[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-320":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-320":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"434","ECLI:NL:RBNNE:2026:320","",65,"Groningen","groningen","2026-02-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F250503 \u002F KG ZA 25-200\n\nVonnis in kort geding van 6 februari 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CHIPSOFT B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ChipSoft,\n\nadvocaten: mr. K.E.L. van Haastrecht en mr. J.G.H.M. van den Biggelaar, alsmede\n\nmr. L. Bozkurt,\n\ntegen\n\n1. de publiekrechtelijke rechtspersoon UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM GRONINGEN,\n\nte Groningen, 2. de stichting TREANT ZORGGROEP,\n\nte Hoogeveen, 3. de stichting TREANT ZIEKENHUISZORG,\n\nte Hoogeveen, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidOMMELANDER ZIEKENHUIS GRONINGEN B.V.,\n\nte Scheemda,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna mede te noemen: UMCG, Treant Zorggroep, Treant Ziekenhuiszorg en OZG,\n\nadvocaten: mr. J.I. Krikke en mr. R.J.J. Westerdijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de producties van ChipSoft;\n\n- de producties van gedaagden;\n\n- de akte wijziging van eis; - de mondelinge behandeling van 13 januari 2026; - de pleitnota van ChipSoft; - de pleitnota van gedaagden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. ChipSoft is een ICT-leverancier die voornamelijk actief is in Nederland en onder andere activiteiten ontplooit aangaande het inrichten van Elektronische Patiëntendossiers (EPD’s) ter ondersteuning van zorginstellingen zoals (academische) ziekenhuizen, alsook huisartsen, revalidatiecentra, thuiszorg, apotheken.2.2.. \n\nUMCG is één van de acht universitair medische centra in Nederland. Als academisch ziekenhuis houdt UMCG zich onder meer bezig met patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.\n\nTreant is een zorgorganisatie die actief is in de regio Drenthe en Zuidoost Groningen.\n\nOZG is het streekziekenhuis van Noord- en Oost-Groningen. OZG is sinds december 2015\n\neen 100%-dochter van UMCG, maar fungeert als volledig zelfstandig ziekenhuis.\n\n2.3.. UMCG heeft op 4 oktober 2015 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor een eigen Elektronisch Patiëntendossier met de naam ‘Nieuw EPD UMCG’. Een EPD is een digitaal systeem waarin zorgverleners medische gegevens van patiënten bewaren, zoals diagnoses, behandelingen en medicatie. Deze aanbesteding omvatte het selecteren en contracteren van een EPD-leverancier voor het UMCG als enige opdrachtgever. ChipSoft heeft ingeschreven op die aanbesteding uit 2015. De opdracht is uiteindelijk gegund aan EPIC te ’s-Hertogenbosch .\n\n2.4.. De initiële looptijd van deze overeenkomst en bijhorende Service Level Agreement (SLA) betrof 15 jaar. Deze verloopt medio 2029, tenzij deze wordt verlengd.\n\n2.5.. Sinds augustus 2024 is ChipSoft in gesprek geweest met Treant voor een nieuw ziekenhuis-informatiesysteem (ZIS) en een EPD. ChipSoft heeft op 5 december 2024 een offerte aan Treant uitgebracht. Begin 2025 gaf Treant aan ook met onder andere UMCG in gesprek te zijn en een regio-EPD te onderzoeken. Gedurende 2025 heeft ChipSoft op verschillende momenten contact gezocht voor een nader overleg, aangezien Treant had aangegeven graag uiterlijk begin 2025 te contracteren voor een EPD per Q1 2026.2.6.. In de loop van 2025 heeft Treant tweemaal verzocht aan ChipSoft om het aanbod in de vorm van een direct ondertekenbare overeenkomst en de gestanddoeningstermijn van het aanbod te verlengen. De tweede keer is dat verlengd tot 1 december 2025.\n\n2.7.. \n\nOp 5 oktober 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder aan te duiden als de Vooraankondiging 1) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gedaan. Daarin is onder meer het volgende vermeld: Aankondiging vrijwillige transparantie vooraf UMCG levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Deze vrijwillige aankondiging overeenkomstig artikel 4.16 van de Aanbestedingswet betreft het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de\n\novereenkomst met Epic Den Bosch B.V. ( Epic ) voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Dit voornemen ziet op de opdracht die door UMCG is gegund naar aanleiding van de Europese aanbesteding die bekend is gemaakt onder nummer [nummer] . Het aansluiten van de andere ziekenhuizen op deze aanbestede opdracht is mogelijk op basis van de oorspronkelijke uitvraag. In die uitvraag is voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking, waarvoor het EPD van de inschrijver bij voorkeur geschikt zou moeten zijn. Die samenwerking wenst UMCG nu te bewerkstelligen.\n\nDeze wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van Epic . De ziekenhuizen die voornemens zijn aan te sluiten, zijn niet aanbestedingsplichtig.\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 1 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging: De opdracht is eerder aanbesteed. In die aanbesteding is reeds voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding in verband met een (regionale) samenwerking.