[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-7862":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-7862":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1374","ECLI:NL:RBROT:2026:7862","",59,"Dordrecht","dordrecht","2026-04-01T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F169396-25\n\nDatum uitspraak: 1 april 2026\n\nDatum zitting: 18 maart 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats 1]\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats]\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. W.J. Backer\n\nOfficier van justitie: mr. J. du Chatinier\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van zijn ex-partner (hierna; de aangeefster) en verboden vuurwapenbezit. De verdachte wordt wel veroordeeld voor belaging van de aangeefster en voor bedreiging van een collega van haar (hierna: de aangever). De rechtbank legt hiervoor aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren en enkele bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank legt aan de verdachte verder een taakstraf op voor de duur van 80 uren. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\n1 hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] bij de keel\u002Fnek heeft vastgepakt en\u002Fof vervolgens de keel heeft dichtgeknepen en\u002Fof op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 23 mei 2025 te Schiedam, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] bij de keel\u002Fnek vast te pakken en\u002Fof vervolgens de keel dicht te knijpen en\u002Fof op het hoofd te slaan;\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 te Schiedam en\u002Fof te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door - een groot aantal tekstberichten, spraakberichten, foto's en\u002Fof video's naar die [aangeefster] te sturen, - die [aangeefster] meermaals te (video)bellen, en\u002Fof - meermaals naar het werk van die [aangeefster] te gaan, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\n3 hij op of omstreeks de 31 mei 2025 te Rotterdam, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door naar zijn broeksband en\u002Fof onder zijn shirt te grijpen en\u002Fof vervolgens schietbewegingen met zijn hand te maken;\n\n4 hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Schiedam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool met schietbeker zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging (feiten 2 en 3). De volledige bewezenverklaring is vermeld onder 2.3.4. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 29 mei was ik ineens geblokkeerd op WhatsApp. Desgevraagd beaam ik dat via twee andere nummers ook nog berichten heb gestuurd, dat was niet handig. Ik heb nog een andere mobiel en ik heb een extra nummer erbij genomen toen ik wist dat ik geblokkeerd was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]\n\nNa 23 mei 2025 ontvang ik dagelijks whatsapp berichten van [verdachte] . [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In de berichten schrijft [verdachte] dat hij mij terug wil en dat het hem spijt. [verdachte] stuurde foto's dat hij zichzelf in zijn arm had gesneden en een foto van heel veel medicijnen. Ik heb [verdachte] een bericht terug gestuurd dat hij moest stoppen en dat ik moest werken. Ik stuurde hem ook dat ik niet met hem wilde praten en dat hij beter met zijn vader kon gaan praten. Ik heb [verdachte] meerdere malen geantwoord dat ik niet meer met hem wilde praten.\n\n [verdachte] stuurde ook spraakberichten of probeerde video te bellen met mij. [verdachte] kon via Snapchat mijn locatie zien en stuurde mij foto's dat hij mij aan het zoeken was. [verdachte] bleef maar berichten, filmpje, foto's en spraakberichten sturen. De berichten ontving ik overdag maar ook in de nacht. Ik denk in totaal wel 100 berichten. Ik denk dat ik op woensdag 28 mei 2025 [verdachte] op advies van de Politie heb geblokkeerd.\n\nVervolgens begon [verdachte] met een andere telefoonnummers mij lastig te vallen. [verdachte] gebruikte hiervoor de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Ik ontving filmpjes van [verdachte] waarop hij huilt en mij smeekte om terug te komen. Ook probeerde hij weer te videobellen en stuurde tekstberichten.