Skip to main content

ECLI:NL:RBOVE:2026:3767

Tribunal

Almelo

Date

22 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht

Décision / Solution

Uitspraak

Almelo

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer / rekestnummer: C/08/346399 / HA RK 26-41

Beschikking van 22 juni 2026

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. A.A.M. de Ruiter-Oude Ophuis, te Almelo,

tegen

1. [verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats 2] , 2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats 2] , 3. [verweerder 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerders, hierna ook wel te noemen: [verweerders] .

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met producties,

  • het verweerschrift.

1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 20 mei 2026 door middel van een

hybride zitting waarbij [verzoeker] via een online verbinding is verschenen, bijgestaan door zijn

gemachtigde die fysiek is verschenen. Daarnaast zijn fysiek verschenen [verweerder 1] en [verweerder 2] .

1.3. De beschikking (na een kort uitstel) is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1. Op [sterfdatum] is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) te [woonplaats 2] overleden. [verweerders] zijn broers van erflaatster.

2.2. Erflaatster heeft bij testament van 23 mei 2018 een geldbedrag van € 40.000,00 gelegateerd aan haar twee neven [verzoeker] en [naam] , zonen van [verweerder 1] . [verzoeker] en [naam] zijn inmiddels meerderjarig.

In het testament is onder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” onder “1. Legaat” opgenomen:

“Ik legateer, zonder bijberekening van rente en opeisbaar één jaar na mijn overlijden, een bedrag in geld ter grootte van veertigduizend euro (€ 40.000,00) aan [naam] en [verzoeker] , kinderen van mijn broer [verweerder 1] , ieder voor het deel als door de hierna

genoemde bewindvoerders te bepalen.

Dit legaat wordt hierna ook ‘het fonds genoemd.”

En onder “2. Fonds”:

“Het fonds is bestemd om de hiervoor genoemde neven [naam] en [verzoeker] de gelegenheid

te geven een studie te beginnen en te voorzien in de betaling van een deel van hun studiekosten.”

2.3. Over dit legaat is testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:153 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld.

Onder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” staat onder “3. Bewind” opgenomen:

“Ik stel een bewind in over dat wat door mij aan ieder van de hiervoor onder 1. genoemde legatarissen is nagelaten of vermaakt. Het is een bewind in de zin van artikel 4:153 Burgerlijk Wetboek. Dit bewind stel ik in het belang van de rechthebbende.”

2.4. Onder “3. Bewind” staat onder “b. Benoeming bewindvoerder”:

“Ik benoem mijn broers [verweerder 2] , [verweerder 1] en [verweerder 3] , tot bewindvoerders.

Als een van hen zijn benoeming niet aanvaardt of zijn hoedanigheid van bewindvoerder

eindigt, benoem ik in zijn plaats, mijn zus [zus] , tot (mede)bewindvoerder.”

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Het verzoek van [verzoeker] strekt, kort samengevat, primair tot opheffing van het testamentair bewind en subsidiair tot ontslag van de bewindvoerders.

3.2. Daarnaast vordert [verzoeker] in zijn primaire verzoek om verweerders te veroordelen om binnen twee weken na afgifte van de beschikking conform artikel 4:160 BW een boedelbeschrijving op te maken over de periode van [sterfdatum] tot heden, en overeenkomstig 4:161 BW rekening en verantwoording af te leggen aan verzoeker over de periode van [sterfdatum] tot het moment dat het bewind wordt opgeheven, onder overlegging van de volledige administratie en alle bankafschriften. En tevens te bepalen dat het onder bewind gestelde vermogen aan verzoeker wordt uitgekeerd.

3.3. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] , kort samengevat, ten grondslag dat hij inmiddels meerderjarig is, zelfstandig woont en een universitaire studie volgt, en er geen reëel risico is dat hij het geld aan andere doelen dan aan zijn studie zal besteden. [verzoeker] is goed in staat om zelfstandig en op verantwoorde wijze over het gelegateerde bedrag te beschikken. Er is nu hij meerderjarig is geen behoefte meer begeleiding of bescherming, aldus [verzoeker] . Hij wil vrij over het gelegateerde bedrag kunnen beschikken.

3.4. [verzoeker] merkt verder op dat verweerders hebben nagelaten inzage te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen. Hij vindt dat de relatie met zijn vader wordt belast door het ingestelde bewind.

3.5. Verweerders menen dat een uitkering ineens van het gehele bedrag niet in het belang is van [verzoeker] . Denkbaar is dan volgens verweerders dat het geld (deels) aan andere doeleinden wordt besteed. Zij benadrukken dat het de wens van erflaatster was dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden. Dat [verzoeker] inmiddels meerderjarig is, is nog geen reden om het bewind op te heffen. Dit volgt ook niet uit de tekst van de notariële akte (testament van 23 mei 2018), aldus verweerders.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW is de rechtbank bevoegd te beslissen op het primaire verzoek tot opheffing van een testamentair bewind. Op grond van artikel 4:164 BW is de kantonrechter bevoegd om te beslissen op het subsidiaire verzoek tot ontslag van een bewindvoerder.

4.2. Het verzoek is ingediend bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij in deze procedure graag een eindbeslissing willen. Zij hebben ingestemd met het voorstel van de rechter dat hij in deze procedure het primaire verzoek behandelt als rechter van de rechtbank en dat hij, als hij daaraan toekomt, over het subsidiaire verzoek beslist als kantonrechter.

