[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-5196":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-5196":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1096","ECLI:NL:RBROT:2026:5196","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12006603 VZ VERZ 25-7176\n\ndatum uitspraak: 23 april 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. T. van Liempd,\n\ntegen\n\nDen Hartogh Trucking B.V.,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. M. Westhoeve.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘Den Hartogh’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van Den Hartogh met voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen;\n\nde brief van Den Hartogh van 18 maart 2026, met één aanvullende bijlage;\n\nde brief van [verzoeker] van 20 maart 2026, met aanvullende bijlagen;\n\nde e-mail van [verzoeker] van 25 maart 2026, met één aanvullende bijlage;\n\nde spreekaantekeningen van [verzoeker] ;\n\nde spreekaantekeningen van Den Hartogh.\n\n1.2.. Op 26 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door mr. T. van Liempd en mr. V. Veenbrink. Namens Den Hartogh waren aanwezig de heer [naam 1] (transportmanager), de heer [naam 2] (HR Business Partner) en de heer [naam 3] (truckingmanager afdeling Rozenburg), bijgestaan door mr. M. Westhoeve en mr. T.J.H. de Jong.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern van de zaak?\n\n2.1.. \n [verzoeker] werkt sinds 1 maart 2022 bij Den Hartogh als internationaal chauffeur. Zijn salaris is op dit moment € 3.692,32 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. [verzoeker] heeft zich op 6 januari 2025 ziekgemeld. Hij stelt dat de arbeidsrelatie sindsdien door toedoen van Den Hartogh duurzaam en onherstelbaar is verstoord, omdat Den Hartogh een ingrijpende beleidswijziging rond de pauzestaffel heeft doorgevoerd en de bezwaren van [verzoeker] daartegen heeft geneerd. Daarnaast heeft Den Hartogh volgens [verzoeker] de adviezen van de bedrijfsartsen onvoldoende opgevolgd, herhaaldelijk en langdurig het loon van [verzoeker] opgeschort en die loonmaatregelen als drukmiddel gebruikt in onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en mediation. Volgens [verzoeker] heeft dat geleid tot forse psychische klachten, langdurige arbeidsongeschiktheid en een volledige vertrouwensbreuk. Daarom verzoekt [verzoeker] in deze procedure de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW te ontbinden en Den Hartogh te veroordelen een transitievergoeding, een billijke vergoeding, achterstallig loon, wettelijke verhoging en de wettelijke rente over deze bedragen aan hem te betalen en deugdelijke bruto\u002Fnetto specificaties te verstrekken.\n\n2.2.. Den Hartogh erkent dat er sprake is van een duurzaam en onherstelbare arbeidsrelatie en verzet zich niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Met de andere eisen van [verzoeker] is Den Hartogh het niet eens. Den Hartogh betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en vindt daarom dat zij geen billijke vergoeding hoeft te betalen. Den Hartogh voert ook aan dat [verzoeker] zijn verzoek ten aanzien van het achterstallige loon niet heeft gespecificeerd en onderbouwd. Voor het geval het ontbindingsverzoek van [verzoeker] toch wordt afgewezen of door [verzoeker] wordt ingetrokken, verzoekt Den Hartogh de kantonrechter de arbeidsovereenkomst alsnog te ontbinden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) dan wel een combinatie van omstandigheden (de i-grond).\n\nDe samenvatting van het oordeel van de kantonrechter\n\n2.3.. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Den Hartogh hoeft geen billijke vergoeding aan [verzoeker] te betalen. Wel moet Den Hartogh een transitievergoeding aan [verzoeker] betalen, maar alleen in het geval dat [verzoeker] gebruik maakt van de bevoegdheid om zijn ontbindingsverzoek in te trekken en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden naar aanleiding van het tegenverzoek van Den Hartogh. