ECLI:NL:RBROT:2026:6834
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/707012 / HA ZA 25-825
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. C. Havelaar-Langereis,
tegen
1. DWW HOLDING B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,
2. [gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,
3. [gedaagde sub 3],
wonend in [woonplaats 3] , [land] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [eiser] en DWW c.s. genoemd. DWW c.s. worden afzonderlijk DWW, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd.
1. De zaak in het kort
1.1..
[eiser] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van De Woningwachter. Een deel van zijn facturen is onbetaald gebleven. De Woningwachter is in staat van faillissement verklaard en biedt geen verhaal voor de vordering van [eiser] .
1.2.. In deze procedure spreekt [eiser] de (middellijk) bestuurders van De Woningwachter aan op grond van schending van de Beklamel-norm. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijk is in dit geval niet behaald. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dat geldt zowel voor de verschenen bestuurders (DWW en [gedaagde sub 2] ) als voor de niet verschenen bestuurder ( [gedaagde sub 3] ).
2. De procedure
2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen van 4, 7 en 14 augustus 2025, met producties 1 tot en met 7;
de conclusie van antwoord van DWW en [gedaagde sub 2] , met producties 1 en 2;
de brief van 16 december 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
het bericht van 16 maart 2026 van de rechtbank, met een zittingsagenda waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;
de akte overlegging aanvullende productie 8 van [eiser] ;
de mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de door [eiser] overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen.
3. De feiten
3.1..
[eiser] is ondernemer. Hij heeft, handelend onder de naam [naam bedrijf] , van november 2019 tot maart 2020 aannemingswerkzaamheden verricht in opdracht van Projectmanagement & Adviesbureau Langer Zelfstandig Thuiswonen Rotterdam B.V. (voorheen genaamd De Woningwachter Ledenservices B.V. en hierna te noemen: De Woningwachter).
3.2.. DWW is bestuurder van De Woningwachter. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn (via hun houdstervennootschappen) bestuurders van DWW.
3.3.. De facturen van [eiser] zijn voor een deel onbetaald gebleven.
3.4.. Op 7 april 2020 is De Woningwachter in staat van faillissement verklaard. [eiser] heeft een vordering ingediend in het faillissement. De curator heeft deze vordering voor een totaalbedrag van € 27.439,52 op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen geplaatst.
4. Het geschil
4.1..
[eiser] vordert (samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, DWW c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:
€ 27.439,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
€ 1.049,39 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten.
4.2.. DWW en [gedaagde sub 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
4.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.
5. De beoordeling
5.1.. Voor aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap geldt een hoge drempel. Die drempel is in dit geval niet behaald. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, zowel tegen de verschenen gedaagden (DWW en [gedaagde sub 2] ) als tegen de niet verschenen gedaagde ( [gedaagde sub 3] ). De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
De vorderingen tegen DWW en [gedaagde sub 2]
Het verjaringsverweer slaagt niet
5.2.. DWW en [gedaagde sub 2] doen een beroep op verjaring. Als dat beroep slaagt, stranden de vorderingen van [eiser] tegen DWW en [gedaagde sub 2] daar op. De rechtbank behandelt dit verweer daarom als eerste.
5.3.. DWW en [gedaagde sub 2] voeren aan dat zij op 6 maart 2025 voor het eerst aansprakelijk zijn gesteld door [eiser] . Omdat op dat moment al meer dan vijf jaar was verstreken na het aangaan van de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter, is volgens DWW en [gedaagde sub 2] een eventuele vordering van [eiser] op hen verjaard.
5.4.. De rechtbank licht hierna toe waarom het verjaringsverweer niet slaagt.
5.5.. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
5.6.. Anders van DWW en [gedaagde sub 2] betogen, is de verjaringstermijn niet gaan lopen op het moment dat de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter werden gesloten. Op dat moment wist [eiser] immers nog niet dat De Woningwachter zijn facturen onbetaald zou laten en dat hij daarvoor de bestuurders van De Woningwachter zou (kunnen of moeten) aanspreken.
