Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:6466

Tribunal

Rotterdam

Date

16 April 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Arbeidsrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; ArbeidsrechtType: uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11962167 VZ VERZ 25-6831

datum uitspraak: 16 april 2026

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van

[verzoeker],

woonplaats: [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Kafa,

tegen

[verweerster] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Heere-Helmink.

De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.

1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

het verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;

het verweerschrift van [verweerster] .

1.2.. Op 26 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Daarbij waren aanwezig [verzoeker] met zijn vrouw en zijn gemachtigde en namens [verweerster] mevrouw [naam 1] met de gemachtigde van [verweerster] .

2. De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1..
[verzoeker] is op 23 januari 2023 in dienst getreden bij [verweerster] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde duur van ongeveer 4,5 maand (tot en met 8 juni 2023) in de functie van algemeen medewerker. Hij is daar vervolgens blijven werken zonder dat iets werd afgesproken over het voortzetten van de arbeidsovereenkomst, tot 24 januari 2025. Op initiatief van [verweerster] is [verzoeker] op of rond 25 januari 2025 in dienst getreden bij een ander bedrijf, [bedrijf] . [verweerster] was toen in de veronderstelling dat zij [verzoeker] een vast dienstverband moest aanbieden als hij bij haar in dienst bleef. [bedrijf] is een bedrijf waar [verweerster] voor werkt. [verzoeker] heeft tot augustus 2025 bij [bedrijf] gewerkt. In de periode dat [verzoeker] bij [bedrijf] werkte, deed hij dezelfde werkzaamheden als hij bij [verweerster] verrichtte en werkte hij feitelijk bij onder meer [verweerster] , waarbij hij instructies kreeg van onder meer de leidinggevende bij [verweerster] . [verzoeker] kreeg bij [bedrijf] een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden, die werd verlengd. Sinds 4 augustus 2025 werkte [verzoeker] weer direct en alleen voor [verweerster] . Op 17 september 2025 kreeg hij bericht van [verweerster] dat zij hem “morgen” niet zou oproepen. Sindsdien heeft hij niet meer voor [verweerster] gewerkt en heeft hij geen loon meer van [verweerster] ontvangen. Hij is feitelijk ook niet meer opgeroepen door [verweerster] om te werken, terwijl hij nog wel heeft gevraagd aan [verweerster] wanneer hij weer zou beginnen met werken.

2.2..
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst tussen partijen feitelijk heeft beëindigd zonder een geldige reden. [verzoeker] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een verklaring voor recht dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst onregelmatig en zonder geldige reden heeft beëindigd en om een billijke vergoeding. Ook vraag hij om een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, achterstallig salaris en - zo begrijpt de kantonrechter - een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen.

2.3..
[verweerster] vindt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. Zij vindt dat zij niks meer aan [verzoeker] verschuldigd is. Zij stelt zich op het standpunt dat er in augustus 2025 geen tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat [verzoeker] in september 2025 heeft aangegeven dat hij ergens anders zou gaan werken omdat hij twee andere banen had gevonden.

2.4..
[verzoeker] krijgt voor het grootste deel gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.

Opvolgend werkgeverschap en arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd

2.5.. De kantonrechter stelt voorop dat ervan wordt uitgegaan dat, ondanks het feit dat [verzoeker] tijdelijk bij [bedrijf] heeft gewerkt, tussen [verweerster] en [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en dat de arbeidsovereenkomst tussen deze twee partijen heeft geduurd vanaf 23 januari 2023 (tot 17 september 2025). De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.6.. De kantonrechter acht voldoende gebleken dat er sprake is geweest van opvolgend werkgeverschap tussen [verweerster] en [bedrijf] zoals bedoeld in de wet (artikel 7:668a lid 2 BW). Uiteindelijk is immers als onweersproken vast komen te staan dat bij het overgaan van [verweerster] naar [bedrijf] de werkzaamheden, functie en leiding nagenoeg ongewijzigd bleven. Daarmee moet [bedrijf] redelijkerwijs geacht worden de opvolger van [verweerster] te zijn geweest ten aanzien van de verrichte arbeid (artikel 7:668 lid 2 BW). [verweerster] is vervolgens in augustus 2025 de opvolger geworden van [bedrijf] ten aanzien van de verrichte arbeid, omdat vaststaat dat [verzoeker] sinds 4 augustus 2025 feitelijk alleen en direct voor [verweerster] werkte. Daar komt bij dat tussen de opvolgende arbeidsovereenkomsten geen tussenpozen van langer dan zes maanden hebben gezeten én dat de eerste arbeidsovereenkomst, die op schrift is gesteld, kennelijk steeds stilzwijgend is verlengd, waardoor er in maart 2024 al een vierde arbeidsovereenkomst tussen partijen is ontstaan (artikel 7:668 lid aanhef en onder b BW) . Daarmee wordt ervan uitgegaan dat op grond van de wet in maart 2024 al een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan tussen partijen (artikel 7:668a lid 1 aanhef en onder b in verbinding met artikel 7:668a lid 2 BW). Doordat er vervolgens sprake was van opvolgend werkgeverschap is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet geëindigd doordat [verzoeker] voor [bedrijf] ging werken.

[verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst onregelmatig en zonder geldige reden opgezegd

2.7.. De kantonrechter zal voor recht verklaren dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] onregelmatig en zonder geldige reden heeft beëindigd, zoals [verzoeker] heeft gevorderd. De kantonrechter legt hierna uit waarom er sprake is van een onregelmatige en niet rechtsgeldige opzegging.

2.8.. Ondanks dat de eerste en enige op schrift gestelde arbeidsovereenkomst tussen partijen een oproepovereenkomst is, is vast komen te staan dat [verzoeker] sinds zijn indiensttreding bij [verweerster] steeds feitelijk (gemiddeld) 40 uur per week heeft gewerkt. Daarom wordt uitgegaan van een afgesproken arbeidsomvang van 40 uur per week (artikel 7:610b BW). Dit betekent dat [verzoeker] in principe de verplichting had om 40 uur te werken en dat [verweerster] in principe de verplichting had om [verzoeker] voor 40 uur per week werk aan te bieden en hem uit te betalen voor 40 uur werk per week. Dit brengt mee dat het [verweerster] niet vrij stond om [verzoeker] van de ene op de andere dag niet meer op te roepen. Doordat [verweerster] dit wel heeft gedaan zonder het loon van [verzoeker] aan hem uit te betalen, heeft zij de arbeidsovereenkomst tussen partijen feitelijk per direct beëindigd. Zij heeft zich er niet op beroepen dat zij daar een geldige reden voor had. Die mededeling moet daarom beschouwd worden als een onregelmatige en niet rechtsgeldige opzegging.

2.9..

Volgens [verweerster] heeft [verzoeker] tegen haar gezegd dat hij ergens anders zou gaan werken en twee andere banen had. Voor zover zij zich hiermee op het standpunt stelt dat [verzoeker] zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, wordt als volgt overwogen.

[verzoeker] heeft op de zitting de naar het oordeel van de kantonrechter plausibele uitleg gegeven dat hij in een discussie tussen partijen heeft gezegd dat er genoeg ander werk zou zijn, maar daarbij niet heeft gezegd dat hij werkelijk een andere baan had gevonden. Wat daar ook van zij, ook als [verzoeker] heeft gezegd dat hij ergens anders zou gaan werken en twee andere banen had, zijn geen bijkomende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken, waaruit [verweerster] mocht concluderen dat hij zijn arbeidsovereenkomst met [verweerster] daadwerkelijk opzegde.

Ook zou een dergelijke mededeling op zich haar niet het recht geven om de arbeidsovereenkomst tussen partijen per direct op te zeggen.

[verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding

2.10..
[verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 onder a BW en artikel 7:671 BW). [verzoeker] is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en de opzegging was niet rechtsgeldig.

[verweerster] moet een billijke vergoeding betalen van € 3.000,00 bruto

2.11.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 3.000,00 bruto redelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.12..
[verzoeker] moet in ieder geval gecompenseerd geworden voor het feit dat hij door het handelen van [verweerster] tijdelijk geen loon had. Op de zitting is gebleken dat hij sinds januari 2026 een nieuwe baan heeft en loon ontvangt en dat hij na het ontslag een WW-uitkering ontving. Hij heeft dus een periode van ongeveer 3,5 maand zonder loon gezeten, terwijl hij in die periode wel een uitkering ontving. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoeker] aan WW-uitkering de eerste twee maanden 75% van het gemiddelde laatstverdiende loon kreeg en daarna 70%.

2.13..

De kantonrechter gaat op basis van de laatste loonstroken waar een uurloon van

€ 14,75 bruto op staat en de vastgestelde arbeidsomvang van 40 uur per week ervan uit dat [verzoeker] bij [verweerster] een maandloon had van € 2.556,67 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.14.. Eén en ander betekent dat [verzoeker] een bedrag van ongeveer € 2.650,00 bruto aan loon is misgelopen als gevolg van het ontslag

2.15.. De kantonrechter houdt er verder rekening mee dat de manier waarop [verweerster] met [verzoeker] is omgegaan, verre van de schoonheidsprijs verdient en zelfs geheel onbegrijpelijk is. Er is uiteindelijk geen enkele enigszins te begrijpen verklaring gekomen voor het ontslag.