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nHet verzoek van [verzoeker]\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2026\n\n2.4.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:671c BW verzocht de tussen hem en Den Hartogh bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. In artikel 7:671c lid 1 BW is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat door toedoen van Den Hartogh de arbeidsverhouding ernstig en onherstelbaar verstoord is geraakt als gevolg waarvan er aan de kant van [verzoeker] sprake is van een volledige vertrouwensbreuk. Volgens [verzoeker] moet het handelen van Den Hartogh in dit verband bovendien als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt. Uit het standpunt van [verzoeker] volgt in elk geval dat er wat hem betreft geen enkel (behoorlijk) draagvlak meer is voor een verdere samenwerking tussen partijen. Daarmee ontbreekt al elk perspectief op een zinvolle continuering van de arbeidsovereenkomst, waarmee de noodzaak voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegeven is.\n\n2.6.. Los van de vraag of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde, erkent ook Den Hartogh dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en zij verzet zich daarom ook niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW. Dat betekent dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de hiervoor genoemde grond wordt toegewezen. Omdat bij een verzoek op grond van artikel 7:671c BW geen rekening hoeft te worden gehouden met de opzegtermijn, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 mei 2026.\n\nEr is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh\n\n2.7.. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van den Hartogh. Als dat namelijk het geval is, is Den Hartogh een transitievergoeding en een billijke vergoeding aan Van Oudheusden verschuldigd. De kantonrechter is echter van oordeel dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh. Dit wordt hierna verder uitgelegd.\n\n2.8.. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Werk en Zekerheidvolgt dat er van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever niet snel sprake is, maar dat het moet gaan om uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met goed werkgeverschap, bijvoorbeeld als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag, als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren. Met andere woorden, voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel en die wordt slechts in uitzonderingsgevallen overschreden.\n\n(i) beleidswijziging pauzestaffel\n\n2.9.. Volgens [verzoeker] is de verstoring van de arbeidsrelatie onder meer veroorzaakt door de wijze waarop Den Hartogh een ingrijpende wijziging van haar beleid in het kader van de pauzestaffel heeft doorgevoerd en door de bezwaren van [verzoeker] daartegen te negeren. Duidelijk is dat partijen van mening verschillen over de vraag of Den Hartogh, gelet op de inhoud van de toepasselijke CAO Beroepsgoederenvervoer 2024-2025 (hierna: ‘de cao’), de wijziging op correcte wijze heeft doorgevoerd. Den Hartogh heeft aangevoerd dat de wijziging per 1 januari 2025 feitelijk niet meer inhoudt dan dat Den Hartogh voortaan – anders dan in het verleden – de al in de cao vastgestelde staffel, die aan de hand van de duur van de diensttijd de pauzetijden voorschrijft, uniform binnen de onderneming zal gaan hanteren. Zij heeft ook aangevoerd dat zij die voorgenomen wijziging vooraf aan de ondernemingsraad heeft voorgelegd en tijdens een overleg op 26 november 2024 met de ondernemingsraad en de chauffeurs in Rozenburg heeft besproken. Dat laatste heeft [verzoeker] niet betwist.