5.7.. De rechtbank gaat ervan uit dat de verjaringstermijn in dit geval is gaan lopen op 20 maart 2020. Op die dag heeft [eiser] De Woningwachter, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een deurwaardersexploot gesommeerd om de openstaande facturen te betalen. Daaruit volgt dat hij op dat moment bekend was met de schade en met de (door hem gestelde) aansprakelijkheid van de bestuurders van De Woningwachter voor die schade. Dat hij daarmee al eerder bekend was, is niet door DWW en [gedaagde sub 2] gesteld en ook niet gebleken.
5.8.. Dat het exploot van 20 maart 2020 niet ook gericht is aan DWW, is niet relevant. [eiser] was op 20 maart 2020 bekend met de (mogelijke) aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als indirect bestuurders van De Woningwachter en kan daarom op dat moment ook bekend worden geacht met de (mogelijke) aansprakelijkheid van DWW als direct bestuurder.
5.9.. De vanaf 20 maart 2020 lopende verjaringstermijn van vijf jaar is op 6 maart 2025 (en dus tijdig) gestuit door de aansprakelijkstellingen van DWW en [gedaagde sub 2] van die datum. DWW en [gedaagde sub 2] komt daarom geen beroep op verjaring toe.
De Beklamel-norm is niet geschonden
5.10.. Partijen hebben op de zitting toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter zal worden opgeheven wegens een gebrek aan baten. Dat betekent dat de vordering van [eiser] op De Woningwachter onbetaald blijft.
5.11.. Uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook aanleiding bestaan voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van deze aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen gelden dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Het is daarbij aan de benadeelde crediteur om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de betreffende bestuurder persoonlijk ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld.
5.12.. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien, voor zover in deze zaak relevant, de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als hij tegen beter weten in verbintenissen aangaat namens de vennootschap.
5.13.. Volgens [eiser] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt aan de bestuurders van De Woningwachter, omdat zij in de gegeven omstandigheden geen verplichtingen tegenover hem hadden mogen aangaan. [eiser] voert daartoe het volgende aan.
5.13.1.. Het is tweemaal mislukt om externe financiering voor De Woningwachter te verkrijgen. Begin 2019 werd een grote investering gedaan in softwareontwikkeling, vooruitlopend op een verwachte investering van een derde partij. Deze investeerder trok zich in april 2019 echter terug. Het bestuur probeerde vervolgens zonder succes een nieuwe financier aan te trekken. Eind 2019 werd exclusiviteit overeengekomen met een tweede investeerder, maar die trok zich in maart 2020 ook terug.
5.13.2.. Het bestuur bleef desondanks verplichtingen aangaan. Na het afhaken van de eerste investeerder in april 2019 had het bestuur zich moeten realiseren dat de financiële positie van De Woningwachter precair was. Het voortzetten van de bedrijfsvoering en het aangaan van nieuwe verplichtingen zonder zekere dekking, terwijl de vennootschap afhankelijk was van een tweede investeerder, bracht een verhoogde zorgplicht mee. Deze tweede investeerder was immers nog niet gecommitteerd en het risico op opnieuw afhaken was reëel. Het bestuur had in deze omstandigheden geen nieuwe verplichtingen mogen aangaan zonder voorafgaande zekerheidstelling van financiering. Dat geldt temeer als, zoals hier vanaf eind 2019 aan de orde was, vertraagd en ad hoc-betalingsgedrag ontstaat. Daarnaast had het bestuur [eiser] moeten informeren over de afhankelijkheid van externe financiering en hadden de bedrijfsactiviteiten moeten worden beperkt tot wat financieel verantwoord was. Door dit na te laten hebben DWW en [gedaagde sub 2] willens en wetens het risico genomen dat schuldeisers onbetaald zouden blijven, aldus [eiser] .
