ECLI:NL:RBOVE:2026:3797
Résumé de l'Affaire
Civiel recht
Uitspraak
Almelo
RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12055948 \ CV EXPL 26-41
Vonnis van 23 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TINQ NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Harderwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: TinQ,
gemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Teeuwsen.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties, - de conclusie van antwoord met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
het bericht van 1 mei 2026 met aanvullende producties van TinQ, - de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de beëindiging van de huurovereenkomst van een onbemand tankstation. TinQ stelt dat in juni 2019 de huurovereenkomst is doorgelopen voor een nieuwe 5-jaarsperiode. Volgens TinQ heeft [gedaagde] de huurovereenkomst op onrechtmatige wijze beëindigd en zij vordert in deze procedure een schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet op onrechtmatige wijze is beëindigd en wijst de vorderingen van TinQ af.
3. De feiten
3.1. Tussen [gedaagde] als verhuurder en TinQ als huurder is een huurovereenkomst voor een verkooppunt van motorbrandstoffen gesloten op 14 juni 2009 (hierna: de huurovereenkomst). In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
(..) Artikel 3 Huurtermijn
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 5 + 5 optiejaren, ingaande op de dag waarop de verkoop van TinQ-motorbrandstoffen in het verbouwde en heringerichte verkooppunt een aanvang zal hebben genomen, doch niet later dan 1 juli 2009. Indien huurder niet uiterlijk 12 maanden voor afloop van de huurperiode, per aangetekende brief, aan verhuurder heeft aangegeven dat hij van verlenging geen gebruik wilt maken, zal deze overeenkomst stilzwijgend worden verlengd met een zelfde periode en zo vervolgens van periode tot periode tegen de alsdan geldende marktconforme condities.(..)
3.2. [gedaagde] heeft op 20 september 2016 een brief gestuurd aan TinQ waarin hij heeft aangekondigd dat de bedrijfsbestemming van het gehuurde perceel gewijzigd zou worden en aan TinQ de gelegenheid geboden om het gehele bedrijfsperceel te kopen.
3.3. Per brief van 27 december 2018 heeft [gedaagde] aan TinQ medegedeeld de huurovereenkomst op te zeggen per 31 december 2019, waarbij in onderling overleg de mogelijkheid voor verlenging van telkens twee jaar zou bestaan.
3.4. Op 26 juni 2019 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ gevraagd of zij gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop. Vervolgens heeft [gedaagde] per brief van 5 juli 2019 medegedeeld dat dit de verkoop van het gehele bedrijf inclusief de bedrijfswoning zou betreffen.
3.5. Op 20 augustus 2019 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan TinQ. Hierin staat, voor zover van belang:
(..)” Op 20-09-2016 hebben wij Tinq B.V. een schrijven gestuurd, waarin wij gevraagd hebben of Tinq gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop van ons perceel/bedrijf en het verzoek ons binnen 30 dagen te antwoorden.
Wij hebben hierop geen antwoord c.q. reactie van Tinq ontvangen.(..)
Dit is ook met de heer [naam 1] besproken tijdens zijn laatste bezoek aan ons, ca. 4 weken geleden, waarin hij heeft aangegeven, dat Tinq Nederland B.V. niet geïnteresseerd is in de aankoop van het totale bedrijf/perceel. Mede door deze uitspraak en het niet tijdig schriftelijk reageren binnen de op ons verzoek gestelde termijn, verklaren wij middels dit schrijven het voorkeursrecht van eerste koopa ls vervallen.
Verder is er een geïnteresseerde, die mogelijk verder wil met het autobedrijf en tankstation. Dit hangt ook samen met de huuropbrengst voor een 10-jarig kontract, ingaande 01 januari 2020. Dit is eveneens in het gesprek met de heer [naam 1] aan de orde geweest. Wij zouden hiervoor graag vrijblijvend een antwoord van u ontvangen.(..)
3.6. Per brief van 27 december 2019 heeft [gedaagde] aan TinQ een nieuwe huurovereenkomst toegestuurd, welke zou ingaan op 1 januari 2020 met een looptijd van twee jaar (dus tot en met31 december 2021).
