ECLI:NL:RBROT:2026:7412
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK Rotterdam
Team handel & haven
Zaaknummer: C/10/700708 / HA ZA 25-455
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.E. Epping,
tegen
1.. [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. S. de Wit, 2.[gedaagde 2], handelend onder de naam[handelsnaam],
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. T. Abbo,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen.
1. De zaak in het kort
[eiser] heeft vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser] stelt dat hij recht had op hulp van die partijen en dat hij onvoldoende hulp van hen heeft gekregen. Daardoor heeft hij zijns inziens schade geleden. Hij grondt zijn vorderingen op wanprestatie, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zijn vorderingen zijn niet deugdelijk onderbouwd. Daarom is het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vrijwel onmogelijk om de aan hen gemaakte verwijten te onderzoeken en om daarover in rechte een zinvol debat te voeren. [eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld. Hierna worden de genomen beslissingen nader toegelicht.
2. De procedure
2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen van 27 mei 2025, met producties 1 t/m 8; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 t/m 8;
de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 en 2; - de brieven van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
het bericht van 23 oktober 2025 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;
de aanvullende producties 9 t/m 21 van [eiser] ;
de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] .
2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
3.1..
[eiser] is afkomstig uit Liberia, vanwaar hij is gevlucht voor een oorlog. In 2003 heeft hij zich in Nederland gevestigd. Hij is analfabeet, spreekt geen Nederlands en lijdt aan dyspraxie waardoor spreken überhaupt moeilijk is. In 2021 is hij gediagnosticeerd als autistisch.
3.2.. Via het COA kwam [eiser] in 2006 terecht bij [gedaagde 2] . [eiser] en [gedaagde 2] hebben afspraken gemaakt op basis waarvan [gedaagde 2] – kort gezegd – [eiser] zou helpen bij zijn integratie in de maatschappij, onder andere door begeleiding bij het regelen van huisvesting en financiën.
4. Het geschil
4.1..
[eiser] vordert een verklaring voor recht waaruit blijkt dat gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade met verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
4.2..
[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende hulp heeft gekregen van gedaagden. Hij benoemt in dat kader vijf voorbeelden, hieronder geciteerd uit de spreekaantekeningen van [eiser] :
[eiser] moest op het kantoor van Woonbron tekenen voor een woning, die woning had hij nooit gezien. Van hem werd verwacht dat hij direct de huur zou voldoen. [eiser] was echter met lege handen bij de COA weggegaan en had geen inkomen of uitkering. [gedaagde 2] noch [gedaagde 1] hebben hem hierin bijgestaan;
[eiser] kwam terecht in een woning zonder gas, water en licht. Onbekend met het systeem van Nederland en de taal heeft hij maandenlang zonder deze voorzieningen geleefd;
[eiser] heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij een zoon heeft die hij naar Nederland wilde halen, hierin werd hem geen ondersteuning geboden terwijl [eiser] met eigen ogen heeft waargenomen dat derden deze hulp wel geboden kregen. Deze derden spraken de taal beter dan [eiser] ;
Drie jaar lang heeft [eiser] van 50 euro per maand moeten leven vanwege een aanmelding bij de Kredietbank voor vele schulden, maar na die drie jaar waren de schulden niet opgelost, sterker nog, die waren alleen maar opgelopen;
Er werd met de identiteit van [eiser] gefraudeerd. [eiser] moest zijn papieren/documenten inleveren bij [gedaagde 2] . Later zou hij van [gedaagde 1] een brief krijgen dat hij in Apeldoorn zou werken (terwijl hij in Rotterdam en/of Eindhoven woonde) en daarom geen uitkering kreeg. Het bedrijf in Apeldoorn kende hem echter niet. Het simpele antwoord van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was: “je bent een fraudeur, we kunnen je niet helpen.”
4.3.. Aan zijn vorderingen legt [eiser] primair ten grondslag dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeengekomen plannen. [eiser] stelt daardoor (vooral emotionele) schade te hebben geleden. Subsidiair grondt [eiser] zijn vordering op onrechtmatige daad. Daartoe stelt hij dat gedaagden in strijd met “de overeenkomst” hebben gehandeld en in strijd met ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer. Meer subsidiair voert [eiser] aan dat gedaagden, in het bijzonder [gedaagde 2] , ongerechtvaardigd is/zijn verrijkt ten koste van hem omdat [gedaagde 2] voor de hulpverlening budget heeft gekregen maar aan [eiser] geen hulp is verleend.
4.4.. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten de stellingen van [eiser] , voeren aan dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en beroepen zich op verjaring. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde 1] verzoekt de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente als die kosten niet binnen 14 dagen na het vonnis zijn betaald.
5. De beoordeling
5.1.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Voor de primaire en subsidiaire grondslag geldt dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Voor de meer subsidiaire grondslag geldt dat de juridische redenering ondeugdelijk is. Dat wordt hierna toegelicht.
