gebruik van amfetamine en cocaïne. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De psychiaters adviseren het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen, omdat hij ten tijde van het bewezen verklaarde in een psychose verkeerde en hierdoor niet meer in staat was de realiteit te toetsen en zijn wil en gedrag in vrijheid te bepalen.

De psycholoog heeft geen advies uitgebracht omtrent de (on)toerekeningsvatbaarheid van het ten laste gelegde.

De rechtbank kan zich met de gemotiveerde conclusie van de psychiaters ten aanzien van de ontoerekeningsvatbaarheid verenigen en neemt deze over. De denk- en belevingswereld van verdachte was voorafgaand aan en ten tijde van het ten laste gelegde in belangrijke mate, zo niet volledig bepaald door zijn psychische stoornis. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat hij niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: tbs met voorwaarden) zal worden opgelegd met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De tbs met voorwaarden dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) moet worden opgelegd, omdat dit noodzakelijk is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen en goederen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte voor het subsidiaire feit (enkel) ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, bij een veroordeling ten aanzien van het primaire feit, ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen en aan verdachte tbs met daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden dient te worden opgelegd. De voorwaarden kunnen direct uitvoerbaar worden verklaard. Ten aanzien van de GVM heeft de raadsvrouw betoogd dat oplegging hiervan disproportioneel is en derhalve moet worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij haar oordeel rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van 5 en 7 februari 2026, het reclasseringsadvies van 28 april 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens een psychose schuldig heeft gemaakt aan een opzettelijke brandstichting. Verdachte heeft in een pand in de binnenstad van Leeuwarden met een aansteker een deurmat in de brand gestoken. De brand had zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Opzettelijke brandstichting waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is betreft een ernstig feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de Pro Justitia-rapportages, opgemaakt door psycholoog M. Overduin en psychiaters K.N. Broek en M.K. van der Vlis, en van het reclasseringsadvies.

Advies psycholoog en psychiaters

Zowel de psycholoog als de psychiaters rapporteren dat verdachte heeft geweigerd (geheel) mee te werken aan het onderzoek. De psycholoog stelt dat zij op basis van de weigerende houding van verdachte geen uitspraken kan doen over de geestelijke stoornissen die bij verdachte bestaan en de relatie hiermee tot het onderhavige delict. Wel concludeert de psycholoog dat vanuit de beschikbare informatie een zorgwekkend beeld over verdachte ontstaat. Verdachte is langdurig in zorg bij de GGZ in verband met psychotische problematiek waarvoor hij al jaren medicamenteus behandeld wordt.

De conclusie van de psychiaters luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van de psychische stoornis schizofrenie, een psychotische stoornis met akoestische hallucinaties en waanideeën. Tevens heeft hij een stoornis in het gebruik van amfetamine en cocaïne.

Verdachte had op het moment van het ten laste gelegde vanuit zijn schizofrenie een psychotisch toestandsbeeld, waarin hij in zijn hoofd de stem van Mehmed hoorde en meende dat hij door hem werd beïnvloed middels voodoo en een chip in zijn hoofd. Deze beleving veroorzaakte bij verdachte zodanige psychische lijdensdruk dat hij wilde dat het zou stoppen. Hij was boos en wanhopig en zag het stichten van een brand in een portiek als enige manier om de stemmen te doen stoppen, waarmee hij meende Mehmed te waarschuwen. Door de verstoorde realiteitstoetsing als gevolg van het psychotische toestandsbeeld was verdachte niet in staat de gevaren en mogelijke gevolgen van de brandstichting in te schatten en te overzien, waardoor hij deze handeling niet als gevaarlijk beschouwde. Mogelijk had verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde middelen gebruikt, maar de psychiaters menen dat dit niet van (doorslaggevend) belang is geweest voor het ten laste gelegde, omdat verdachte ook zonder middelengebruik psychotisch is. Omdat zijn oordeelsvermogen zeer ernstig was verstoord en hij de mogelijke gevolgen van zijn handelingen niet kon overzien, adviseren onderzoekers om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen. Zolang de psychotische overtuigingen van verdachte niet afnemen blijft de mogelijkheid bestaan dat hij opnieuw zal handelen vanuit dezelfde verstoorde realiteitsbeleving. Op basis van deze overwegingen schatten de psychiaters het risico op recidive in als hoog als verdachte een psychotisch toestandsbeeld heeft. Bij adequate behandeling, abstinentie van middelen en passende begeleiding kan het risico lager worden, waarbij wel rekening gehouden moet worden met zijn blijvende kwetsbaarheid voor psychotische ontregeling. Het advies van de psychiaters is