\n\n2.10.. Gebleken is dat, nadat de doorgevoerde beleidswijziging is geëvalueerd, de gehanteerde pauzestaffel per 1 maart 2025 is gewijzigd. Die wijziging komt er kort gezegd op neer dat, in afwijking van de pauzestaffel in de cao – waarin is opgenomen dat bij een diensttijd van meer dan 13,5 uur in elk geval 120 minuten pauze moet worden opgenomen –, voortaan pas bij een diensttijd van meer dan 15 uur een pauze van 120 minuten genomen moet worden. Voordat Den Hartogh de wijziging doorvoerde, heeft zij overleg gevoerd met de ondernemingsraad en de chauffeurs in Rozenburg; het is niet gebleken dat zij in dat opzicht onvoldoende zorgvuldig zou hebben gehandeld. Ter zitting heeft [verzoeker] aangevoerd dat met die wijziging van de pauzestaffel sprake is van een ongeoorloofde afwijking van de cao. De kantonrechter is echter van oordeel dat in het midden kan blijven of die laatstgenoemde wijziging al dan niet geoorloofd is. Zelfs als dat niet zo is, geldt dat het hier slechts gaat om een relatief geringe wijziging. Voor zover al aangenomen kan worden dat Den Hartogh op dit punt een verwijt kan worden gemaakt wordt in de gegeven omstandigheden in elk geval niet de hoge drempel gehaald om aan te kunnen nemen dat Den Hartogh ernstig verwijtbaar jegens [verzoeker] heeft gehandeld.\n\n2.11.. De kantonrechter volgt [verzoeker] ook niet in zijn stelling dat Den Hartogh zijn bezwaren tegen de beleidswijziging heeft genegeerd. Uit de overgelegde e-mails van Den Hartogh van 18 februari 2025 en 12 maart 2025 volgt namelijk dat Den Hartogh uitvoerig inhoudelijk op de bezwaren van [verzoeker] heeft gereageerd. Dat die reactie niet is waarop [verzoeker] had gehoopt en dat het bezwaar van [verzoeker] niet tot aanpassing van het beleid rond de pauzestaffel heeft geleid, maakt nog niet dat er sprake is van verwijtbaar handelen van Den Hartogh.\n\n(ii) opvolgen adviezen bedrijfsarts\n\n2.12.. \n [verzoeker] stelt verder dat Den Hartogh de adviezen van de bedrijfsarts niet heeft opgevolgd, nadat [verzoeker] ziek op 6 januari 2025 had ziekgemeld. Ook daarin volgt de kantonrechter [verzoeker] niet.\n\n2.13.. \n\nDe bedrijfsarts heeft op 5 februari 2025 aangegeven dat [verzoeker] tijdelijk nog niet belastbaar is door werkgebonden problematiek en heeft partijen geadviseerd, na een rustperiode van 10 tot 14 dagen, met elkaar in gesprek te gaan. Uit de daaropvolgende\n\ne-mailcorrespondentie leidt de kantonrechter af dat Den Hartogh zich heeft ingespannen dat advies van de bedrijfsarts op te volgen. In haar e-mail van 18 februari 2025 heeft Den Hartogh [verzoeker] immers uitgenodigd voor een gesprek. [verzoeker] heeft zich in reactie daarop in zijn e-mail van 19 februari 2025 echter op het standpunt gesteld dat, met name vanwege de afwijzing van zijn bezwaren tegen de beleidswijziging rond de pauzestaffel, verder overleg tussen partijen zinloos is en heeft aangedrongen op het inschakelen van een mediator om het probleem op te lossen. Ook heeft [verzoeker] in die e-mail te kennen gegeven bereid te zijn een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in overweging te nemen om zodoende op een nette manier uit elkaar te gaan.\n\n2.14.. Den Hartogh heeft het verzoek van [verzoeker] om een mediator in te schakelen afgewezen. Dat was in lijn met het advies van de bedrijfsarts van 5 februari 2025. De strekking van dat advies was immers dat partijen eerst onderling, dus zonder mediator, in gesprek zouden gaan. Dit advies heeft de bedrijfsarts op 5 maart 2025 herhaald, waarbij hij bovendien heeft bevestigd dat mediation op dat moment niet zinvol was. Ook op 26 maart 2025 heeft de bedrijfsarts partijen nogmaals geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan. Voldoende gebleken is dat Den Hartogh zich heeft ingespannen ook dat advies op te volgen. Zij heeft [verzoeker] namelijk uitgenodigd voor een gesprek op 3 april 2025. Het is [verzoeker] die daar vervolgens geen gehoor aan heeft gegeven.