\n\nDe toepassing van deze optie komt overigens ten goede aan partijen die niet\n\naanbestedingsplichtig zijn. Het volume van UMCG wijzigt niet.\n\n2.8.. \n\nOp 14 november 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder aan te duiden als de Vooraankondiging 2) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gepubliceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\nDe opdracht betreft de aansturing en realisatie van het programma “Implementatie SCN”. Het betreft de planvorming, de regievoering op de uit te voeren werkzaamheden, de rapportage over voortgang, risicomanagement en budgetuitnutting, het management van de informatiestromen. E.e.a. is samen te brengen in de rollen programmadirectie, centraal\n\nprogrammamanagement “verandermanagement” en Programma Management Office. Gezien de complexiteit van het programma “Implementatie SCN” is adequate sturing en monitoring op de programmamanagementprocessen (financieel management,\n\nrisicomanagement, informatievoorziening en rapportage) een noodzakelijke voorwaarde. Betreft het realiseren van een Epic Connect omgeving in de periode december 2025 tot en met juli 2027.\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 3.160.500 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging:\n\nDe ervaringen van Pragus zijn noodzakelijk voor een succesvolle realisatie van de EPIC -connect. Op dit moment zijn er geen partijen in Nederland actief met de benodigde ervaring. AW2012 art. 2.32 lid 1b2 stelt dat als de mededinging om technische gronden ontbreekt, wat in deze situatie het geval is, het gegrond is om een onderhandelingsprocedure zonder\n\naankondiging te starten.\n\n2.9.. Bij dagvaarding van 3 december 2025 heeft ChipSoft onderhavig kort geding aanhangig gemaakt.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De vordering van ChipSoft strekt er – na wijziging – toe:\n\nA - Verzoek tot een bevel ex artikel 22 Rv\n\n Gedaagden op grond van artikel 22 Rv te bevelen om de in randnummer [randnummer] opgesomde\n\ninformatie en\u002Fof documenten in het geding te brengen;\n\nB - Voorwaardelijke vordering: inzage en afschrift ex artikel 194 jo 195 Rv\n\nIndien of voor zover Gedaagden de informatie zoals hierna omschreven niet zelf verstrekken en de rechtbank het verzoek tot een bevel ex artikel 22 Rv niet honoreert:\n\n1. Gedaagden hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van\n\nhet dit vonnis aan ChipSoft (digitaal) kopieën te verstrekken van de in randnummer [randnummer] opgesomde informatie; en\n\n2. aan de advocaten van ChipSoft toestemming te verlenen om inzage te nemen in de in\n\nrandnummer [randnummer] opgenomen documenten, voor zover Gedaagden van mening zijn dat dit\n\nbedrijfsvertrouwelijke informatie betreft, zulks ten kantore van de advocaat van Gedaagden;\n\n3. een zitting te bepalen waarop de advocaten van ChipSoft en de advocaten van Gedaagden\n\nkunnen toelichten waarom bepaalde informatie in de door de advocaten van Gedaagden\n\naangemerkte documentatie al dan niet door ChipSoft en haar advocaten zouden mogen\n\nworden ingezien, waarbij ChipSoft niet aanwezig zal mogen zijn;\n\n4. door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen welke passages zwart gelakt kunnen worden zodat de in randnummer [randnummer] opgenomen documenten met ChipSoft en\u002Fof haar advocaten gedeeld kan worden;\n\n5. Gedaagden hoofdelijk te bevelen een dwangsom te betalen van € 25.000,00 per dag (een gedeelte van een dag gerekend als een hele dag) dat Gedaagden in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500.000,00;\n\nC - Onvoorwaardelijk:\n\nprimair\n\n1. Gedaagden te verbieden uitvoering te geven aan Vooraankondiging 1, Vooraankondiging 2, althans de plannen voor een Share Care Noord waarbij Epic voor een of meer aangesloten zorgaanbieders via UMCG het EPD mag ontwerpen, realiseren, implementeren, in stand houden, onderhouden, beheren en alle daarbij behorende werkzaamheden; en\n\n2. Gedaagde sub 1 te gebieden Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 binnen twee kalenderdagen na dit vonnis in te trekken en deze ingetrokken te houden; en\n\n3. Gedaagden sub 1 en sub 4 te gebieden om, indien en voor zover zij de opdrachten als beschreven in Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 alsnog wensen te vergeven, hiervoor een Europese aanbestedingsprocedure uit te schrijven die openstaat voor mededinging conform het bepaalde in de Aanbestedingswet, een en ander met inachtneming van de Europese staatssteunregels;\n\nsubsidiair\n\n4. de steunmaatregel op te schorten totdat UMCG de steunverlening heeft aangemeld en de Europese Commissie een besluit over de maatregel heeft genomen;\n\nmeer subsidiair\n\ndan wel iedere andere voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht en recht doet aan de belangen van ChipSoft;\n\nprimair, subsidiair en meer subsidiair:\n\n5. elk gebod en\u002Fof verbod per gedaagde op te leggen op straffe van een aan ChipSoft te\n\nverbeuren dwangsom van € 100.000,00 met een maximum van € 5.000.000,00 dan wel een\n\ndoor de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat een gedaagde hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;\n\nD - In alle gevallen:\n\nGedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit kort geding en daarbij tevens te\n\nbepalen dat de proceskostenveroordeling vermeerderd zal worden met de wettelijke rente\n\nover dat bedrag vanaf de vijftiende dag na datum van de uitspraak tot aan de dag der algehele betaling, alsmede de nakosten van deze uitspraak.