3.7. Op 4 december 2020 heeft TinQ een brief van [gedaagde] ontvangen. Hierin staat voor zover van belang, het navolgende:
“Middels dit schrijven, welke wij u aangetekend toesturen, delen wij u mede dat de huurovereenkomst beëindigt wordt per 31-12-2021, conform huurovereenkomst, welke wij u op 27-12-2019 hebben toegestuurd. (..)
3.8. [gedaagde] heeft op 17 december 2021 een brief gestuurd aan TinQ. Hierin laat hij weten:
(..)Hiermede refereren wij aan ons schrijven d.d. 04 december 2020, waarin wij u nogmaals berichten, dat de huurovereenkomst voor het tankstation [adres] te [vestigingsplaats 2] per 31-12-2021 beëindigt wordt wegens verkoop van ons bedrijf conform de huurovereenkomst d.d. 01-01-2020, opgesteld door [bedrijf] , welke u aangetekend toegestuurd is.
Wij hebben dit ook in een persoonlijk gesprek met u doorgenomen.
Naar nu blijkt, laat een deel van de vergunningen, welke door de koper zijn aangevraagd bij de gemeente, langer op zich wachten dan verwacht.
Het tankstation zou hierdoor in ieder geval nog t/m eind juni 2022 operationeel kunnen zijn.
Indien u hiervan gebruik zou willen maken, verzoeken wij u ons dit binnen 10 dagen schriftelijk te laten weten. (..)
3.9. Op 24 mei 2022 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ laten weten dat er een mogelijkheid is om de verkoop van brandstoffen tot 1 november 2022 te continueren via TinQ te [vestigingsplaats 2] .
3.10. Op 3 juni 2022 heeft [gedaagde] wederom een brief aan TinQ gestuurd. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende:
(..)Naar aanleiding van onze brief van 24 mei 2022, mochten wij geen tegenbericht hierop van u ontvangen.
Wij gaan er derhalve van uit dat u akkoord gaat met de inhoud van de brief, betreffende het feit dat de verkoop van TinQ brandstoffen doorgang zal vinden t/m oktober 2022.
3.11. Per brief van 6 maart 2023 heeft [gedaagde] aan TinQ het volgende bericht:
(..)Thans zijn de benodigde vergunningen door de Gemeente [vestigingsplaats 1] afgegeven voor afbraak van het pand.
Dit houdt in dat wij het panden het grondstuk schoon moeten opleveren.
Zoals mondeling met u besproken op 20 december 2022 bij ons aan het bedrijf, heeft u ons gevraagd dit tijdig mede te delen, i.v.m. met het leeg halen van de brandstoftanks.
Dit moet plaats vinden einde week 26, zie bijlage.
Wij danken u voor de prettige samenwerking de afgelopen jaren.(..)
3.12. TinQ heeft niet schriftelijk gereageerd op de hierboven genoemde brieven van [gedaagde] .
3.13. Op 26 juli 2023 is [gedaagde] overgegaan tot afsluiting van de elektriciteit in het gehuurde. TinQ is met ingang van juni 2023 opgehouden met het betalen van huur.
3.14. Per brief van 21 augustus 2023 heeft TinQ [gedaagde] gesommeerd om de elektriciteitsvoorziening per direct te herstellen. Verder heeft TinQ medegedeeld dat de huurovereenkomst nog van kracht was en dat zij niet heeft ingestemd met een eerdere beëindigingc.q. opzegging. Ten slotte heeft TinQ [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door TinQ gestelde schade.
3.15. Op 11 december 2023 heeft [gedaagde] TinQ schriftelijk gewezen op het ledigen van de brandstoftanks en TinQ gewaarschuwd om de overige zaken waaraan TinQ belang hecht weg te halen in verband met de sloopwerkzaamheden.
4. Het geschil
4.1. TinQ vordert – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling van een bedrag van € 637.587,96;
II. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
4.2. TinQ legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst na 19 juni 2019 dan wel 30 juni 2019 met vijf jaar is verlengd. Zij stelt dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die zij lijdt als gevolg van de onregelmatige opzegging.
4.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van TinQ dan wel tot afwijzing van de vorderingen van TinQ, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van TinQ in de kosten van deze procedure.
4.4. [gedaagde] betwist dat sprake is van een onrechtmatige opzegging van de huur. In dat verband voert [gedaagde] aan dat TinQ door haar (feitelijke) gedragingen zelf heeft ingestemd met het einde van de huur.