\n\n2.15.. Nadat [verzoeker] op 14 april 2025 door een andere bedrijfsarts is gezien, heeft deze bedrijfsarts alsnog geadviseerd mediation op te starten. Uit de e-mail aan [verzoeker] van 15 april 2025 volgt dat Den Hartogh direct twee onafhankelijke partijen heeft voorgedragen om als mediator te fungeren. Dat het vervolgens door de nodige discussies tussen partijen tot augustus 2025 heeft geduurd voordat mediation daadwerkelijk heeft plaatsgevonden – helaas zonder het beoogde resultaat –, doet er niet aan af dat Den Hartogh ook het advies van de bedrijfsarts van 14 april 2025 heeft opgevolgd.\n\n(iii) herhaalde loonopschortingen\n\n2.16.. \n [verzoeker] heeft daarnaast aangevoerd dat Den Hartogh herhaaldelijk en langdurig de loonbetaling van [verzoeker] heeft opgeschort en die loonmaatregelen als drukmiddel heeft gebruikt in onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en mediation.\n\n2.17.. Vast staat dat Den Hartogh tweemaal een loonopschorting heeft doorgevoerd. De eerste maal was met ingang van 3 april 2025, nadat [verzoeker] niet bij het gesprek op diezelfde dag is verschenen. Anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, heeft Den Hartogh [verzoeker] door middel van de brief van 28 maart 2025 wel vooraf gewaarschuwd dat, als [verzoeker] niet bij het gesprek zou verschijnen, de loonbetaling zou worden opgeschort vanwege het niet-meewerken aan re-integratieactiviteiten. Den Hartogh heeft een tweede loonopschorting doorgevoerd met ingang van 4 november 2025, omdat [verzoeker] op 30 oktober 2025 niet is verschenen bij de afspraak met de bedrijfsarts. Ook in dit geval heeft Den Hartogh vooraf gewaarschuwd dat, als [verzoeker] niet bij de bedrijfsarts zou verschijnen, dat gevolgen zou hebben voor de loonbetaling.\n\n2.18.. De kantonrechter is van oordeel dat Den Hartogh in beide gevallen voldoende reden had om tot het opleggen van een loonmaatregel over te gaan. Ten aanzien van de eerste loonopschorting per 3 april 2025 heeft [verzoeker] , zoals hiervoor bij r.o. 2.14 al is overwogen, geen gehoor gegeven aan het herhaalde advies van de bedrijfsarts om met Den Hartogh in gesprek te gaan, ook niet nadat hij daartoe meerdere keren uitdrukkelijk door Den Hartogh is uitgenodigd. Voor wat betreft de tweede loonopschorting per 4 november 2025 heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij om verplaatsing van de afspraak bij de bedrijfsarts van 30 oktober 2025 heeft gevraagd, omdat hij een vertrouwenspersoon mee wilde nemen naar de afspraak en deze op de genoemde datum verhinderd was. Het feit dat Den Hartogh vervolgens niet met verplaatsing van de afspraak akkoord is gegaan, betekent echter niet dat de opgelegde loonopschorting onterecht is. [verzoeker] was verplicht om zich te houden aan het redelijke voorschrift om bij de bedrijfsarts te verschijnen. Hij mocht niet als eis stellen dat dat gesprek alleen plaats zou kunnen vinden als de door hem uitgekozen vertrouwenspersoon op dat moment beschikbaar zou zijn.\n\n2.19.. Dat de bedrijfsarts vervolgens heeft medegedeeld alleen een één-op-één-gesprek met [verzoeker] te willen voeren – dus zonder aanwezigheid van een vertrouwenspersoon – kan [verzoeker] niet aan Den Hartogh tegenwerpen. Het is immers niet aan Den Hartogh als werkgever om te bepalen of de bedrijfsarts een derde bij de afspraak met [verzoeker] toelaat. Dat is een keuze van de bedrijfsarts zelf. Het is bovendien niet zonder meer onbegrijpelijk of onredelijk dat de bedrijfsarts alleen met [verzoeker] wil spreken om zodoende een zuiver en onafhankelijk oordeel over [verzoeker] en zijn situatie te kunnen vormen.\n\n2.20.. Hoewel uit het bovenstaande volgt dat Den Hartogh in beginsel zowel op 3 april 2025 als op 4 november 2025 de loonbetaling aan [verzoeker] mocht opschorten, is de kantonrechter van oordeel dat Den Hartogh door het tot tweemaal toe opleggen van een loonmaatregel weinig rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] . Voldoende gebleken is immers dat [verzoeker] al sinds begin 2023 kampte met problemen in de privésfeer, waardoor hij meerdere keren volledig is uitgevallen. Den Hartogh heeft hem daarbij destijds ondersteund door hem ruimte te bieden zijn privésituatie te stabiliseren en hem na zijn