\n\n3.2.. Gedaagden hebben verweer gevoerd.\n\n4. De beoordeling\n\nWijziging van eis wordt toegestaan\n\n4.1.. \n\nChipSoft heeft haar vorderingen gewijzigd. Gedaagden hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Ambtshalve ziet de voorzieningenrechter ook geen reden om de wijziging van eis niet toe te staan, zodat op de gewijzigde eis zal worden beslist.\n\nInhoudelijk ter zake van de vordering onder C\n\n4.2.. Om redenen van procestechnische aard, zal de voorzieningenrechter allereerst de onvoorwaardelijk ingestelde vorderingen onder C beoordelen.\n\n4.3.. \n\nIn de Vooraankondigingen 1 en 2 is slechts het UMCG vermeld als “Koper”. De vorderingen van ChipSoft zijn gebaseerd op (schending van) het aanbestedingsrecht, met name op de stelling van de Vooraankondigingen niet voldoen aan de daaraan te stellen voorwaarden, en staatssteunregels, terwijl alleen het UMCG in de Vooraankondigingen is genoemd als “Koper”.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat Treant Zorggroep en Treant Ziekenhuiszorg geen aanbestedende diensten zijn in de zin van de Aanbestedingswet 2012. ChipSoft heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt welk belang zij heeft bij de vorderingen jegens Treant Zorggroep en Treant Ziekenhuiszorg. Voor zover de vorderingen zich richten tegen deze partijen worden de vorderingen afgewezen.\n\n4.4.. Partijen verschillen van opvatting over de vraag of OZG als een aanbestedende dienst in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt. OZG kan worden gezien als een publiekrechtelijke instelling (en daarmee als een aanbestedende dienst) indien zij (i) specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard, (ii) rechtspersoonlijkheid bezit en (iii) - onder meer - het beheer is onderworpen aan toezicht door een andere publiekrechtelijke instelling of de leden van het bestuur voor meer dan de helft door een andere publiekrechtelijke instelling zijn aangewezen. Door Gedaagden is onbetwist gesteld onder andere door verwijzing naar het Amphia-arrest van de Hoge Raad (HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872) dat algemene ziekenhuizen zoals OZG niet mogen worden gezien als een aanbestedende dienst. Uit het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) van 15 januari 1998 (ECLI:EU:C:1998:4, C-44\u002F96, Mannesmann Anlagenbau), volgt bovendien dat het enkele feit dat OZG een 100%-dochtermaatschappij is van UMCG (en als zodanig rechtspersoonlijkheid heeft), niet volstaat om OZG zelf ook als publiekrechtelijke instelling te kwalificeren. Maar zelfs als OZG niet als publiekrechtelijke instelling kan worden beschouwd, dient in dit geval OZG als 100%-dochtermaatschappij van UMCG met UMCG te worden vereenzelvigd, voor zover het betreft de toepassing van de aanbestedingsregels. Zou daarover anders worden gedacht, dan zou een aanbestedende dienst zich eenvoudig aan de aanbestedingsregels kunnen onttrekken door bepaalde activiteiten in een aparte rechtspersoon onder te brengen (vgl. Hof Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3169). En zoals door Chipsoft onbetwist is naar voren gebracht, heeft UMCG deze mogelijkheid ook daadwerkelijk onderzocht door te proberen een stichting of een coöperatie op te richten met het oog op de gewenste samenwerking.\n\n4.5.. Voor zover in het navolgende wordt gesproken over UMCG c.s. is daarmee het UMCG en het OZG bedoeld.\n\nGeen rechtsverwerking op grond van artikel 4.16 lid 1 Aw\n\n4.6.. \n\nUMCG c.s. heeft ter zake van de Vooraankondiging 1 als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat, nu ChipSoft niet binnen 20 dagen na publicatie van de vooraankondiging een kort geding aanhangig heeft gemaakt, zij op grond van artikel 4.16 lid 1 Aw haar rechten heeft verwerkt op te komen tegen het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de bestaande overeenkomst tussen UMCG en EPIC voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD), welke wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van EPIC .\n\nDe voorzieningenrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.7.. Artikel 4.16 lid 1 Aw vormt de implementatie van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665\u002FEEG (hierna: de Rechtsbeschermingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007\u002F66\u002FEG. In de Rechtsbeschermingsrichtlijn is onderscheid gemaakt tussen rechtsbescherming in de precontractuele fase en de postcontractuele fase.\n\n4.8.. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is niet duidelijk geworden of het bedoelde voornemen reeds heeft geresulteerd in een overeenkomst met EPIC .4.9.. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat, voor het geval de overeenkomst tot uitbreiding van de in 2015 met EPIC gesloten overeenkomst nog niet is gesloten en UMCG c.s. en EPIC zich derhalve nog in de precontractuele fase bevinden, geldt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter het volgende.