ECLI:NL:RBROT:2026:7145
Résumé de l'Affaire
Bestuursrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3279
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.J.A Leemans),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Ercan).
Inleiding
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. In een uitspraak van 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
3. Met een besluit van 3 april 2026 op het bezwaar van verzoeker (het bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
4. Over dit verzoek gaat deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
5. Verzoeker lijdt aan ernstige astma. Verzoeker beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (een gehandicaptenparkeerkaart), die op 3 oktober 2025 is verlopen. Op 5 juni 2025 heeft verzoeker een aanvraag om verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart ingediend. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens het college is verzoeker namelijk in redelijkheid in staat om zelfstandig (eventueel met gebruik van hulpmiddelen) een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te overbruggen. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op een medisch advies van [arts 1] (hierna: [arts 1] ), arts bij het Team Sociaal Medische Advisering (hierna: Team SMA) van 4 augustus 2025.
6. In de bezwaarfase heeft verzoeker [arts 2] (hierna: [arts 2] ), als arts verbonden aan het expertisebureau Trompetter & partners, verzocht een contra-expertise uit te voeren. [arts 2] is in zijn rapport van 22 januari 2026 tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat verzoeker niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk lopend af te leggen.
7. In een e-mail van 27 februari 2026 heeft [arts 3] , een andere arts van het Team SMA, hierop gereageerd, mede namens [arts 1] . In deze e-mail hebben de artsen geconcludeerd dat het rapport van [arts 2] geen aanleiding geeft om het eerdere medische advies te herzien.
8. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart gehandhaafd.
Het standpunt van verzoeker
9. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart. Hij voert daartoe aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verzoeker in het verleden wel in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en op dit moment niet meer. De arts van het Team SMA heeft een te theoretische benadering gehanteerd bij het onderzoek en heeft onvoldoende rekening gehouden met de aard en de variabiliteit van de aandoening van verzoeker. Het college heeft bovendien een aanvullend rapport van [arts 2] van 26 maart 2026 ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken. Ook heeft het college het fair play-beginsel geschonden door geen onafhankelijke derde deskundige in te schakelen. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan hem tijdelijk een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt, totdat op het beroep is beslist.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
10. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
11. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afwijzing substantiële gevolgen heeft voor de mobiliteit van verzoeker. Evenals in de uitspraak van 28 oktober 2025 zal de voorzieningenrechter daarom een spoedeisend belang aannemen.
Herhaald verzoek om een voorlopige voorziening
12. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van zo’n verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden, nu verzoeker in de bezwaarfase een tegenrapport heeft overgelegd waarvan de conclusie afwijkt van de medische beoordeling van de arts van het Team SMA. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dus inhoudelijk behandelen. Dit is tussen partijen overigens niet in geschil.
Wat zijn de toepasselijke regels?
14. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke hulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.
15. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen
16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit oordeel als volgt toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend in de beroepsprocedure.
17. Het college heeft de weigering van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart gebaseerd op het medisch advies van de arts van het Team SMA van 4 augustus 2025 en op de e-mail van de twee artsen van het Team SMA van 27 februari 2026. Het bestuursorgaan mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.Indien de betrokkene een tegenrapport overlegt, moet worden beoordeeld of er op basis daarvan aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het medisch advies.
18. Verzoeker heeft met het rapport van [arts 2] een uitgebreid gemotiveerd rapport met een tegengestelde conclusie overgelegd. In het rapport van [arts 2] is onder meer vermeld dat, hoewel verzoeker met zijn longfunctie over een redelijke inspanningstolerantie en duurbelastbaarheid beschikt, de prikkelgevoeligheid van de luchtwegen, door specifieke en aspecifieke prikkels, maakt dat de longfunctie frequent veel beperkter is. In de e-mail van 27 februari 2026 hebben de artsen van het Team SMA hierop gereageerd. In deze e-mail is onder meer vermeld dat de gevoeligheid voor aspecifieke prikkels niet naar voren komt uit de medische informatie. De artsen zien geen reden om van het eerdere advies terug te komen. In zijn nadere rapport van 26 maart 2026 heeft [arts 2] op deze e-mail gereageerd. Hierin is onder meer vermeld dat [arts 2] de conclusie van de artsen van het Team SMA dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, niet redelijk vindt en niet passend bij de medische situatie van verzoeker. [arts 2] heeft er in zijn nadere rapport op gewezen dat een maximale loopafstand altijd een schatting is en dat de geschatte maximale afstand van 100-250 op zijn beperktst nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft dit nadere rapport niet voorgelegd aan een arts van het Team SMA.
19. Hoewel het nadere rapport van [arts 2] op het punt van de aspecifieke prikkels niet geheel duidelijk is, heeft de voorzieningenrechter toch te veel twijfel aan de juistheid van de door de artsen van Team SMA getrokken conclusie dat verzoeker in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Hierbij is met name ook het volgende van belang. Uit het medisch advies van 4 augustus 2025 blijkt dat de arts van het Team SMA zelf ook uitgaat van een forse en aantoonbare loopbeperking als gevolg van de chronische luchtwegaandoening van verzoeker. Verder staat in het advies: “Schatting van de maximale loopafstand: 100-250 meter”. De arts schat dus in dat verzoeker in het slechtste geval maximaal 100 meter lopend kan overbruggen. Daarvan uitgaande zou verzoeker wél in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dat is immers het geval als verzoeker niet in staat is om zelfstandig een afstand van “meer dan” 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Ook als de schatting van de maximale loopafstand zo moet worden begrepen dat verzoeker wel iets meer dan 100 meter zou moeten kunnen lopen, neemt dit de twijfel niet weg. De geschatte maximale afstand komt dan nog steeds heel dicht bij de afstand die wel recht geeft op een gehandicaptenparkeerkaart.
20. De voorzieningenrechter betrekt verder bij zijn oordeel dat bovenaan de reactie van de artsen van het Team SMA op het rapport van [arts 2] is vermeld: “Nee, deze contra-expertise geeft geen aanleiding het eerdere advies te herzien. Allereerst het is afkomstig van een commercieel adviesbureau. Deze moet u per definitie direct opzij leggen.” Hoewel het college hiervan in het bestreden afstand heeft genomen en heeft benadrukt dat de artsen wel inhoudelijk op het rapport van [arts 2] zijn ingegaan, draagt deze opmerking niet bij aan het vertrouwen dat het rapport van [arts 2] voldoende serieus is genomen.
21. Er bestaat al met al op dit moment te veel twijfel of het bestreden besluit in beroep stand zal houden. Nu daarnaast verzoeker vóór 3 oktober 2025 jarenlang wel over een gehandicaptenparkeerkaart heeft beschikt en hij genoegzaam heeft toegelicht dat het ontbreken van een zo’n kaart voor hem een substantiële belemmering van zijn mobiliteit betekent, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudend dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.Conclusie en gevolgen
22. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het rapport van [arts 2] is ook in de beroepsprocedure ingediend. Over de vraag of het college ook de kosten van dat rapport dient te vergoeden, zal in de beroepsprocedure een beslissing genomen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
treft de voorlopige voorziening dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken na de uitspraak op het beroep;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.
In het medische advies is verwezen naar Richtlijn gehandicaptenkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid.
Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1609.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516, en van de Raad van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2238.