ECLI:NL:RBROT:2026:6920
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12164098 CV EXPL 26-8506
datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. K.R. Merkus-Zijlstra,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure1.1..
[eiser] eist dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan hem € 13.903,85 te betalen, met rente en proceskosten, zoals in de dagvaarding van 9 maart 2026 staat. Ook eist [eiser] dat de kantonrechter de huurovereenkomst tussen de partijen ontbindt, [gedaagde] veroordeelt om het gehuurde te ontruimen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
1.2.. Tegen [gedaagde] is verstek verleend (artikel 139 Rv).
1.3.. Naar aanleiding van de rolbeslissing van 30 april 2026 heeft [eiser] een akte genomen.
2. De beoordeling
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 13.784,97 betalen
2.1.. In de algemene voorwaarden bij huurovereenkomst is bepaald dat de huurprijs jaarlijks kan worden geïndexeerd volgens de consumentenprijsindex (CPI). Op basis van de formule die daar is opgenomen mocht [eiser] de huurprijs op 1 januari 2025 verhogen met maximaal 3,5%. Op 1 januari 2026 mocht hij de huurprijs verhogen met maximaal 3,3%. Uit de brieven die [eiser] heeft overgelegd blijkt dat hij hogere percentage heeft gehanteerd. De kantonrechter heeft de verschuldigde huurprijs herberekend op basis van de toegestane percentages. De huurprijs mocht op 1 januari 2025 worden verhoogd naar € 1.242,- en op 1 januari 2026 naar € 1.282,99. Dit betekent dat de volgende huurachterstand bestond tot en met maart 2026:
Mei t/m december 2025: 8 × € 1.242,- = € 9.936,00
Januari t/m maart 2026: 3 × € 1.282,99 = € 3.848,97
Totaal t/m maart 2026: € 13.784,97
Dit bedrag wordt toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.2.. De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is (artikel 6:265 BW). Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wijst de kantonrechter de gevraagde ontbinding toe. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] wijzigingen heeft aangebracht in het gehuurde. Ook dat levert een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] op. De door [eiser] in zijn akte genoemde verboden onderhuur is geen reden voor ontbinding van de huurovereenkomst. [eiser] heeft deze grondslag niet in de dagvaarding genoemd en de akte is niet aan [gedaagde] betekend. Daarom mag de kantonrechter de aanvullende grondslag (voor zover de akte zo moet worden begrepen) niet in de beoordeling betrekken.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.3.. Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. Dat moet binnen twee maanden nadat dit vonnis is betekend. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er minderjarige kinderen in de woning wonen. Zo heeft [gedaagde] meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken.
2.4.. Tot en met de dag van de ontruiming – en vanaf de datum van ontbinding, zoals gevorderd, dus vandaag – moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.282,99 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
2.5.. De kantonrechter machtigt [eiser] niet om de woning door een deurwaarder te laten ontruimen, want daar is geen machtiging voor nodig. In de wet staat namelijk al dat de deurwaarder dat mag (artikel 556 Rv).
2.6.. De vordering tot ontruiming ‘in oorspronkelijke, onbeschadigde, schone en lege staat’ is niet toewijsbaar omdat deze vordering niet concreet genoeg is. De veroordeling tot ontruiming betekent dat [gedaagde] dit moet doen volgens haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en de wet.
[gedaagde] moet incassokosten van € 443,22 betalen
2.7.. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 443,22 toegewezen. [eiser] heeft (alleen) op 24 januari 2025 een zogenoemde veertiendagenbrief aan [gedaagde] gestuurd die voldoet aan alle vereisten. Op dat moment was sprake van een achterstand van € 4.842,- (€ 1.200,- per maand over oktober, november en december 2024 en € 1.242,- over januari 2026 – in plaats van de door [eiser] genoemde € 1.249,-). [gedaagde] heeft op 19 januari 2026 en 6 februari 2025 twee maal € 1.200,- betaald, dat is binnen de termijn om alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Daarom is de vergoeding berekend over het bedrag dat na die betaling nog moest worden betaald. Verder is aan alle voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen.
2.8.. Niet gebleken is dat [eiser] voor de nieuwe huurachterstand een correcte veertiendagenbrief aan [gedaagde] heeft gestuurd.
[gedaagde] moet rente betalen
2.9.. De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De rente wordt toegewezen zoals hierna vermeld.
Geen oneerlijke bepalingen
2.10.. De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 154,10 aan dagvaardingskosten, € 753,- aan griffierecht, € 432,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.483,10. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 14.228,19 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf mei 2025 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.. ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen en de sleutels bij [eiser] in te leveren;
3.3.. veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen € 1.282,99 per maand, met de verhoging die is toegestaan, met ingang van de datum van dit vonnis tot en met de dag dat de woning is ontruimd;
3.4.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.483,10 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810