om verdachte te behandelen in het kader van een tbs met voorwaarden.

Advies reclassering

De reclassering heeft een rapportage over verdachte opgemaakt op 28 april 2026. De reclassering rapporteert, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende. Er is enig ziektebesef bij verdachte aangaande het psychotische toestandsbeeld, welke naar zijn zeggen sinds 2012 aanwezig is, maar het ziekte-inzicht ontbreekt. Verdachte erkent de psychotische symptomen en wil hiervoor ook behandeling zodat het stopt. Hij erkent echter niet dat zij onderdeel zijn van een psychiatrische stoornis.

Het contact met de GGZ ambulant, het gebruik van medicatie en het begeleid wonen is onvoldoende gebleken om te komen tot een stabiele situatie. Verdachte is niet behandeltrouw en stelt zich zorgmijdend op, waarmee hij zich onttrekt aan behandeling en begeleiding. Klinische behandeling voor de psychiatrische- en verslavingsproblematiek gevolgd door een geleidelijke uitstroom, naar ambulante behandeling in combinatie met beschermd wonen, ziet de reclassering als noodzakelijk vanwege de ernst van de problematiek en recidive risico. Daarbij zal ook gezocht moet worden naar effectieve medicamenteuze behandeling.

Als beschermende factoren ziet de reclassering dat verdachte onder bewind staat, meerdere jaren binnen de maatschappelijke opvang woont, contact heeft met de GGZ en open staat voor klinische behandeling.

Verdachte kan worden opgenomen binnen de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) te [plaats]. Vanuit reclasseringsoogpunt is er enige twijfel of behandeling op het niveau van een FPA passend is. Indien noodzakelijk kan alsnog worden opgeschaald naar een FPK. De beoogde FPA heeft aangegeven dat zij voldoende behandelmogelijkheden zien en voldoende structuur kunnen bieden. Desondanks ziet de reclassering dit als aandachtspunt.

Gelet op zijn ambivalente motivatie en houding ten opzichte van behandeling, medicatie inname en begeleiding acht de reclassering een stevig forensisch kader noodzakelijk. Verdachte blijkt open te staan voor een klinische behandeling vanuit tbs met voorwaarden. Binnen de huidige structuur van de PI is stabiliteitsgroei zichtbaar ten aanzien van het psychosociale functioneren. Verdachte heeft niet eerdere een forensische (klinische) GGZ-behandeling gehad. Derhalve ziet de reclassering een behandeltraject vanuit tbs met voorwaarden als passend. De voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

Daarnaast adviseert de reclassering een GVM op te leggen.

De maatregel tbs met voorwaarden

Omdat verdachte vanwege de psychose waarin hij verkeerde ten tijde van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan verdachte geen straf worden opgelegd. Wel bestaat de mogelijkheid om de maatregel van tbs op te leggen. De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen. De verdediging heeft hier, bij bewezenverklaring van het primaire feit, ook om verzocht. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde brandstichting een misdrijf is waarvoor op grond van artikel 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is.