[verweerster] moet een transitievergoeding betalen

2.16..

[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).

Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 2.556,32 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] betalen.

[verweerster] moet een gefixeerde schadevergoeding betalen

2.17..
[verweerster] moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan [verzoeker] betalen. [verweerster] heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [verzoeker] zou hebben gekregen als de werkgever bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. [verzoeker] was korter dan vijf jaar in dienst. Daarom geldt een opzegtermijn van één maand. De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 november 2025 kunnen worden beëindigd en [verzoeker] heeft daarom recht heeft op een vergoeding van € 3.941,33 bruto. Dat is het loon over 1 maand en 13 dagen inclusief vakantietoeslag. Dit bedrag moet [verweerster] betalen. De kantonrechter gaat er hierbij vanuit dat [verzoeker] , ondanks dat de opzegging op 17 september 2025 heeft plaatsgevonden, voor zijn werk op die dag wel nog salaris heeft gekregen, omdat de opzegging ’s avonds pas heeft plaatsgevonden en daarbij specifiek is bericht dat [verzoeker] de volgende dag niet zou worden opgeroepen.

[verweerster] hoeft geen loon te betalen vanaf 17 september 2025

2.18..
[verzoeker] vordert ook loon vanaf 17 september 2025. Daar heeft hij geen recht op, omdat hij zich neergelegd heeft bij het ontslag. De opzegging was weliswaar niet rechtsgeldig, maar de arbeidsovereenkomst is wel geëindigd als gevolg van de opzegging, nu [verzoeker] niet om vernietiging van de opzegging heeft verzocht.

[verweerster] moet achterstallig loon betalen over de vakantieperiode medio 2024

2.19.. Vast is komen te staan staat dat [verzoeker] in de periode vanaf 26 juni tot en met 20 juli 2024 niet heeft gewerkt in verband met vakantie en over die periode geen loon heeft ontvangen. [verzoeker] had op grond van de wet recht op de opbouw van vakantiedagen (artikel 7:634 BW). In de wet is bovendien bepaald dat een werknemer tijdens zijn vakantie zijn recht op loon behoudt (artikel 7:639 BW). Gelet hierop wordt er, ondanks de bepaling in de arbeidsovereenkomst dat [verzoeker] geen recht heeft op vakantiedagen, van uitgegaan dat hij vakantiedagen heeft opgebouwd en in voornoemde periode vakantieverlof heeft kunnen opnemen. Nu [verweerster] niets heeft aangevoerd over het saldo van aan [verzoeker] toekomende vakantiedagen, heeft [verzoeker] alsnog recht op loon over de door hem gestelde vakantieperiode. Op basis van het destijds geldende uurloon van € 13,27 bruto bedroeg dat loon over 25 vakantiedagen inclusief vakantietoeslag € 2.041,76 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] aan [verzoeker] betalen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

2.20.. Omdat [verweerster] het loon over de vakantieperiode niet (op tijd) heeft betaald moet zij daarover ook de wettelijke verhoging zoals bedoeld in de wet betalen (artikel 7:625 BW). De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen, zodat 50% aan wettelijke verhoging wordt toegewezen.

2.21.. Ook de gevorderde wettelijke rente over het achterstallige loon wordt toegewezen.

De vordering tot betaling van openstaande vakantiedagen en overige emolumenten wordt afgewezen

2.22..
[verzoeker] heeft ook gevorderd [verweerster] te veroordelen “tot betaling van de openstaande vakantiedagen en overige emolumenten”. Deze vordering wordt als onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd afgewezen.

[verweerster] moet de proceskosten betalen

2.23.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 90,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is totaal € 1.099,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad

2.24.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoeker] dat heeft gevraagd en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

3.1.. veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 3.000,00 bruto te betalen;

3.2.. veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 2.556,32 bruto te betalen;

3.3..

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding van

€ 3.941,33 bruto te betalen;

3.4.. veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] het achterstallig loon over de periode vanaf 26 juni t/m 20 juli 2024 van € 2.041,76 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.041,76 vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dat volledig is betaald;

3.5.. veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.099,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;

3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.. wijst al het andere af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.

757

Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)

Plus de Décisions