Inhoudelijke beoordeling

4.3. De rechtbank zal het testamentaire bewind niet opheffen. Er is weliswaar geen reden eraan te twijfelen dat [verzoeker] goed in staat is zelf op een verstandige manier met het geld om te gaan, maar hier staat de wens van erflaatster tegenover. In het testament staat duidelijk de wens van erflaatster beschreven, te weten dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden voor haar beide neven [verzoeker] en [naam] . Zij had kunnen bepalen dat in bepaalde omstandigheden het volledige bedrag uitgekeerd zou moeten worden of dat dan (bijvoorbeeld bij het bereiken van de meerderjarigheid) het bewind zou eindigen, maar dat heeft zij niet gedaan. Bovendien heeft zij niet bepaald dat beide broers [verzoeker] en [naam] uiteindelijk ieder de helft van het legaat van € 40.000 moeten krijgen, maar de verdeling van het geld overgelaten aan de bewindvoerders. Daaruit blijkt dat zij de besteding van het geld aan het door haar gekozen doel belangrijker vond dan de gelijke verdeling van het geld tussen [verzoeker] en [naam] . De wil van erflaatster maakt het dus scherp gesteld mogelijk dat de ene broer het volledige bedrag ontvangt, omdat hij een studie begint en studiekosten maakt, terwijl de andere broer, die nooit studiekosten maakt, niets krijgt. Zo bezien strekt het bewind er dan mede toe dat onenigheid tussen [verzoeker] en [naam] over de verdeling van het legaat wordt voorkomen, omdat niet zijzelf, maar de bewindvoerders over de verdeling beslissen.

4.4. Al met al moet hier de duidelijke wil van erflaatster prevaleren boven de invoelbare wens van [verzoeker] . De rechtbank wijst daarom het verzoek tot opheffing van het bewind af.

4.5. De rechtbank zal ook het verzoek van [verzoeker] zoals hiervoor onder 3.2. vermeld afwijzen. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat bewindvoerders geen informatie zullen verstrekken en/of rekening en verantwoording zullen afleggen, als bedoeld in artikel 4:160 BW (beschrijving) en artikel 4:161 BW (rekening en verantwoording). Zij hebben inmiddels een overzicht verstrekt aan de gemachtigde van [verzoeker] en ook hebben zij tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven over de bedragen die op de bank staan, de bedragen die zijn overgemaakt, de bankrekeningen en de wijze van overmaken. Ook heeft [verzoeker] de bedragen op het overzicht niet betwist.

4.6. De kantonrechter ziet wel reden om het subsidiaire verzoek deels toe te wijzen door [verweerder 1] te ontslaan als bewindvoerder.

4.7. Het subsidiaire verzoek tot ontslag van de bewindvoerders heeft [verzoeker] in de eerste plaats gebaseerd op gebrek aan transparantie over de financiële stand van zaken en aan het ontbreken van adequate rekening en verantwoording. Maar tijdens de mondelinge behandeling hebben de bewindvoerders meer inzicht in de stand van zaken verschaft en hebben zij gezegd te begrijpen dat [verzoeker] en [naam] behoefte hebben aan een heldere en gestructureerde periodieke rekening en verantwoording.

Ook de kantonrechter begrijpt deze behoefte. Hij roept de bewindvoerders daarom op daaraan tegemoet te komen en hij vertrouwt erop dat zij dat zullen doen. Dat zo zijnde is er geen reden om de bewindvoerders te ontslaan vanwege in ernstige mate tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen.

4.8. Ook voor bewindvoerder [verweerder 1] geldt dat hij zijn taak als bewindvoerder naar eer en geweten uitvoert overeenkomstig de wens van zijn overleden zus. Maar zijn rol is anders omdat hij naast bewindvoerder ook de vader van [verzoeker] en [naam] is. Deze dubbelrol leidt tot spanningen. Zo heeft [verzoeker] bij verzoekschrift gesuggereerd dat [verweerder 1] het legaat gebruikt om zijn financiële verplichtingen als vader te ontlopen. Deze suggestie heeft [verweerder 1] tijdens de zitting met kracht van argumenten ontzenuwd, maar dat het zo gegaan is, illustreert dat de rollen van [verzoeker] als legataris en van [verweerder 1] als bewindvoerder schade opleveren in hun verhouding als zoon en vader. De kantonrechter acht het voor beiden beter dat een einde wordt gemaakt aan het risico van rolonduidelijkheid en rolvermenging. Dan hoeft [verzoeker] niet langer te denken dat zijn vader een middel heeft om zijn financiële verantwoordelijkheid te ontlopen en hoeft [verweerder 1] geen uitlatingen meer te doen die [verzoeker] op kan vatten als blijken van gebrek aan vertrouwen in zijn zelfstandigheid. Beiden kunnen zich dan ongehinderd door ballast wijden aan de rollen van vader en zoon.

De kantonrechter acht een en ander een gewichtige reden die tot ontslag van [verweerder 1] als bewindvoerder moet leiden.

4.9. Nu de hoedanigheid van [verweerder 1] als bewindvoerder met het ontslag eindigt, wordt op grond van het testament in zijn plaats [zus] , zus van [verweerders] en tante van [verzoeker] en [naam] , tot medebewindvoerder benoemd. De kantonrechter hoeft haar dus niet in die hoedanigheid te benoemen.

Proceskosten

4.10. Gelet op de uitkomst van de zaak en de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke verhouding tot elkaar staan, bestaat aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1. De rechtbank wijst het primaire verzoek om het testamentair bewind op te heffen af.

5.2. De kantonrechter ontslaat [verweerder 1] als bewindvoerder.

5.3. De rechtbank en de kantonrechter compenseren de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt en wijzen af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, (kanton)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.

Plus de Décisions