ECLI:NL:RBNNE:2026:2695
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Leeuwarden
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/254912 / JE RK 26-620
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd in Leeuwarden,
hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),
over
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[naam],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 16 mei 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van zes weken, te weten tot 29 juni 2026. De beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting met gesloten deuren op 16 juni 2026.
1.2.. Daarna heeft de kinderrechter op 8 juni 2026 een brief van de GI ontvangen.1.3.. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
de vader;
[naam jeugdbeschermer] , namens de GI.
1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
2.1.. Voor de vaststaande feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 12 mei 2026.
3. Het verzoek
3.1.. De GI handhaaft het verzoek om - uitvoerbaar bij voorraad - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI onder meer het volgende naar voren gebracht.
3.2.. Na de beschikking van 12 mei 2026, is de GI gelijk aan de slag gegaan met de opdrachten van de kinderrechter gericht op het onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. De GI heeft hiervoor meerdere hulpverleningsorganisaties benaderd. Op 26 mei 2026 heeft de GI te horen gekregen dat Feel Jeugd en Gezin (Feel) op korte termijn kan starten met zowel omgangsbegeleiding als een opvoedonderzoek bij de vader. Vervolgens heeft op 3 juni 2026 een startgesprek plaatsgevonden tussen de vader, een medewerker van Feel en de jeugdbeschermer. Tijdens dit gesprek zijn direct afspraken gemaakt over een huisbezoek bij de vader en is gekeken naar de mogelijkheden voor contactuitbreiding tussen de vader en [minderjarige] . De GI heeft begrepen dat de vader de voorkeur gaf aan twee omgangsmomenten in de week in plaats van de voorgestelde drie keer in de week. De GI weet niet waarom Feel ervoor kiest om de omgangsmomenten gedurende één uur te laten plaatsvinden en niet in tijdsduur uit te breiden.
3.3.. De GI vindt het te vroeg om definitief te concluderen of een thuisplaatsing bij de vader duurzaam haalbaar is. De reden hiervan is niet een gebrek aan vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de vader, maar dat de GI haar conclusies op een gedegen onderzoek wil en moet baseren. De bij de GI bekende zorgen over de vader zien op dat hij in het verleden pedagogische tikken uitdeelde aan [minderjarige] en dat [minderjarige] bang voor hem was. De GI heeft hierover met de vader gesproken en hij geeft aan dit niet meer te zullen doen. Daarnaast ziet de GI al vanaf het eerste omgangsmoment tussen [minderjarige] en de vader geen angst bij [minderjarige] . [minderjarige] ervaarde alleen bij het eerste omgangsmoment gezonde spanning omdat hij de vader een tijd niet had gezien, maar deze spanning verdween snel. De GI ziet een ontspannen [minderjarige] bij de omgang. Ook is de interactie tussen de vader en [minderjarige] goed. Bij de GI zijn verder geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader bekend. De GI heeft daardoor vertrouwen in een positieve uitslag van het onderzoek. De GI heeft Feel meegegeven dat het onderzoek versneld moet plaatsvinden.
4. De standpunten
4.1..