5.14.. DWW en [gedaagde sub 2] betwisten dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat de problemen pas ontstonden toen op 13 maart 2020 de beoogde investeerder afhaakte. Eerder wisten zij niet en behoorden zij ook niet te weten dat De Woningwachter niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. De verplichtingen tegenover [eiser] zijn daarom verantwoord aangegaan, aldus DWW en [gedaagde sub 2] .
5.15.. Uit de door [eiser] overgelegde debiteurenkaart blijkt dat zijn vordering is gebaseerd op onbetaald gebleven facturen die zijn gedateerd op 25 januari 2020, 1 februari 2020, 3 februari 2020, 4 februari 2020, 8 februari 2020, 11 februari 2020, 12 februari 2020, 16 februari 2020 en 29 februari 2020. De offertes die aan deze facturen ten grondslag liggen zijn uitgebracht in de periode tussen 2 januari 2020 en 11 februari 2020.
5.16.. In deze procedure is relevant op welk moment DWW en [gedaagde sub 2] wisten of behoorden te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen. [eiser] heeft dat in de dagvaarding niet concreet onderbouwd. Op de zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat het peilmoment eind januari/begin februari 2020 was.
5.17.. Uit de debiteurenkaart kan niet worden afgeleid dat eind januari/begin februari 2020 geen nieuwe verplichtingen namens De Woningwachter meer mochten worden aangegaan. Op 7 februari 2020 was de situatie bijvoorbeeld zo, dat twee facturen van [eiser] , die als vervaldatum 2 februari 2020 hadden, niet volledig waren betaald (er stonden bedragen van € 496,49 en € 1.143,35 open, die op 8 maart 2020 alsnog zijn voldaan). Een dag later, op 8 februari 2020, kwam daar een vervallen bedrag van € 1.820,00 bij. Dat is ook het eerste bedrag dat onbetaald is gebleven. Vervolgens zijn er, los van de hiervoor vermelde betalingen op 8 maart 2020, op 9 en 14 februari 2020 nog twee betalingen van € 4.000,00 gedaan, die in mindering strekten op facturen die vervielen op 14 en 17 februari 2020. Pas half/eind februari 2020 liep de betalingsachterstand verder op. De opdrachten aan [eiser] waren op dat moment al (grotendeels) verstrekt. Op de zitting heeft [eiser] bevestigd dat hij de laatste opdracht medio of in de loop van februari 2020 kreeg.
5.18.. Het enkele feit dat, toen nog opdrachten aan [eiser] werden verstrekt, niet al zijn facturen volledig waren voldaan binnen de vervaltermijn, rechtvaardigt geen aansprakelijkheid van DWW en [gedaagde sub 2] op grond van de Beklamel-norm. Dat geldt ook voor de door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat eerder, in november 2019, al twee facturen te laat en in termijnen zijn voldaan. Daarmee is nog niet gezegd dat, toen De Woningwachter de onbetaald gebleven opdrachten aan [eiser] verstrekte, zij haar daaruit voortvloeiende verplichtingen niet meer kon nakomen en DWW en [gedaagde sub 2] dat wisten of behoorden te begrijpen.
5.19.. Dat De Woningwachter al sinds begin 2019 op zoek was naar externe financiering, maakt het voorgaande niet anders. Het afhaken van een eerste investeerder in april 2019 is zonder nadere toelichting die ontbreekt niet relevant in het kader van de vraag of De Woningwachter eind januari/begin februari 2020 nog opdrachten mocht verstrekken aan [eiser] .
5.20.. Dat De Woningwachter begin 2020 opnieuw bezig was met het verkrijgen van externe financiering, betekent ook niet dat zij op dat moment geen nieuwe verplichtingen mocht aangaan. De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat DWW en [gedaagde sub 2] [eiser] (nader) hadden moeten informeren over de financiële stand van zaken bij De Woningwachter. Uit de door DWW en [gedaagde sub 2] overgelegde term sheetvan 15 januari 2020, waarin de voorwaarden van de voorgenomen investering zijn samengevat, blijkt dat deze investering een serieuze optie leek. Dat het aan de bestuurders van De Woningwachter zou zijn te wijten dat de investering niet is doorgegaan, is niet gesteld en ook niet gebleken. In de e-mail van de beoogde investeerder aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van 13 maart 2020 staat het volgende:
“Hierbij bevestig ik dat ik afzie van de investering van mij in jullie bedrijf.
