Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:7140

Tribunal

Rotterdam

Date

19 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/2057
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),

en

Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Samenvatting

Volgens het CIZ komt verzoekster niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, omdat zij niet aan de criteria voldoet. Omdat er een negatief Wlz-indicatiebesluit is afgegeven, zou verzoekster volgens het CIZ (tijdelijk) zorg moeten krijgen vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 of de Zorgverzekeringswet.

Dit gebeurt echter niet en verzoekster wordt van het kastje naar de muur verwezen.

De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster op korte termijn zorg moet krijgen.

Het verzoek wordt daarom toegewezen in het kader van de belangenafweging.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Het CIZ heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 1] (namens verzoekster) en de gemachtigde van het CIZ.

4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor vier weken. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om medische informatie in te leveren en een machtiging. Het CIZ zal dan de zaak voorleggen aan de medisch adviseur.

5. Het CIZ heeft op 19 mei 2026 een reactie gestuurd, met een verweerschrift en een aanvullend medisch advies. Ook verzoekster heeft nog nieuwe stukken ingestuurd.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek op 4 juni 2026 gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?

6. Verzoekster heeft last van PNEAen epilepsie. Daarnaast heeft ze een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verzoekster heeft op 13 juni 2025 een aanvraag ingediend bij het CIZ voor zorg op grond van de Wlz. Zij wil de zorg zelf regelen met een persoonsgebonden budget (pgb). Het CIZ heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe

7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Is er een spoedeisend belang?

8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.

De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld

9. Het CIZ stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1382. In die uitspraak overweegt de CRvB dat de betreffende persoon eerst stappen dient te ondernemen om zorg te krijgen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of om de omvang van de ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) uit te breiden om daarmee – al dan niet tijdelijk, in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure – te voorzien in zijn behoefte aan begeleiding.

10. Verzoekster heeft een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam overgelegd van 15 april 2026. Volgens het college heeft verzoekster geen recht op 24-uurs toezicht en begeleiding op grond van de Wmo, omdat haar hulpvraag Wmo-overstijgend is. Volgens het college past Wlz beter bij verzoeksters situatie.

Daarnaast heeft de wijkverpleegkundige verzoekster op 27 augustus 2025 bezocht in het kader van een indicatiestelling. Volgens de wijkverpleegkundige valt verzoekster onder de Wlz en niet binnen de Zvw. Zij heeft verzoekster geadviseerd om opnieuw een Wlz-indicatie aan te vragen en om die reden is er geen verdere indicatiestelling uitgevoerd.

11. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster voldoende heeft gedaan om elders hulp te krijgen. Dit is echter niet gelukt. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.

Wanneer komt iemand in aanmerking voor zorg vanuit de Wlz?

12. Om in aanmerking te komen voor zorg vanuit de Wlz, moet er worden voldaan aan de volgende criteria:

  • Er moet sprake zijn van een grondslag(zoals een lichamelijke ziekte of een psychische stoornis);

  • Vanwege deze grondslag is er behoefte aan en noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen;

  • De zorgbehoefte is blijvend, er zijn geen mogelijkheden tot verbeteringen. Dit wil zeggen dat de zorgbehoefte er voor de rest van het leven is.

13. Partijen zijn het erover eens dat verzoekster een grondslag heeft voor Wlz. Er is sprake van een somatische aandoening (lichamelijke ziekte), namelijk PNEA en epilepsie. Ook is er sprake van een psychische stoornis, namelijk een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis.

14. Partijen verschillen wel van mening of verzoekster permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft en of er sprake is van een blijvende zorgbehoefte.

Belangenafweging

15. De voorzieningenrechter stelt vast dat er verschillende medische stukken in het dossier zitten. De medisch adviseur [naam 2] stelt zich op het standpunt dat een medische noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet kan worden vastgesteld. Ook is er geen indicatie voor permanent toezicht en kan de blijvendheid van de huidige zorgbehoefte onvoldoende worden onderbouwd.

Daarentegen acht behandelaar PsyQ permanent toezicht noodzakelijk omdat elk moment iets ernstig mis kan gaan met betrekking tot verzoeksters veiligheid en haar gezondheid door haar gedrag. Ook geeft deze behandelaar aan dat langdurige zorg en begeleiding noodzakelijk is.

16. Het college van Rotterdam en de wijkverpleegkundige verwijzen verzoekster naar de Wlz. Het CIZ stelt echter dat verzoekster niet onder de Wlz valt en heeft een negatief Wlz-indicatiebesluit afgegeven. Volgens het CIZ is het college dan verplicht om een maatwerkvoorziening af te geven, al dan niet tijdelijk hangende het bezwaar of beroep.

Dit geldt ook voor de zorg vanuit de Zvw.

17. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster op dit moment helemaal geen hulp krijgt: niet vanuit de Wmo, niet vanuit de Zvw en niet vanuit de Wlz. Verzoekster wordt verwezen van het kastje naar de muur. De voorzieningenrechter vindt wel dat verzoekster op korte termijn geholpen moet worden, maar de vraag is door wie. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het besluit van het CIZ en de voorzieningenrechter kan dus alleen het CIZ opdragen om met een passende oplossing te komen. Het is echter zeer goed mogelijk dat de rechtbank in de beroepsprocedure zal oordelen dat verzoekster niet thuishoort in de Wlz.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt het CIZ op om een zodanige indicatiestelling af te geven waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24- uurszorg en toezicht vanuit de Wlz.

19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het CIZ het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het CIZ moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • schorst het bestreden besluit tot de bekendmaking van de uitspraak op het beroepschrift;

  • bepaalt dat het CIZ een zodanige indicatiestelling afgeeft waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht vanuit de Wlz;

  • bepaalt dat het CIZ het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;

  • veroordeelt het CIZ tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Psychogene niet-epileptische aanvallen; dit zijn aanvallen die sterk lijken op epileptische aanvallen, maar dat niet zijn.

Zie een ongedateerde brief die op 23 april 2026 door verzoekster is ingebracht.

Artikel 3.2.1 van de Wlz

Zie het medisch advies van 20 januari 2026 en de aanvullingen van 24 maart 2026 en 23 april 2026.

Zie de brief van 23 maart 2026.

Het CIZ verwijst daarbij naar een uitspraak van het CRvB van 24 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:205.

Plus de Décisions