\n\nOp 30 mei 2025 ontving ik van [verdachte] een foto. Op de foto is [bedrijf] te zien waar ik op dat moment aan het werk was. [verdachte] schreef bij de foto dat hij mij met iemand anders had gezien. [verdachte] stuurde een spraakbericht waarop te horen is dat hij mij beschuldigd dat ik met een andere man was. Ik was heel bang en heb aan een collega gevraagd om de politie te bellen. De politie is ook ter plaatse geweest.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, aanvullende aangifte [aangeefster]\n\nOp 23 mei 2025, de eerste nacht toen ik weg ben gegaan van huis, berichtte en\n\nbelde [verdachte] mij heel vaak. [verdachte] stuurde toen een foto van zijn arm. Ik zag op\n\ndie foto dat hij meerdere sneden had in zijn arm. Hij stuurde bij de foto van zijn\n\narm een bericht met daarin: kom terug, hij smeekte het mij. Hij stuurde ook een foto\n\nvan veel medicijnen. Daarbij had hij een tekst erbij gezet met \"loved you\". Voordat hij een foto stuurde van zijn arm, zei hij in een bericht over de Whatsapp tegen mij: \"I don't care if i die\"\n\nOp 24 mei 2025 en 25 mei 2025 stuurde [verdachte] mij meer dan 100 berichten met zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dit was overdag en 's nachts. Ik zei dat hij mij met rust moest laten en zijn rust moest pakken.\n\nOp 26 mei 2025 stuurde [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , een video. Hierin zei hij in de Engelse taal: \"Come outside for a bit, i love you\". Hierna begon [verdachte] mij met een andere, voor mij onbekende telefoonnummers lastig te vallen. Ik weet zeker dat dit de telefoonnummers van [verdachte] zijn, omdat hij hierin video's met zijn gezicht stuurt of mij smeekt te reageren. [verdachte] gebruikte hiervoor de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Hij stuurde ook mijn moeder en zus berichten, dat ik vreemd zou gaan.\n\nOp 30 mei 2025 ontving ik op (de rechtbank begrijpt: “van”) telefoonnummer [telefoonnummer 2] filmpjes van [verdachte] waarop hij huilt en mij smeekte om terug te komen. Omstreeks 23:59 uur, ontving ik\n\nvan [verdachte] een foto. Op de foto is [bedrijf] te zien waar ik op dat moment aan het\n\nwerk was. [verdachte] schreef bij de foto dat hij mij met iemand anders had gezien.\n\n [verdachte] stuurde een spraakbericht waarop te horen is dat hij mij beschuldigd dat ik\n\nmet een andere man was.\n\n4. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nOp 2 juni 2025 heb ik een schriftelijke klacht ontvangen ter zake: stalking door ex-vriend. Blijft contact opnemen terwijl zij dat niet wilt.\n\nDe klacht werd gedaan door:\n\nAchternaam [achternaam aangeefster]\n\nVoornamen [voornamen aangeefster]\n\nDe klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over\n\nte gaan.\n\n5. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nIk stelde de communicatie veilig van de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Ik stelde de communicatie veilig van in totaal vier WhatsApp gesprekken. Dit gaat om de volgende contacten:\n\n [verdachte] ,\n\n56 audioberichten, 9 video's, 11 foto's\u002Fafbeeldingen en een grote hoeveelheid tekstberichten\n\nIk zag dat er constant over en weer communicatie was tussen aangeefster en [verdachte] .\n\nIk zag in de chatgeschiedenis dat aangeefster [verdachte] blokkeerde op 29 mei 2025 om 09.28 uur, deblokkeerde op 31 mei 2025 om 09.44 uur en dat zij vervolgens op het zelfde tijdstip weer [verdachte] gelijk blokkeerde.\n\n [telefoonnummer 3] ,\n\nIk las dat er alleen op 30 mei 2025 berichten werden verstuurd naar aangeefster.\n\nIk las dat er om 02.22 uur, verspreid over meerdere losse berichten werd gestuurd: \"honey, what the hell, why you blocked me, baby, querida?, I just remove my picture and you block me\". Ik las hierna dat er meerdere berichten werden gestuurd waarin de verzender zijn liefde voor aangeefster uitte.\n\nIk zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer op 30 mei 2025 om 03.02 uur blokkeerde.\n\n [telefoonnummer 2] ,\n\n6 audioberichten, 3 video's en 1 foto\u002Fafbeelding en chatgeschiedenis op 30 en 31 mei 2025.