\n\n4.10.. In artikel 4.15 lid 1, aanhef en sub a Aw is bepaald dat een als resultaat van een gunningsbeslissing gesloten overeenkomst in rechte vernietigbaar is op de grond dat de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf in strijd met deel 2 of deel 3 van de Aw, de overeenkomst gesloten heeft zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie.\n\n4.11.. Artikel 4.16 lid 1 Aw bepaalt dat artikel 4.15, eerste lid, aanhef en onder a Aw niet van toepassing is indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf:\n\na. van mening is dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen op grond van deze wet is toegestaan,\n\nb. de aankondiging van zijn voornemen om tot sluiting van de overeenkomst over te gaan door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft bekendgemaakt, en\n\nc. de overeenkomst niet heeft gesloten voor het verstrijken van een termijn van ten minste twintig kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum van de bekendmaking van bedoelde aankondiging.\n\n4.12.. Voor zover thans van belang is in artikel 4.17 lid 1, aanhef onder c Aw het volgende vermeld: de aankondiging, bedoeld in artikel 4.16 eerste lid, onder b bevat tenminste de volgende gegevens: (c) een rechtvaardiging van de beslissing om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie.\n\n4.13.. Op grond van artikel 4.16 lid 1 juncto 4.15 lid 1 Aw kan een onderneming die nalaat binnen de in artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw bedoelde termijn van 20 dagen in rechte op te komen tegen het aangekondigde voornemen van de aanbestedende dienst om tot sluiting van een overeenkomst over te gaan zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht, als die overeenkomst na het verstrijken van die termijn wordt gesloten, onder bepaalde voorwaarden geen vernietiging meer vorderen van die overeenkomst. Die sanctie ziet echter op de postcontractuele fase, de fase na sluiting van de overeenkomst. Artikel 4.16 lid 1 Aw staat er niet aan in de weg dat de hiervoor bedoelde onderneming na de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw maar vóór het sluiten van de overeenkomst het voornemen tot het sluiten van die overeenkomst in rechte laat toetsen. Het ongebruikt laten verstrijken van de 20-dagen-termijn brengt voor haar enkel het risico mee dat de aanbestedende dienst overgaat tot sluiting van de overeenkomst zonder de uitkomst van de procedure af te wachten.\n\n4.14.. Dit oordeel strookt ook met de beweegredenen achter artikel 2 quinquies, lid 4, van de Rechtsbeschermingsrichtlijn (en artikel 4.16 lid 1 Aw). Uit de onderdelen 13, 14 en 26 van de considerans van Richtlijn 2007\u002F66\u002FEG blijkt dat de Uniewetgever met deze uitzonderingsbepaling een evenwicht heeft trachten te vinden tussen de verschillende belangen die aan de orde zijn, te weten die van de onderneming die schade heeft geleden enerzijds – waaraan tegemoet kan worden gekomen met de mogelijkheid om een kort geding vóór het sluiten van de overeenkomst in te stellen en de nietigverklaring van de onrechtmatig gesloten overeenkomst – en die van de aanbestedende dienst en de onderneming die de opdracht heeft gekregen anderzijds, die niet in de situatie van rechtsonzekerheid mogen verzeilen die zou kunnen ontstaan door de vernietiging van de overeenkomst (zie pt 44 van het arrest van het HvJ EU van 11 september 2014; Fastweb II, ECLI:EU:C:2014:2194). Laatstvermeld belang wordt niet geschonden als een onderneming na de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw maar vóór het sluiten van de overeenkomst in actie komt en gebruik maakt van voormelde mogelijkheid om het voornemen van de aanbestedende dienst om die overeenkomst te sluiten in kort geding te laten toetsen.\n\n4.15.. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de overeenkomst ter zake van de Vooraankondiging 1 reeds is gesloten en UMCG c.s. en EPIC zich derhalve in de postcontractuele fase bevinden, gelden de hiervoor aangehaalde artikelen 4.15, 4.16 en 4.17 Aw eveneens.\n\n4.16.. Voor zowel de precontractuele fase als de postcontractuele fase geldt het volgende.\n\n4.17.. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat ChipSoft geen vernietiging van de overeenkomst heeft gevorderd, maar dat toewijzing van haar vordering wel mee zou brengen dat wordt ingegrepen in die overeenkomst en in de reeds gegunde opdracht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit gelijk is te stellen met vernietiging van die overeenkomst en dat het toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van de vraag of het recht om vernietiging van een na gunning gesloten overeenkomst te vorderen, is verwerkt, analoog dient te worden toegepast.\n\n4.18.. Dit toetsingskader is neergelegd in artikel 4.16 lid 1 Aw (die de implementatie vormt van artikel 2 quinquies, lid 4, van de Rechtsbeschermingsrichtlijn) en de jurisprudentie van het HvJ EU daarover. De vraag of een belanghebbende die de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw ongebruikt heeft laten verstrijken op grond van artikel 4.15 lid 1, aanhef en sub a Aw nog vernietiging kan vorderen van de na het verstrijken van die termijn door de aanbestedende dienst onderhands gesloten overeenkomst heeft het HvJ EU in voormeld arrest van 11 september 2014 (Fastweb II) positief beantwoord. Het HvJ EU heeft in dat arrest - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:\n\n45 Gelet op het bovenstaande moet worden vastgesteld dat het in strijd zou zijn met zowel de bewoordingen als het doel van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665 indien de nationale rechters de overeenkomst onverbindend zouden mogen verklaren wanneer is voldaan aan de drie voorwaarden van deze bepaling.