4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Kwalificatie
5.1. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2026 het gehuurde niet kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW of artikel 7:290 BW. Dit betekent dat de huurder geen huurbescherming geniet en het eindigen van de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:228 BW.
Wat is er afgesproken?
5.2. Vervolgens is de vraag wat partijen hebben afgesproken. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in juni 2009 een schriftelijke huurovereenkomst hebben gesloten voor een periode van 5 jaar + 5 optiejaren. Verder is niet in geschil dat deze huurovereenkomst tenminste één keer (in 2014) stilzwijgend is verlengd. TinQ stelt dat in 2019 opnieuw sprake was van stilzwijgende verlenging, maar dit gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op.
5.3. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW), waarbij de wijze van aanbod en de aanvaarding vormvrij is. Een aanvaarding kan daarom ook in één of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 lid 1 BW). Een akkoord met een handtekening is dus niet noodzakelijk.
5.4. In deze zaak staat vast dat [gedaagde] al in 2016 aan TinQ heeft medegedeeld dat het bestemmingsplan van het gehuurde perceel (door de gemeente) gewijzigd zou worden en bij die gelegenheid is aan TinQ, in het kader van het geldende voorkeursrecht, het gehele bedrijfsperceel te koop aangeboden. Als verhuurder heeft [gedaagde] TinQ daarmee tijdig geïnformeerd over de voorgenomen wijziging, waarbij TinQ geen tegenbericht heeft gegeven. Uit niets blijkt dat TinQ heeft geprotesteerd. Ook in 2019 heeft [gedaagde] meerdere brieven gestuurd aan TinQ waaruit volgt dat TinQ en haar medewerker [naam 1] op de hoogte waren van de aanstaande veranderingen die tot beëindiging van het bedrijf zouden gaan leiden. In deze omstandigheden had TinQ tijdig haar standpunt kenbaar moeten maken en gemotiveerd moeten reageren op de mededeling van [gedaagde] , althans kenbaar moeten maken dat zij uitging van een huurovereenkomst tot 2024. Dit is niet gebeurd. De door TinQ middels productie 36 ingebrachte verklaring van de heer [naam 2] leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring volgt enkel dat [naam 2] eind 2022 [gedaagde] heeft bezocht en dat hij kennelijk niet heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst.
5.5. Verder is van belang dat [gedaagde] ook daarna in 2020, 2021, 2022 en 2023 brieven heeft gestuurd waarin hij TinQ heeft geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van zijn bedrijf, de vergunningen en de gevolgen voor het tankstation. Op geen enkel moment heeft TinQ geprotesteerd tegen deze gang van zaken. Ten slotte heeft [gedaagde] op 6 maart 2023 aan TinQ medegedeeld dat de vergunningen zijn afgegeven en dat het pand schoon moet worden opgeleverd. Verder refereert [gedaagde] in deze brief aan een gesprek met TinQ op 20 december 2022 waarin TinQ heeft gevraagd om dit tijdig mede te delen i.v.m. het leeg halen van de brandstoftanks. TinQ heeft deze gang van zaken onvoldoende gemotiveerd weersproken. TinQ is in juni 2023 ook opgehouden met het betalen van de huur. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat TinQ door deze gedragingen stilzwijgend heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst. Zonder nadere toelichting van TinQ valt dit niet te rijmen met het voor het eerst in haar brief van 21 augustus 2023 ingenomen standpunt dat de huuropzegging onrechtmatig is. De stelling van [gedaagde] is aannemelijk en komt overeen met de wijze waarop partijen vanaf 2016 zijn omgegaan met de situatie. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat partijen vanaf 2019 hun huurovereenkomst hebben voortgezet in de wetenschap dat deze op enig moment zou eindigen, hoewel geen concrete einddatum is vastgesteld. Dat er door [gedaagde] een concept huurovereenkomst is opgesteld met als einddatum 31 december 2021 maakt dit niet anders.
Conclusie
5.6. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van TinQ afgewezen.
Proceskosten
5.7. TinQ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
2.882,00
(2 punten × € 1.441,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.026,00
5.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
6.1. wijst de vorderingen van TinQ af,
6.2. veroordeelt TinQ in de proceskosten van € 3.026,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TinQ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3. veroordeelt TinQ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.