Primaire en subsidiaire grondslag: [eiser] voldoet niet aan zijn stelplicht
5.2..
[eiser] stelt dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op hem rust de stelplicht. Dat houdt in dat hij alle feitelijke elementen moet stellen die benodigd zijn voor het intreden van de door hem beoogde rechtsgevolgen. Die stellingen moet hij in voldoende mate concretiseren. Anders gezegd: het is aan [eiser] om concreet te onderbouwen wat gedaagden verkeerd zouden hebben gedaan. Dat geldt temeer nu het gaat om vermeende tekortkomingen dan wel onrechtmatige daden uit een inmiddels vrij ver verleden. Dat brengt immers mee dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitermate lastig is om de relevante feiten te achterhalen.
5.3..
[eiser] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. De voorbeelden die hij heeft genoemd zijn niet concreet genoeg. Zo blijkt nergens uit op wie van gedaagden welke specifieke contractuele verplichting rustte en waarom die gedaagde ten aanzien van die verplichting is tekortgekomen. [eiser] lijkt ervan uit te gaan dat ieder probleem waarop hij bij zijn inburgering is gestuit opgelost had moeten worden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat waar dergelijke problemen niet of niet snel genoeg zijn opgelost dat per definitie een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] oplevert. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke concrete contractuele verplichtingen van welke van gedaagden een dergelijk vergaande verantwoordelijkheid meebrengen. Hij heeft ook anderszins niet aangetoond welke afspra(a)k(en) gedaagden toerekenbaar zouden hebben geschonden. Ook blijft onduidelijk waar de vermeende onrechtmatige da(a)d(en) uit zou(den) hebben bestaan. Het had op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wat hij gedaagden precies verwijt. [eiser] stelt dat er naast de door hem genoemde (maar niet voldoende uitgewerkte) voorbeelden nog “talloze voorbeelden” te noemen zijn, maar hij benoemt die voorbeelden vervolgens niet. Door zijn stellingen onvoldoende te concretiseren maakt [eiser] het vrijwel onmogelijk voor gedaagden om zich adequaat te verdedigen. Gedaagden hebben dus terecht aangevoerd dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Meer subsidiaire grondslag: de juridische redenering is ondeugdelijk
5.4.. De vordering kan ook niet worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking zoals beschreven in artikel 6:212 BW. Daarvoor is immers onder meer vereist dat sprake is van verarming van [eiser] . Als [gedaagde 2] ten onrechte budget van [gedaagde 1] niet zou hebben gebruikt voor hulpverlening aan [eiser] (zoals [eiser] stelt), dan is er geen sprake van verarming van [eiser] in juridisch relevante zin. [eiser] heeft immers niet betaald voor de hulpverlening. Voor de stelling dat [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [eiser] in het geheel niets aangevoerd.
Ten slotte
5.5.. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Het komt de rechtbank voor dat de verwachtingen van [eiser] over de mogelijkheden van gedaagden om zijn problemen voor hem op te lossen, te optimistisch zijn geweest. [eiser] kwam in aanmerking voor zorg. Die is in uren geïndiceerd in WMO-beschikkingen. In sommige perioden was dat 0,5 uur en in sommige perioden 2 uur per week, zo heeft [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd. De zorg die kon worden geboden was niet van zodanige omvang dat van een hulpverlenende instantie als [gedaagde 2] kon worden verwacht dat zij onder meer alle mogelijke praktische problemen zou oplossen. Dat is ook niet de taak van die instantie, noch van [gedaagde 1] .
5.6..
[eiser] heeft aangevoerd dat zijn problemen zijn opgelost sinds hij zijn vrouw heeft leren kennen. Zijn vrouw is in feite zijn mantelzorger en biedt hem een mate van zorg en begeleiding die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet (hebben) kunnen bieden, in ieder geval niet op basis van de gestelde WMO-indicaties. [eiser] had kennelijk behoefte aan een mate van zorg die niet door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] wordt verleend. Dat het leven van [eiser] na zijn vestiging in Nederland niet is gelopen zoals hij had gewild, betekent niet dat hij schade heeft geleden waarvoor gedaagden uit wanprestatie of onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.
5.7.. Opmerking verdient dat [gedaagde 2] gemotiveerd heeft gesteld dat zij in de loop der jaren wel degelijk hulp heeft verleend aan [eiser] en dat [eiser] daar ook baat bij heeft gehad. [gedaagde 2] heeft in dat kader concrete voorbeelden genoemd die door [eiser] niet zijn weersproken. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank echter niet inhoudelijk ingaan op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd.
Proceskosten
5.8..
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ieder afzonderlijk, worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
5.9.. De door [gedaagde 1] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 1] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 3533 / 1729