\n\nIk beluisterde de audioberichten en ik hoorde dat dit exact dezelfde stem was als in de audioberichten in de communicatie met [verdachte] . Ik bekeek tevens ook de 3 video's die waren gestuurd naar aangeefster. Ik zag op deze video's een persoon die in selfiemodus de video's had opgenomen. Ik herkende deze persoon als verdachte [verdachte] .\n\nIk bekeek en beluisterde alle communicatie tussen bovenstaand nummer en aangeefster.. Ik las dat op 31 mei 2025 verspreid over meerdere berichten naar aangeefster werd gestuurd: \"I saw you, babe i fcking saw hou6, you\". Ik zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer blokkeerde op 31 mei 2025 om 12.12 uur.\n\n [telefoonnummer 4] .\n\nIk las dat er alleen op 30 mei 2025 berichten werden verstuurd naar aangeefster.\n\nIk las dat er 4 berichten werden verstuurd naar aangeefster.\n\nIk zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer op 30 mei 2025 om 18.35 uur blokkeerde.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever]\n\nOp 31 mei 2025 was ik als receptionist aan het werk in [bedrijf] aan [adres 2] te Rotterdam. Mijn collega [aangeefster] is zijn ex-partner. Rond 16:00 uur parkeerde een zwarte Mercedes bij ons voor de deur. Ik zag een man mijn kant op staren en ineens herkende ik hem van een incident dat gisteren was gebeurd.\n\nIk had oogcontact met de man en dit duurde wel even. De man bleef ongeveer vijf minuten buiten in de auto zitten. Toen stapte hij uit en leunde tegen zijn auto en keek hij [bedrijf] in, gericht naar mij. Ik zag dat toen hij uitstapte hij meteen zijn hand naar zijn kruis bracht. Ik zag dat hij zijn hand onder zijn shirt deed en bij zijn kruis hield. Ik zag bij zijn kruis de contouren van, wat op mij overkwam, als een pistool.\n\nIk zag en hoorde dat hij iets riep, maar ik kon hem niet verstaan omdat de deur van [bedrijf] dicht was. Ik riep naar hem: \"Wat zei je?\". Daarop zag ik dat hij zijn hand naar de slaap van zijn hoofd bracht en schietbewegingen maakte.\n\nIk deed de deur van [bedrijf] op slot want er waren gasten binnen en die waren volledig in paniek, het was heel hectisch. Ik schrok van wat de man deed en voelde mij enorm bedreigd.\n\nDe man zag er vandaag als volgt uit:\n\n- man;\n\n- blank;\n\n- klein beetje een dubbele kin;\n\n- ongeveer 1.80m lang;\n\n- wit shirt aan;\n\n- korte, blauwe joggingsshort;\n\n- witte sneakers.\n\nOp 30 mei 2025, was ik ook bedreigd door dezelfde man. Gisteren ging het als volgt. Ik kwam rond 15 uur op mijn werk en toen stond deze man schuin voor [bedrijf] . Op gegeven moment zag ik dat hij in de deuropening stond. Ik zei tegen hem dat ik politie ging bellen. Ik hoorde dat hij zij: \"Hou je kankerbek joh neger voordat ik je door je hoofd schiet\". Ik zei dat hij weg moest gaan en ik de politie ging bellen. Ik hoorde dat de man zei: \"Bemoei niet, morgen kom ik je door je hoofd schieten, wacht maar \".\n\nIk was echt bang voor de veiligheid van mij en mijn gasten. Ook de gasten zijn mijn verantwoordelijkheid en de lobby zat gewoon vol. Vandaag had ik ook echt het idee dat hij een vuurwapen bij zich had. Dan denk je wel van zo, dit had ook anders af kunnen lopen. Ik had ook eerder van mijn collega [aangeefster] gehoord, dat deze man echt een pistool had.\n\n7. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nIk opende het in dit onderzoek ter beschikking gestelde videomateriaal, opgenomen door beveiligingscamera’s van [bedrijf] aan [adres 2] te Rotterdam.\n\nIk zag dat er rechtsboven in het beeld 31 mei 2025 \u002F 15:41:14 stond. Ik zag dat er een zwarte auto geparkeerd stond op de busbaan, direct voor [bedrijf] . Ik zag dat je de zijkant van de auto kon zien. Ik kon het kenteken niet zien. Ik zag dat er een persoon aan de bestuurderszijde stond. Ik zag dat de persoon over de auto heen hing en in de richting van [bedrijf] keek.\n\nMij is bekend dat dit verdachte [verdachte] betreft. Ik bekeek een foto in de politiebevragingssystemen en herkende Berkel aan zijn uiterlijke kenmerken zijnde gezichtsvorm en haar. Ik zag dat de persoon op de beelden [verdachte] betrof.