[minderjarige] vertelt dat het goed met hem gaat. Hij ziet zijn vader nu één à twee keer in de week en dat vindt hij leuk. Hij heeft gehoord dat wordt onderzocht of hij bij zijn vader kan wonen en dat hij misschien voor 2027 bij zijn vader zal gaan wonen. Hij ziet zijn moeder ook wekelijks en dat vindt hij fijn. Hij zou ook graag zijn moeder vaker willen zien. Daarnaast wil [minderjarige] heel graag in de zomervakantie met zijn vader mee op vakantie naar Frankrijk en Marokko. Daar woont zijn familie die hij al twee jaar niet meer heeft gezien. Hij kijkt er daarom naar uit om zijn familie weer te zien.4.2.. De vader is blij dat onderzocht wordt of [minderjarige] bij hem thuis kan wonen. Hij voelt zich meer gehoord en gezien in zijn vaderrol. Wat de vader betreft kan [minderjarige] per direct bij hem komen wonen. De band tussen hem en [minderjarige] is sterker geworden. De vader zou in ieder geval graag zien dat de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] in duur worden uitgebreid en dat zij samen tijd kunnen doorbrengen buiten de omgangslocatie. De vader gaat in de zomervakantie voor drie weken naar Frankrijk en Marokko en merkt dat [minderjarige] heel graag met hem mee wil daarheen.4.3.. De moeder vindt dat de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet snel genoeg gaat. Zij had - na de beschikking van 12 mei 2026 - verwacht dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader veel sneller zouden worden uitgebreid. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij de vader gaat wonen. Zij heeft er vertrouwen in dat de vader hem de opvoedsituatie biedt die hij nodig heeft. Ook vindt zij het belangrijk dat [minderjarige] zijn normale dagritme weer oppakt en na de zomervakantie naar het voortgezet onderwijs gaat vanuit de situatie bij de vader. Om dit proces te bevorderen is de moeder bereid om zelf een stap terug te zetten. Zij vindt het op dit moment het belangrijkste dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader goed gaat. Ook zou zij graag zien dat [minderjarige] met de vader mee gaat op vakantie naar Frankrijk en Marokko. [minderjarige] is in goede handen bij zijn vader en zijn familie.
5. De beoordeling
5.1.. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog voor een hele korte periode noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter zal de machtiging verlengen voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. Het meer of anders gevraagde zal worden afgewezen. De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom deze beslissing is genomen.
5.2.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toegewezen voor de duur van zes weken. De GI heeft daarbij de opdracht gekregen om het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uit te breiden, hulpverlening bij de vader in te zetten en een gedegen plan van aanpak op te stellen gericht op een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.
5.3..
De kinderrechter stelt vast dat de GI Feel heeft ingezet om te onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. Dit is conform wat de kinderrechter de GI had opgedragen. Tegelijkertijd had de kinderrechter net als de ouders verwacht dat het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uitgebreid zou worden en inmiddels uitgebreid zou zijn, nu de kinderrechter ook hiertoe opdracht had gegeven. Toch is dit niet het geval.
De kinderechter begrijpt dat de GI geen belemmeringen voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader ziet, behoudens de wens voor een gedegen onderzoek door Feel. Ondanks dat de kinderrechter deze wens vanuit de GI begrijpt, vindt de kinderrechter niet dat de thuisplaatsing bij de vader moet worden uitgesteld totdat dit onderzoek is afgerond. Er zijn geen omstandigheden gebleken die maken dat [minderjarige] niet (per direct) bij de vader zou kunnen wonen. [minderjarige] is destijds vanwege grote zorgen bij de moeder uit huis geplaatst. Over de opvoedvaardigheden van de vader zijn geen zorgen bekend, afgezien van dat hij [minderjarige] in het verleden corrigerende tikken uitdeelde. Met de vader is gesproken over dat dit niet mag en dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . De vader staat open voor de opvoedadviezen en geeft aan te begrijpen dat hij dit niet meer mag doen. Hiernaast verlopen de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] tot dusver positief. Er wordt gezien dat [minderjarige] zich prettig voelt bij de vader.
De kinderrechter ziet daarom mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader en oordeelt dat deze minder ingrijpende mogelijkheid voorliggend is en daardoor de noodzaak voor een langere uithuisplaatsing ontbreekt. Ook acht de kinderrechter het meer in het belang van [minderjarige] dat hij vanuit de opvoedingsomgeving van de vader in het nieuwe schooljaar start op zijn nieuwe school en niet eerst vanuit het gezinshuis [naam gezinshuis] . Daarom verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] slechts voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. In deze periode kunnen de (begeleide) omgangsmomenten fors uitgebreid worden met overnachtingen, zodat [minderjarige] zich kan voorbereiden op de zomervakantie met zijn vader en de thuisplaatsing bij de vader.
De beslissing geldt direct5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht omdat het in het belang van [minderjarige] is dat hij zo snel mogelijk bij zijn vader kan gaan wonen. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026;6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.3.. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door
mr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van E. Massink als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 juni 2026.
[-]
[-]
[-]
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.