De rechtbank neemt de onderbouwde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot haar eigen oordeel. Uit de rapportages van de psychiaters blijkt dat tijdens het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose. Als gevolg hiervan leed verdachte aan wanen en hallucinaties. Hij was boos en wanhopig en zag het stichten van brand als enige oplossing voor het stoppen van de stemmen in zijn hoofd. Zijn waarneming, denken en handelen werden ten tijde van het ten laste gelegde volledig bepaald door dit psychotische toestandsbeeld.

De psychiaters achten het recidiverisico hoog. Het belangrijkste risico voor recidive is dat verdachte (opnieuw) psychotisch wordt. De deskundigen concluderen dat een intensieve behandeling noodzakelijk is om het recidiverisico terug te dringen. De behandeling moet gericht zijn op het laten verbleken van de huidige psychose en het voorkomen van een nieuwe psychotische ontregeling. Speerpunt binnen deze behandeling van de schizofrenie is de behandeling met antipsychotica, maar er zou ook gedacht moeten worden aan psycho-educatie over psychotische stoornissen en therapie waarbij verdachte leert omgaan met de akoestische hallucinaties. Als hij voldoende is gestabiliseerd is een delict-analyse geïndiceerd.

Daarnaast is behandeling van het middelengebruik noodzakelijk. Binnen een behandeling zal bepaald moeten worden welke begeleiding hij nodig heeft en wat voor soort woonvorm geschikt voor hem is, met aandacht voor dagbesteding en zijn netwerk. Voor genoemde behandeling is een behandeling met een klinisch begin het meest passend. Het advies van de psychiaters is om verdachte te behandelen in het kader van een tbs met

voorwaarden.

De reclassering schat de kans op recidive in als hoog en komt eveneens tot de conclusie dat eerst een klinische behandeling noodzakelijk is. De reclassering adviseert daarom een tbs met voorwaarden op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de hierboven besproken rapporten heeft verdachte te maken met zodanige problematiek dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Het risico op recidive op de lange termijn wordt door alle deskundigen ingeschat als hoog als passende behandeling (inclusief medicamenteuze behandeling) en begeleiding ontbreken.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting op 12 mei 2026 bereid verklaard mee te werken aan de geformuleerde voorwaarden. Het voorgaande maakt dat aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.

Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van de tbs met voorwaarden passend en noodzakelijk. De rechtbank zal de maatregel met de daarbij in het dictum vermelde voorwaarden opleggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op het belang van behandeling van verdachte en de bescherming van de maatschappij ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 38, zesde lid Sr en zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden bevelen.

Maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking

De rechtbank ziet geen aanleiding om een GVM op te leggen, gezien de ernst en ingrijpendheid van de tbs-maatregel die al wordt opgelegd. Een GVM vormt een ingrijpende maatregel die de rechtbank in het onderhavige geval niet passend en noodzakelijk acht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel

ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

dat veroordeelde zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

dat veroordeelde meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien;

Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;

Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;

Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

3. dat veroordeelde, als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, voor een time-out kan worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

4. dat veroordeelde niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;

5. dat veroordeelde zich laat opnemen in en behandelen door GGZ Friesland, locatie [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start

op 26 mei 2026. Veroordeelde dient op de opnamedag (26 mei 2026) door DV&O te worden vervoerd naar de kliniek.De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere bijkomende problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

6. dat veroordeelde zich gedurende de terbeschikkingstelling laat behandelen door een forensische GGZ-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;

7. dat veroordeelde zich houdt aan de voorschriften van de medicatie (antipsychotica) en meewerkt aan controles;

8. dat veroordeelde gedurende de terbeschikkingstelling verblijft binnen de maatschappelijke opvang van Wender te Emmen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start op een door de reclassering nader vast te stellen startmoment. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering

opstelt.

9. dat veroordeelde geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

10. dat veroordeelde geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

11. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;

12. dat veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk, op de wijze die de reclassering aangeeft.

Geeft opdracht aan de reclassering de veroordeelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 26 mei 2026, op het moment dat verdachte door DV&O naar de FPA te [plaats] kan worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Mr. C.A.M. Veenbaas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Plus de Décisions