\n\n46 Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89\u002F665, met name de totstandbrenging van doeltreffende rechtsmiddelen tegen besluiten van de aanbestedende diensten die in strijd zijn met het recht inzake overheidsopdrachten, moet de instantie die kennisneemt van het beroep evenwel een daadwerkelijk toezicht uitoefenen wanneer zij controleert of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665.\n\n47 De voorwaarde van artikel 2 quinquies, lid 4, eerste streepje, houdt meer bepaald in dat de aanbestedende dienst van mening is dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie op grond van richtlijn 2004\u002F18 is toegestaan. Voorts stelt artikel 2 quinquies, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 89\u002F665 als voorwaarde dat de aanbestedende dienst de in artikel 3 bis bedoelde aankondiging van zijn voornemen om tot sluiting van de overeenkomst over te gaan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaakt. Volgens artikel 3 bis, sub c, moet de aankondiging een rechtvaardiging bevatten van de beslissing van de aanbestedende dienst om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.\n\n48 Deze rechtvaardiging moet duidelijk en ondubbelzinnig de redenen tot uitdrukking brengen waarom de aanbestedende dienst van mening is dat hij de opdracht kon gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht, zodat de belanghebbenden met volledige kennis van zaken kunnen bepalen of zij het nuttig achten om de zaak aanhangig te maken bij de beroepsinstantie, en deze laatste een daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen.\n\n49 Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, heeft de aanbestedende dienst in het hoofdgeding de procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht gevolgd en zich daarbij gebaseerd op artikel 31, lid 1, sub b, van richtlijn 2004\u002F18. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de procedure van gunning door onderhandelingen slechts kan worden toegepast in de omstandigheden die limitatief zijn opgesomd in de artikelen 30 en 31 van richtlijn 2004\u002F18, en dat deze procedure uitzonderlijk is in vergelijking met open en beperkte procedures (arrest Commissie\u002FBelgië, C292\u002F07, EU:C:2009:246, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).\n\n50 In het kader van haar toezicht dient de beroepsinstantie te beoordelen of de aanbestedende dienst zorgvuldig handelde en van mening kon zijn dat daadwerkelijk aan de voorwaarden van artikel 31, lid 1, sub b, van richtlijn 2004\u002F18 was voldaan, toen zij het besluit nam om de opdracht toe te wijzen via een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.\n\n51 Daarbij moet deze instantie onder meer rekening houden met de omstandigheden en de redenen die zijn vermeld in de in artikel 2 quinquies, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 89\u002F665 bedoelde aankondiging en die de aanbestedende dienst ertoe hebben gebracht de in artikel 31 van richtlijn 2004\u002F18 bedoelde procedure van gunning door onderhandelingen te volgen.\n\n52 Indien de beroepsinstantie na de controle vaststelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665, moet zij de overeenkomst onverbindend verklaren overeenkomstig de in lid 1, sub a, van dat artikel bedoelde regel. Krachtens artikel 2 quinquies, lid 2, van richtlijn 89\u002F665 stelt zij de gevolgen van de onverbindendverklaring vast overeenkomstig het nationale recht.\n\n53 Indien deze instantie daarentegen vaststelt dat aan deze voorwaarden is voldaan, moet zij de gevolgen van de overeenkomst handhaven op grond van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665.\n\n4.19.. \n\nUit deze overwegingen volgt dat een belanghebbende die ná het verstrijken van de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 sub c, Aw in rechte opkomt tegen een overeenkomst die zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie door een aanbestedende dienst is gegund, zijn recht om vernietiging van die overeenkomst te vorderen niet heeft verwerkt, wanneer naar het oordeel van de rechter niet aan de voorwaarden van artikel 4.16 lid 1 Aw is voldaan (pt 52). Bij die beoordeling moet de rechter onder meer rekening houden met de omstandigheden en de redenen die door de aanbestedende dienst zijn vermeld in de in artikel 4.16 Aw bedoelde vooraankondiging en die de aanbestedende dienst ertoe hebben gebracht om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze redenen dienen volgens het HvJ EU duidelijk en ondubbelzinnig in de vooraankondiging tot uitdrukking te worden gebracht, zodat de belanghebbenden met volledige kennis van zaken kunnen bepalen of zij het nuttig achten om de zaak aanhangig te maken bij de beroepsinstantie, en deze laatste een daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen.\n\nDaaruit leidt de voorzieningenrechter af dat de door het HvJ EU vereiste toetsing moet worden verricht aan de hand van enkel de informatie in de vooraankondiging.\n\n4.20.. In de Vooraankondiging 1 heeft UMCG zich beroepen op de uitzondering neergelegd in artikel 4.16 Aw, met de onder rechtsoverweging 2.7 geciteerde vermelding.4.21.. \n\nDe voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat UMCG met de zojuist geciteerde toelichting niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht welke uitzonderingsgronden van toepassing zijn en op grond waarvan aan de daaraan te stellen eisen is voldaan. Zo is in die toelichting niet duidelijk en ondubbelzinnig vermeld op welke wijze het gezamenlijk EPD zal worden gerealiseerd. Weliswaar is in de oorspronkelijke uitvraag (in 2015) voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking en heeft ChipSoft daarmee in haar toenmalige inschrijving rekening gehouden, doch UMCG heeft niet – onderbouwd met objectieve, verifieerbare stukken – aannemelijk gemaakt wat in de oorspronkelijk uitvraag met die regionale samenwerking was bedoeld. Daarmee kan immers een veelheid van soorten samenwerking worden begrepen. UMCG heeft ter zitting naar voren gebracht dat het aansluiten van de twee andere ziekenhuizen (OZG en Treant) gebeurt door het verwerven van (sub)licenties “via UMCG” die worden “geoormerkt als zijnde van Treant”; naar de stelling van UMCG zou OZG als haar 100%-dochteronderneming van haar eigen licentie gebruik mogen maken. Uit de toelichting op de vooraankondiging 1 kan dat hoe dan ook niet worden afgeleid en evenmin is aannemelijk geworden dat deze vorm van samenwerking in de uitvraag van 2015 is bedoeld.\n\nOp basis van de Vooraankondiging 1 kan derhalve niet worden beoordeeld of UMCG op goede gronden van mening kon zijn dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen op grond van deze wet is toegestaan. Dit maakt, gelet op voormeld toetsingskader, dat UMCG niet aannemelijk heeft gemaakt dat ChipSoft haar recht heeft verwerkt om tegen de voorgenomen realisatie van een gezamenlijk EPD op te komen.\n\n4.22.. Gelet op het vorenoverwogene heeft UMCG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de in 4.16 Aw genoemde voorwaarden is voldaan. Dit maakt dat de gunning door UMCG van de in de Vooraankondiging 1 bedoelde opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht strijdig is met de Aw. De primair gevorderde ge- en verboden zijn dan ook toewijsbaar ter zake van de Vooraankondiging 1.4.23.. In de Vooraankondiging 2 heeft UMCG zich beroepen op de uitzondering neergelegd in artikel 2:32 lid 1, onderdeel b onder 2 Aw. Daarin is bepaald dat een aanbestedende dienst de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging kan toepassen indien de overheidsopdracht slechts door een bepaalde ondernemer kan worden verricht, omdat mededinging om technische redenen ontbreekt. Artikel 2.32 lid 3 Aw bepaalt dat het eerste lid onderdeel b, onder 2 uitsluitend van toepassing is indien er geen redelijk alternatief of substituut bestaat en het ontbreken van mededinging niet het gevolg is van een kunstmatige beperking van de voorwaarden van de aanbesteding.\n\n4.24.. In de Vooraankondiging 2 is het onder rechtsoverweging 2.8 geciteerde vermeld.\n\n4.25.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat UMCG met de zojuist aangehaalde toelichting niet aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan de desbetreffende opdracht slechts door Pragus kan worden verricht en geen redelijk alternatief beschikbaar is. De enkele mededeling dat de ervaringen van Pragus noodzakelijk zijn voor een succesvolle realisatie van de EPIC -connect en dat op dit moment er geen partijen in Nederland actief zijn met de benodigde ervaring, is daarvoor niet voldoende. Daarbij komt dat met de toelichting in de Vooraankondiging 2 de inhoud van de daarin genoemde opdracht niet duidelijk en ondubbelzinnig is omschreven. Daarmee is het voor de belanghebbenden en de voorzieningenrechter onmogelijk om te toetsen of de desbetreffende opdracht om technische redenen enkel door Pragus kan worden gedaan.\n\nOp basis van de Vooraankondiging 2 kan derhalve niet worden beoordeeld of UMCG van mening kon zijn dat daadwerkelijk aan de voorwaarden van artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 Aw was voldaan, toen zij het besluit nam om de opdracht toe te wijzen via een procedure van gunning zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.\n\n4.26.. \n\nGelet op het vorenoverwogene heeft UMCG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de in artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 j° artikel 4.16 Aw genoemde voorwaarden is voldaan. Dit maakt dat de gunning door UMCG van de in de Vooraankondiging 2 bedoelde opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht strijdig is met de Aw. De primair gevorderde ge- en verboden zijn dan ook toewijsbaar ter zake van de Vooraankondiging 2.\n\nEr is sprake van een wezenlijke wijziging\n\n4.27.. Voor het overige is in geschil of door de in de Vooraankondigingen genoemde opdrachten sprake is van een wezenlijke wijziging van de in 2015 aan EPIC gegunde opdracht.