terugkeer flexibiliteit te bieden bij de wijze waarop hij zijn werkzaamheden uitvoerde. Den Hartogh was dan ook in elk geval sinds 2023 al op de hoogte van de (privé)problemen van [verzoeker] en de daarmee gepaard gaande psychische klachten. Duidelijk is ook dat de kwestie rond de wijziging van de pauzestaffel – ondanks het feit dat Den Hartogh daarin in beginsel geen (ernstig) verwijt gemaakt kan worden - de gezondheidstoestand van [verzoeker] heeft verslechterd. Daarnaast heeft [verzoeker] in zijn e-mail van 20 maart 2025 aan Den Hartogh medegedeeld dat hij gedagvaard is in de slepende privékwestie en dat dat de nodige extra spanningen oplevert.\n\n2.21.. Van Den Hartogh, die bekend was met de hierboven weergegeven voorgeschiedenis en persoonlijke situatie van [verzoeker] , had in de gegeven omstandigheden als werkgever mogen worden verwacht dat zij zich empathischer zou opstellen jegens [verzoeker] , alvorens direct – en tot tweemaal toe – een ingrijpende maatregel als de opschorting van de loonbetaling op te leggen. De kantonrechter kan op zich invoelen dat voor Den Hartogh, die zich in het verleden al vaker zeer flexibel jegens [verzoeker] had opgesteld, op een zeker moment ‘de maat vol is’, mede vanwege het gerezen conflict tussen partijen rond de pauzestaffel. Echter, juist vanwege de hiervoor genoemde voorgeschiedenis en persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , had Den Hartogh kunnen en moeten weten dat er in dit geval (zowel privé als in zijn gezondheidstoestand) meer speelde dan de enkele weigering om aan een redelijk voorschrift te voldoen. Om die reden had van haar in dit geval een meer de-escalerende houding mogen worden verwacht.\n\n2.22.. Het bovenstaande leidt er dan ook toe dat de kantonrechter van oordeel is dat het handelen van Den Hartogh in het kader van de loonmaatregelen minst genomen niet de schoonheidsprijs verdient en dat haar daarbij in zekere mate een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat echter onvoldoende om de hoge late de hoge late van ernstige verwijtbaarheid, zoals uiteengezet in r.o. 2.8., te halen. Daarbij is meegewogen dat Den Hartogh het per 3 april 2025 opgeschorte loon eind augustus 2025, vrijwel direct na de ontvangst van het deskundigenoordeel van het UWV, volledig aan [verzoeker] heeft betaald. Ook het per 4 november 2025 opgeschorte loon heeft Den Hartogh aan [verzoeker] betaald, nadat daarover in februari 2026 tijdens het kort geding door partijen afspraken zijn gemaakt.\n\n2.23.. De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat Den Hartogh de loonopschortingen heeft gebruikt als drukmiddel in de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en mediation. [verzoeker] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dat kan worden afgeleid. Bovendien was het [verzoeker] zelf, die vanaf zijn ziekmelding heeft aangedrongen op mediation, zelfs op het moment dat de bedrijfsarts te kennen gaf dat mediation (nog) niet zinvol was. Nadat een andere bedrijfsarts op 14 april 2025 wél mediation adviseerde, heeft Den Hartogh zich ingespannen om daartoe over te gaan, maar niet gebleken is dat zij de loonopschorting daarbij als drukmiddel heeft gebruikt. Dat geldt ook voor de onderhandelingen over een eventuele vaststellingsovereenkomst. Daarbij komt dat het initiatief daartoe zelfs van [verzoeker] zelf kwam. In zijn e-mail aan Den Hartogh van 19 februari 2025 biedt [verzoeker] immers de optie om ‘op een nette wijze uit elkaar te gaan’. Vervolgens nodigt hij Den Hartogh in zijn e-mail van 20 februari 2025 zelf uit daartoe een voorstel te doen. Ook op dit punt is dan ook geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh.\n\nDen Hartogh hoeft geen transitievergoeding en billijke vergoeding te betalen\n\n2.24.. Omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh hoeft Den Hartogh geen transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder b BW) aan [verzoeker] te betalen. Ook is Den Hartogh om diezelfde reden geen billijke vergoeding (artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW) aan [verzoeker] verschuldigd. Die verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen.\n\nDe overige verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen\n\n2.25.. \n [verzoeker] heeft tijdens de zitting zijn verzoek ten aanzien van het achterstallige loon ingetrokken, omdat dat loon inmiddels volledig is betaald. Hij verzoekt wel Den Hartogh te veroordelen de wettelijke verhoging over het achterstallige loon te betalen. Dat verzoek wordt echter afgewezen. In zijn verzoekschrift stelt [verzoeker] weliswaar dat Den Hartogh de wettelijke verhoging moet betalen, maar hij specificeert daarin niet over welke loonperioden de wettelijke verhoging moet worden betaald en ook niet hoe hoog dat achterstallige loon in die perioden was. Dat had wel op zijn weg gelegen.\n\n2.26.. \n\nDen Hartogh heeft pas ter zitting gesteld dat de totale wettelijke verhoging\n\n€ 11.098,43 bruto bedraagt. Zij heeft dat bedrag echter op geen enkele wijze gespecificeerd of onderbouwd. Juist omdat Den Hartogh in de voorbereiding van de zitting kennelijk wél in staat bleek een specifiek bedrag aan de verzochte wettelijke verhoging te koppelen, had van haar verwacht mogen worden dat zij ter zitting ook direct een specificatie of berekening van de wettelijke verhoging in het geding zou brengen, zeker nu het achterstallige loon al geruime tijd vóór de zitting volledig is voldaan. [verzoeker] heeft zijn verzoek dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat dat wordt afgewezen.\n\n2.27.. Ook voor een veroordeling van Den Hartogh om deugdelijke bruto\u002Fnetto specificaties te verstrekken bestaat geen aanleiding. Voldoende gebleken is dat Den Hartogh tijdens deze procedure de loonstroken over de periode tot en met de maand februari 2026 aan [verzoeker] heeft verstrekt. In dat verband heeft [verzoeker] tijdens de zitting ook verklaard inmiddels inzicht te hebben in het brutoloon over de periode van januari 2025 tot en met heden.\n\n2.28.. Omdat Den Hartogh geen transitievergoeding, billijke vergoeding of wettelijke verhogingen hoeft te betalen, bestaat er ook geen aanleiding Den Hartogh te veroordelen de rente over die bedragen te betalen.\n\n [verzoeker] krijgt de gelegenheid het ontbindingsverzoek in te trekken\n\n2.29.. \n [verzoeker] krijgt de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken, binnen de hierna in 3.1 genoemde termijn, omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder daaraan een door [verzoeker] verzochte vergoeding te verbinden (artikel 7:686a lid 6 en 7 BW).\n\nPartijen dragen ieder de eigen proceskosten\n\n2.30.. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen de eigen proceskosten dragen en dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.31.. Uitsluitend in het geval [verzoeker] geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om zijn ontbindingsverzoek in te trekken, wordt deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking dan meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\nHet voorwaardelijk tegenverzoek van Den Hartogh\n\n2.32.. Den Hartogh heeft voorwaardelijk, voor het geval het ontbindingsverzoek van [verzoeker] zou worden toegewezen en hij dit verzoek na gelegenheid daartoe zou intrekken, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Omdat de kantonrechter het ontbindingsverzoek van [verzoeker] heeft toegewezen en hem de gelegenheid heeft geboden het ontbindingsverzoek in te trekken, heeft Den Hartogh belang bij een beoordeling van haar tegenverzoek voor het geval [verzoeker] zijn verzoek daadwerkelijk intrekt.\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026\n\n2.33.. Uit hetgeen hiervoor bij r.o. 2.5 en 2.6 is overwogen volgt dat partijen het er over eens zijn dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Ook de kantonrechter kan uit het procesdossier geen andere conclusie trekken dan dat de relatie tussen partijen ernstig en onherstelbaar is verstoord, zodanig dat van Den Hartogh in redelijkheid niet kan worden gevraagd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Dat levert een redelijke grond voor ontbinding op (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede.\n\n2.34.. Er geldt in dit geval weliswaar een opzegverbod, maar het is in het belang van [verzoeker] dat de arbeidsovereenkomst toch eindigt (artikel 7:671b lid 6 BW). [verzoeker] stelt immers niet alleen zelf dat het, gelet op zijn gezondheidssituatie, in zijn belang is dat de arbeidsovereenkomst (op korte termijn) eindigt; ook de bedrijfsarts adviseert in zijn meest recente terugkoppeling van 11 maart 2026 dat er gestreefd moet worden naar een ‘veilige en zorgvuldige beëindiging van de actieve arbeidsrelatie’.\n\n2.35.. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 juni 2026 (artikel 7:671b lid 9 BW). Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van deze procedure.\n\nDen Hartogh moet een transitievergoeding betalen\n\n2.36.. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [verzoeker] zo dat hij, ook in het kader van het tegenverzoek, aanspraak maakt op een transitievergoeding. Den Hartogh heeft zich tijdens de zitting ook bereid verklaard in dit geval een transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen. Omdat in het tegenverzoek de arbeidsovereenkomst op verzoek van Den Hartogh wordt ontbonden, aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , heeft [verzoeker] recht op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).\n\n2.37.. \n [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat het bruto maandloon inclusief vakantietoeslag en structurele onregelmatigheidstoeslag in totaal € 5.796,22 bedraagt. Op basis van dat loon en de duur van de arbeidsovereenkomst (van 1 maart 2022 tot 1 juni 2026) is de hoogte van de vergoeding € 8.216,61 bruto. Den Hartogh wordt daarom veroordeeld dat bedrag aan [verzoeker] te betalen. Dat bedrag is hoger dan de door [verzoeker] berekende transitievergoeding, omdat [verzoeker] bij zijn berekening is uitgegaan van een eerdere beëindiging van het dienstverband (namelijk per 28 februari 2026) dan de datum waarop de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt ontbonden. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).\n\nPartijen dragen ieder de eigen proceskosten\n\n2.38.. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen de eigen proceskosten dragen en dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.39.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv).\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin het verzoek van [verzoeker]\n\n3.1.. stelt [verzoeker] tot vrijdag 8 mei 2026 om 12:00 uurin de gelegenheid zijn ontbindingsverzoek in te trekken door middel van een aan de griffie gericht schrijven (met afschrift aan de gemachtigde van Den Hartogh);\n\nin het geval [verzoeker] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n3.2.. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;\n\nen, maar uitsluitend in het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n3.3.. ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2026;\n\n3.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.5.. wijst al het andere af;\n\nin het voorwaardelijk tegenverzoek van Den Hartogh\n\nuitsluitend in het geval [verzoeker] zijn verzoek tijdig heeft ingetrokken:\n\n3.6.. ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2026;\n\n3.7.. \n\nveroordeelt Den Hartogh om aan [verzoeker] een transitievergoeding van\n\n€ 7.728,29 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.8.. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;\n\n3.9.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.\n\n44487\n\n Kamerstukken II, 2013\u002F14, 33818, nr. 3, p. 34","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5196","ecli-nl-rbrot-2026-5196",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]