ECLI:NL:RBROT:2026:7861
Résumé de l'Affaire
Strafrecht
Uitspraak
Dordrecht
Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/152408-24
Datum uitspraak: 1 april 2026
Datum zitting: 18 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
Advocaat van de verdachte: mr. E.R. Weegenaar
Officier van justitie: mr. J. du Chatinier
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. De rechtbank legt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden op, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren en enkele bijzondere voorwaarden.1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij opzettelijk brand heeft gesticht (primair), dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling (subsidiair).
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 5 mei 2024 te Zwijndrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een garagebox, gelegen aan de Dahliastraat, door open vuur in aanraking te brengen met een of meer kaars(en) en/of daar (vervolgens) brandgel bij/op te doen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voor zich in die garagebox bevindende goederen en/of voor die garagebox zelf en/of voor belendende garageboxen en/of woningen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een/de zich in die belendende woningen bevindende perso(o)n(en)en te duchten was subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 mei 2024 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk een garagebox, gelegen aan de Dahliastraat ( [nummer] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt2. Bewijs2.1..
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde.2.2..
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de brandstichting, zodat hij moet worden vrijgesproken. Daarnaast was er geen sprake van gevaar voor personen, zodat hij in ieder geval van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Het is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting. De volledige bewezenverklaring is vermeld onder 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik op 5 mei 2024 in Zwijndrecht in een gesloten garagebox een vuur heb ontstoken. Ik heb een vuur gemaakt met kaarsen en daar brandgel aan toegevoegd. Ik heb het omrasterd met een houten constructie. Dit was een soort provisorische open haard. Op enig moment stond die houten constructie ook in brand.
2. Proces-verbaal van de politie
De brand was ontstaan in een garagebox welke naast de toegang van de portiekflat
gevestigd was. De verdachte die het brandje aan het stoken was, heeft toen de brand
uit de hand liep, 112 gebeld. De meldkamer heeft toen geadviseerd om de garagebox
te verlaten en de deur van de garagebox te sluiten. Hierdoor is de zuurstof en
daardoor de brand qua hevigheid wat verminderd, maar door de slechtere verbranding is
de rookontwikkeling en koolmonoxide ontwikkeling toegenomen. Echter was de deur in
het slot gevallen, waardoor de brandweer niet direct de garagebox binnen kon komen om
te blussen. Zij hebben een gat moeten maken, om de garagebox te betreden. Het trappenhuis van de portiekflat stond vol met rookontwikkeling. Ook was er rookontwikkeling in diverse woningen. Het betrof een portiekflat met 4 verdiepingen en 8 woningen. Eén van de bewoners was wakker en zag de rookontwikkeling. Vervolgens hebben de bewoners zichzelf in veiligheid gebracht. De brandweer heeft gecheckt of alle bewoners in veiligheid
waren. Ook is de koolmonoxide in de woningen gemeten. Dit was ver boven de waarde van
25 Parts Per Million (p.p.m.) Voor de duidelijkheid: Als bij een cv-ketel 5 p.p.m.
wordt gemeten dien je de installatie direct uit bedrijf te nemen. De koolmonoxide was dus veel te hoog in de woningen en in het trappenhuis, waardoor dit gevaar op heeft geleverd voor de bewoners dan wel personen die zich in de portiekflat bevonden.
3. Proces-verbaal van aangifte
Op het moment dat ik vandaag ter plaatse kwam zag ik bij het openen van de schuifdeur dat er meerdere fietsen, scooter en een aanhangwagen met diverse goederen erop in de garagebox stonden. Tevens zag ik dat er meerdere roetvlekken op de muren van de garagebox zaten. Tevens hing er een enorme rooklucht in de garagebox. Ik weet zeker dat in de garagebox, op het moment dat de garagebox werd verhuurd, deze schade niet aanwezig was.2.3.2..
Bewijsmotivering
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 5 mei 2024 in een garagebox te Zwijndrecht een vuur heeft ontstoken. De verdediging heeft betwist dat de verdachte met opzet brand heeft gesticht. De intentie van de verdachte was om slechts een klein vuur te maken, zodat hij zichzelf daaraan kon opwarmen.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij een vuur heeft gemaakt met kaarsen en dat hij dit vuur heeft vergroot door daar brandgel aan toe te voegen. De verdachte heeft verklaard dat hij de vuurhaard heeft omrasterd met een houten constructie om de gel niet te laten wegstromen. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat brandgel licht ontvlambaar is en dat hout brandbaar is. Deze zaken zijn niet bestemd om in deze combinatie, in een garagebox, in brand te worden gestoken. Gezien de door de verdachte gebruikte materialen en de gebouwelijke situatie (de garagebox was gelegen onder portiekwoningen en het portiek bestond in totaal uit acht woningen) was naar algemene ervaringsregels het gemeen gevaar voor goederen voorzienbaar. Hetzelfde geldt voor het levensgevaar voor een ander, waarbij de rechtbank nog specifiek wijst op de rookontwikkeling en de aanwezigheid van koolmonoxide-waardes die ver boven het toelaatbare niveau lagen. Dat de verdachte dit wellicht niet heeft voorzien, is daarbij niet van belang (vgl. Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653)
2.3.3.. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Primair:
hij op 5 mei 2024 te Zwijndrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een garagebox, gelegen aan de Dahliastraat, door open vuur in aanraking te brengen met een of meer kaarsen en daar (vervolgens) brandgel bij te doen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voor zich in die garagebox bevindende goederen en voor die garagebox zelf en voor belendende garageboxen en woningen, en - levensgevaar = voor (een)ander(en), te weten een/de zich in die belendende woningen bevindende perso(o)n(en) te duchten was.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Primair: meerdaadse samenloop van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is
3.2..
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1..