\n\n4.27.1.. Het aanbestedingsrechtelijke leerstuk van de ‘wezenlijke wijziging’ is ontwikkeld in rechtspraak van het HvJ EU (onder meer het Pressetext-arrest van 19 juni 2008; ECLI:EU:C:2008:351) en daarna uitgewerkt in Europese richtlijnen (onder meer Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU). Het doel van dit leerstuk is te voorkomen dat de concurrentieverhoudingen achteraf, want na de aanbesteding, worden vervalst doordat van de aanbestedingsvoorwaarden wordt afgeweken op zodanige wijze dat, indien die wijzigingen waren toegepast ten tijde van de aanbesteding, dit ertoe had kunnen leiden dat er meer of andere gegadigden zouden zijn geweest en mogelijk andere biedingen zouden zijn gedaan.4.27.2.. Hoofdstuk 2.5 Aw (de artikelen 2.163a tot en met 2.163g) over de wijziging van overheidsopdrachten is in 2016 in de Aw opgenomen ter implementatie van artikel 72 van Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU. Uitgangspunt is dat de toepasselijke aanbestedingsrichtlijn die Richtlijn is, die van kracht is wanneer de aanbestedende dienst de keuze maakt of er een aanbestedingsverplichting bestaat en zo ja, welke procedure gevolgd gaat worden (HvJ EU 10 juli 2014, C-213\u002F13, (Impressa Pizzarotti), pt 31 en HvJ EU 15 oktober 2009, C-138\u002F08, (Hochtief), ptn 24-30). Toegepast op het leerstuk van de wezenlijke wijziging, zou dit meebrengen dat hoofdstuk 2.5 Aw op veel contracten, zoals de onderhavige die is tot stand gekomen in 2015 niet van toepassing zou zijn. De voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat niet het moment van aanbesteden doorslaggevend is, maar het moment van wijziging. Wezenlijke wijzigingen vormen immers in feite plaatsing van een nieuwe opdracht als bedoeld in het Pressetext-arrest. Toepassing van de nieuwe Richtlijn kan dan gerechtvaardigd zijn (HvJ EU 11 juli 2013, C-576\u002F10 (Doornakkers), ptn 52-54).\n\n4.27.3.. \n\nHoofdstuk 2.5 Aw regelt in welke situaties een wijziging van een overheidsopdracht kan leiden tot de verplichting om de gewijzigde opdracht (opnieuw) aan te besteden. Het leerstuk kan zowel betrekking hebben op een situatie die zich tijdens een lopende aanbestedingsprocedure voordoet als op een situatie nadat de overeenkomst met de winnende inschrijver is gesloten.\n\nAls sprake is van een wijziging waarop de uitzonderingen van hoofdstuk 2.5 Aw niet van toepassing zijn, leidt dat tot de verplichting van een aanbestedende dienst om de (gewijzigde) opdracht aan te besteden. Dat volgt uit het systeem van de Aw, meer in het bijzonder de artikelen 2.163a tot 2.163g lid 1 Aw, gelezen in het licht van artikel 72, lid 5 van de Richtlijn en het arrest Pressetext van het HvJ EU.\n\n4.27.4.. \n\nIn het Pressetext-arrest is ter zake van de wezenlijke wijziging het volgende vermeld.\n\n(35) De wijziging van een nog lopende overeenkomst inzake een overheidsopdracht kan worden aangemerkt als wezenlijk wanneer zij voorwaarden invoert die, wanneer zij in de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure waren genoemd, zouden hebben geleid tot toelating van andere inschrijvers dan die welke oorspronkelijk waren toegelaten, of tot de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen.\n\n(36) Een wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst kan eveneens als wezenlijk worden aangemerkt wanneer zij de markt in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen. Deze laatste uitlegging vindt bevestiging in art. 11, lid 3, sub e en f, van Richtlijn 92\u002F50, dat voor overheidsopdrachten voor dienstverlening die volledig of grotendeels betrekking hebben op de in bijlage IA bij deze richtlijn vermelde diensten, beperkingen stelt aan de mogelijkheid voor de aanbestedende diensten om gebruik te maken van de onderhandelingsprocedure voor het plaatsen van diensten die een aanvulling vormen op de diensten waarop een oorspronkelijke overeenkomst betrekking had.\n\n(37) Een wijziging kan ook als wezenlijk worden aangemerkt wanneer zij het economische evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld.\n\n4.27.5.. \n\nIngevolge artikel 2.163a Aw kan een wijziging van een overheidsopdracht tijdens de looptijd ervan uitsluitend zonder nieuwe aanbestedingsprocedure als bedoeld in deel 2 van deze wet plaatsvinden in de in dit hoofdstuk (2.5) bedoelde gevallen. Deze zijn genoemd in de artikelen 2.163b tot en met 2.163g Aw.\n\nDe uitzonderingen genoemd in artikel 2.163b tot en met 2.163f doen zich in casu niet voor. Daarover zijn partijen het eens. Partijen verschillen van mening over de vraag of de uitzondering van artikel 2.163g Aw van toepassing is. Daarbij gaat het om de vraag of er sprake is van een niet-wezenlijke wijziging. Alleen als daarvan sprake is, kan die wijziging zonder nieuwe aanbestedingsprocedure worden doorgevoerd.\n\nIn artikel 2.163g lid 2 Aw is onder a tot en met d (niet-limitatief) opgesomd wanneer in ieder geval sprake is van een wezenlijke wijziging.