Ik verwacht dat het bedrag waarmee ik in zou stappen onvoldoende is om het bedrijf op het level te krijgen waar ik deze zou willen krijgen met jullie
Daarnaast verwacht ik dat de economische omstandigheden ivm Corona flink onzeker zullen zijn, misschien wel bovengemiddeld in jullie doelgroep”
5.21..
[eiser] heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een gerelateerd faillissement (van DWW Wonen Nederland B.V.) door de curator zijn aangesproken in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders, waarna een minnelijke regeling is getroffen. Voor de onderhavige procedure is dat echter niet relevant. Dat geldt ook voor de door [eiser] ingenomen (en door DWW en [gedaagde sub 2] betwiste) stelling dat de curator in het faillissement van De Woningwachter van oordeel was dat sprake was van onbehoorlijk bestuur, maar het niet in het belang van de boedel achtte om vervolgstappen te ondernemen. Deze stellingen kunnen geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of DWW en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder aansprakelijk zijn tegenover een schuldeiser van De Woningwachter wegens schending van de Beklamel-norm.
5.22.. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter nare gevolgen voor hem en zijn gezin heeft gehad. De rechtbank begrijpt heel goed dat het vervelend is dat [eiser] door het faillissement van De Woningwachter achterblijft met een onbetaalde vordering. Dat kan er echter niet aan afdoen dat de drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap hoog is en dat die in dit geval niet is behaald.
Proceskosten
5.23..
[eiser] krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.856,00
5.24.. DWW en [gedaagde sub 2] maken aanspraak op de wettelijke rente over (alleen) de nakosten. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De vorderingen tegen [gedaagde sub 3]
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.25..
[gedaagde sub 3] woont in België. Daarom moet ambtshalve worden beoordeeld of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en zo ja, welk recht toepasselijk is.
5.26.. De internationale bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, die zowel materieel, formeel als temporeel van toepassing is. Tussen de vorderingen tegen iedere gedaagde bestaat een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kunnen DWW en [gedaagde sub 2] de rol van ankergedaagden vervullen en is deze rechtbank op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Verordening ook bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] .
5.27.. De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van de Rome II-Verordening, die materieel, formeel en temporeel van toepassing is. Omdat de gevorderde schade zich voordoet in Nederland, is op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening Nederlands recht van toepassing.
Verstek
5.28..
[gedaagde sub 3] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Omdat door [eiser] , DWW en [gedaagde sub 2] verder is geprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
5.29.. In een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen niet noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing, strekt een door de verschenen gedaagden gevoerd en door de rechter aanvaard verweer niet mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n). Die situatie is hier aan de orde. Er is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. Op grond van artikel 139 Rv moet de rechtbank de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] daarom in beginsel toewijzen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
De vorderingen tegen [gedaagde sub 3] komen ongegrond voor
5.30.. De rechtbank is ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] van oordeel dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. In de dagvaarding is niet geconcretiseerd wanneer [gedaagde sub 3] wist of behoorde te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen en dus geen nieuwe verplichtingen meer mocht aangaan namens De Woningwachter. Daarmee is onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt ook als tegen de betreffende bestuurder verstek is verleend. Ook voor zover het de positie van [gedaagde sub 3] betreft is die drempel in dit geval niet behaald.
Proceskosten
5.31..
[eiser] moet als de partij die geen gelijk krijgt ook in de zaak tegen [gedaagde sub 3] de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde sub 3] niet in de procedure is verschenen en dus geen proceskosten heeft gemaakt, kan een veroordeling in dit kader achterwege blijven.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977/1918
Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)
Verordening (EU) nr. 1215/2012
Verordening (EG) nr. 864/2007
Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911