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het over de verdachte opgemaakte rapport van 12 september 2025.4.2..
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en daarom de door de officier van justitie neergelegde eis flink te matigen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..
Ernst en omstandigheden van het feit /de feiten
De verdachte heeft brand gesticht door in een garagebox kaarsen aan te steken en dit vuur te voorzien van brandgel en een houten constructie. Door de brand is er gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen ontstaan. Als gevolg van door de verdachte gestichte brand hebben de aanwezige bewoners van de portiekwoningen deze voor hun veiligheid moeten verlaten. Hoewel het dossier daar nagenoeg geen gegevens over bevat, ligt het zeer voor de hand dat het handelen van de verdachte gevoelens van angst en ongerustheid bij voornoemde bewoners en andere bewoners van de Dahliastraat teweeg zal hebben gebracht. Verder is sprake geweest van rookontwikkeling, en daarmee niet alleen van overlast maar ook met voor de bewoners van de portiekwoningen gepaard gaand gevaar.4.3.2..
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 7 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Reclasseringsadvies en verklaring op de zitting
In het rapport van Reclassering Nederland van 12 september 2025 staat onder meer het volgende.
De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Zij ziet de leefgebieden middelengebruik en psychosociaal functioneren als direct delictgerelateerde factoren. Zo was de verdachte ten tijde van het delict onder invloed van speed. Wanneer de verdachte dit gebruikt, lijkt hij ondoordachte en impulsieve beslissingen te nemen, waarbij risicovolgedrag ten aanzien van brandstichting vaker voort lijkt te komen (zo ook in de begeleide woonvorm waar hij tot voor kort verbleef). De verdachte lijkt de ernst van zijn (delict)gedrag onvoldoende in te zien. Omdat dit mogelijk voortkomt uit problematiek op het gebied van zijn psychosociaal functioneren, ziet de reclassering de houding van de verdachte als mogelijk delictgerelateerde factor.
Binnen de onderhavige zaak is er sprake van een schorsingstoezicht bij Fivoor reclassering. Dit toezicht verloopt moeizaam. De verdachte woonde een periode bij een begeleide woonvorm van Antes. Echter, op 22 juli 2025 is dit traject beëindigd, omdat hij zich herhaaldelijk niet aan de regels van de begeleide woonvorm heeft gehouden. Gedurende het schorsingstoezicht is daarnaast gepoogd behandeling bij Fivoor FACT van de grond te krijgen, onder andere met het doel diagnostiek bij hem af te nemen. Mede wegens het forse middelengebruik van de verdachte en zijn ongemotiveerde houding is dit uiteindelijk niet gelukt. De behandeling is op 28 juli 2025 voortijdig beëindigd.
Gelet op de zorgen en de risico’s op toekomstig delictgedrag, ziet de reclassering een noodzaak tot het voortzetten van een reclasseringstoezicht. Binnen het schorsingstoezicht is echter gebleken dat het de verdachte niet lukt om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden. De reclassering ziet op dit moment een langdurige klinische opname daarom als laatste mogelijkheid om stabiliteit in het leven van de verdachte teweeg te brengen en de risico’s op delictgedrag te beperken. Gedurende een klinische opname dient ingezet te worden op zijn verslavingsproblematiek. Daarnaast kan diagnostiek worden afgenomen, waarna eventuele psychopathologie kan worden behandeld en een passend nazorgtraject kan worden opgesteld. De verdachte staat ambivalent tegenover een klinische opname, wat vermoedelijk zijn grondslag vindt in zijn onwil om voor langere (nog onbepaalde) tijd zonder middelengebruik te leven. Toch lijkt de verdachte hier in groeiende mate voor open te staan.
Op de zitting heeft [de getuige] , werkzaam bij Reclassering Nederland, (hierna: de getuige) aanvullend over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verklaard. De getuige heeft verklaard dat het ambulante kader bij de reclassering is uitgeput en dat er een indicatiestelling voor een klinische opname is afgegeven. De verdachte kon terecht bij een kliniek in [plaats 1] , maar staat nu op de wachtlijst voor de kliniek in [plaats 2] , omdat dit dichter bij [plaats 3] is. Voor de verdachte is het belangrijk dat hij behandeling krijgt, waarna hij direct kan doorstromen naar een passende woonvorm.4.3.3..
Oplegging straf
Mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd rechtvaardigt de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter aanleiding om de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er zorgen bestaan ten aanzien van de bovenmatige interesse en genegenheid van de verdachte voor het starten van vuur, dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte dusdanig zijn dat hulp in de vorm van een klinische opname – waarvan de noodzaak is benadrukt door de reclassering – moet prevaleren boven vergelding en dat de verdachte thans een meewerkende houding heeft ten opzichte van een klinische opname. De rechtbank koppelt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren. De rechtbank verbindt hieraan de voorwaarden die hierna worden genoemd. Deze voorwaardelijke straf dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen
De rechtbank:
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
De verdachte meldt zich op afspraken bij Fivoor reclassering, op Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak. Binnen dit toezicht werkt de verdachte aan bewustwording van zijn levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe volgt de verdachte de begeleidingsmodule Stap voor Stap.
2. Opname in een zorginstelling
De verdachte laat zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen en/of controle op het innemen van de medicatie, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start wanneer de reclassering dit nodig acht. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie en/of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. (De rechtbank: de verdachte heeft zich daartoe bereid verklaard.)
4. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de reclassering dit noodzakelijk acht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.
5. Meewerken aan middelencontrole
De verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
de verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.
Mr. E.P. de Jong is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Verklaard tijdens de zitting van 18 maart 2026.
Proces-verbaal van bevindingen, [proces-verbaalnummer 1] .
Proces-verbaal van aangifte: [proces-verbaalnummer 2]