\n\nDe aanbestedende dienst moet stellen en bij voldoende tegenspraak bewijzen dat sprake is van omstandigheden die een beroep op de uitzonderingsbepalingen van de artikelen 2.163b tot en met 2.163g Aw mogelijk maken. In dit geval dient UMCG dan ook te bewijzen (in dit kort geding ten minste aannemelijk maken) dat sprake is van een niet-wezenlijke wijziging. UMCG heeft in dit verband naar voren gebracht dat de aanbestedingsprocedure in 2015 al voorzag in een uitrol naar andere ziekenhuizen in het kader van regionale samenwerking. Daarbij heeft UMCG gewezen op de in het Programma van Eisen vermelde wensen onder 73 – 77.\n\n4.27.6.. \n\nZoals hiervoor reeds is overwogen is in de oorspronkelijke uitvraag (in 2015) weliswaar voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking en heeft ChipSoft daarmee in haar toenmalige inschrijving rekening gehouden, doch UMCG heeft niet – onderbouwd met objectieve, verifieerbare stukken – aannemelijk gemaakt wat in de oorspronkelijk uitvraag met die regionale samenwerking was bedoeld. Daarmee kan immers een veelheid van soorten samenwerking worden begrepen.\n\nNaar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft UMCG daarmee evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van een niet-wezenlijke wijziging.\n\nVerder is gesteld noch gebleken dat sprake is van (een) andere uitzonderingsgrond(en).\n\n4.27.7.. \n\nVaststaat dat bij de oorspronkelijk in 2015 gegunde opdracht ten behoeve van één ziekenhuis nu twee andere ziekenhuizen zullen worden betrokken (en volgens UMCG ook de mogelijkheid bestaat dat in de toekomst meer andere ziekenhuizen daarbij worden aangesloten). Daarmee is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de wijziging die in de Vooraankondiging 1 is vermeld\n\n(-) de markt in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen, danwel\n\n(-) leidt tot een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de overheidsopdracht.4.27.8.. Het vorenoverwogene brengt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter mee dat de in 2015 gegunde opdracht tijdens de looptijd daarvan wezenlijk is gewijzigd, waardoor ter zake een nieuwe aanbestedingsprocedure door het UMCG zal moeten worden gevolgd.\n\n4.27.9.. Ook op dit punt heeft UMCG derhalve gehandeld in strijd met de Aw.\n\n4.28.. Het argument met betrekking tot de staatssteun behoeft verder geen bespreking, gelet op de toewijzing op grond van de aanbestedingsregels. Overigens heeft ChipSoft onvoldoende – met objectieve en verifieerbare stukken – onderbouwd welk belang zij heeft met haar stellingen dienaangaande in het licht van de ingestelde vorderingen.\n\nDwangsom\n\n4.29.. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als verwoord onder de beslissing.\n\nInhoudelijk ter zake van de vorderingen onder A en B\n\n4.30.. In het kader van de behandeling van de onderhavige voorlopige voorzieningen ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding een bevel op grond van artikel 22 Rv te geven.\n\n4.31.. Evenmin acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aan de zijde van ChipSoft aanwezig om in het kader van de behandeling van de voorliggende vorderingen de vorderingen op grond van de artikelen 194 en 195 Rv tot afgifte tot danwel inzage in de gevraagde gegevens toe te wijzen. Hierbij speelt een rol dat onweersproken is dat dezelfde vorderingen door ChipSoft zijn ingesteld in de inmiddels aanhangig gemaakte bodemprocedure alsmede door middel van het door ChipSoft ingediende WOO-verzoek.\n\n4.32.. \n\nDe vorderingen onder A en B worden dan ook afgewezen.\n\nDe proceskosten4.33.. Weliswaar zijn Treant Zorggroep en Treant Ziekenhuiszorg, gelet op het vorenoverwogene, ten onrechte in rechte betrokken, maar onvoldoende aannemelijk is geworden dat zijzelf proceskosten hebben gemaakt, nu de desbetreffende advocaten voor alle gedaagden zijn opgetreden. UMCG en OZG zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ChipSoft worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,80\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.107,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.150,80\n\n4.34.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.35.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt UMCG en OZG uitvoering te geven aan Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2;\n\n5.2.. gebiedt UMCG de Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis in te trekken en deze ingetrokken te houden;\n\n5.3.. gebiedt UMCG en OZG om, indien en voor zover zij de opdrachten als beschreven in Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 alsnog wensen te vergeven, hiervoor een Europese aanbestedingsprocedure uit te schrijven die openstaat voor mededinging conform het bepaalde in de Aanbestedingswet;\n\n5.4.. veroordeelt UMCG en OZG hoofdelijk om aan ChipSoft een dwangsom te betalen van € 100.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1., 5.2. of 5.3. voldoen, tot een maximum van € 2.000.000,00 is bereikt;\n\n5.5.. veroordeelt UMCG en OZG hoofdelijk in de proceskosten van € 2.150,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als UMCG c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.6.. veroordeelt UMCG en OZG hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Haisma op 6 februari 2026.\n\njs (319)","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:320","ecli-nl-rbnne-2026-320",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]