\n\n Ik zag dat om 15:41:17 uur, [verdachte] wegliep bij zijn auto en naar het hek van [bedrijf] liep. Ik zag dat hij zijn rechterhand bij zijn broeksband hield. Ik zag dat [verdachte] lopend, richting [bedrijf] keek en ter hoogte van het trottoir bleef staan. Ik zag dat [verdachte] woorden riep, kijkend naar de voorzijde van [bedrijf] . Ik zag dat [verdachte] zijn hand al die tijd bij zijn broeksband hield. Ik zag dat [verdachte] omdraaide om weg te lopen. Ik zag dat hij na één stap weer omdraaide en iets riep richting [bedrijf] . Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand naar zijn voorhoofd boog en met twee vingers naar zijn hoofd wees. Ik zag dat [verdachte] hierbij wat riep. Ik zag dat [verdachte] hierna terug naar zijn auto liep. Ik zag dat hij hierbij zijn t-shirt naar beneden trok. Ik zag dat voordat [verdachte] in zijn auto stapte, hij weer met zijn rechterhand, wijs en ringvinger naar zichzelf wees en in de richting van [bedrijf] keek.2.3.2.. Bewijsmotivering (feiten 2 en 3)\n\nFeit 2\n\nVan belaging is sprake wanneer iemand opzettelijk een ander stelselmatig lastigvalt, waardoor inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De kern van het in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) neergelegde verbod bestaat uit de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Stelselmatigheid veronderstelt een herhaling van gedragingen, zoals iemand herhaaldelijk lastigvallen; dit kan door een en dezelfde activiteit, maar dit kan ook gevormd worden door de combinatie van verschillende gedragingen.\n\nDe verdachte en de aangeefster (tevens klaagster) hebben een relatie gehad, waarna de aangeefster op 23 mei 2025 bij de verdachte weg is gegaan. Vanaf dat moment heeft de verdachte de aangeefster vele malen gebeld dan wel geprobeerd te bellen en heeft hij haar tientallen berichten gestuurd. Bij enkele berichten stuurde hij ook foto’s mee waarop vele medicijnen en snijverwondingen op zijn arm te zien zijn. De aangeefster heeft deze berichten twee dagen lang genegeerd, maar heeft op enig moment toch gereageerd. Toen de aangeefster merkte dat de verdachte hier niet rustiger van werd, heeft zij hem geblokkeerd. De verdachte wist op dat moment dat de aangeefster hem had geblokkeerd, omdat hij zag dat zijn WhatsAppberichten niet aankwamen. Vanaf toen moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat de aangeefster geen contact met hem wilde. In de dagen daarna heeft de verdachte de aangeefster verschillende keren via andere telefoonnummers benaderd en heeft hij haar meerdere malen, soms meerdere keren per dag, opgezocht bij het hotelwaar zij werkte en verbleef. Daarnaast benaderde de verdachte ook familieleden van de aangeefster waarbij hij haar in Engelse berichten aan hen wegzette als hoer.\n\nHet handelen van de verdachte heeft zonder twijfel een negatieve psychische impact gehad op de aangeefster. Gelet op de frequentie van de gedragingen en de – naar objectieve maatstaven begrijpelijke – impact daarvan op de aangeefster en haar dagelijks leven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door zo te handelen, wederrechtelijk opzettelijk stelselmatig een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Uit het karakter van de bewezen verklaarde gedragingen van diverse aard, in samenhang bezien, volgt dat de verdachte daarbij ten minste het oogmerk heeft gehad de aangeefster te dwingen die gedragingen te dulden. Uit de verklaringen en de inhoud van de berichten van de verdachte blijkt dat hij ook oogmerk heeft gehad om aangeefster te bewegen iets te doen, namelijk om met hem te praten en om haar vrees aan te jagen (door de te suggereren dat hij zichzelf iets zou aandoen dan wel heeft aangedaan). Het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster wordt derhalve verworpen.\n\nFeit 3\n\nAnders dan de officier van justitie en de verdediging, oordeelt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging op 31 mei 2025. Op 30 mei 2025 was de verdachte ook bij [bedrijf] . Op die dag heeft hij zich bedreigend geuit tegen de aangever, waarbij hij heeft gezegd dat hij de aangever zou neerschieten. Op 31 mei 2025 stond de verdachte voor [bedrijf] , waarbij hij van afstand contact maakte met de aangever. De aangever zag dat de verdachte al lopend zijn handen bij zijn kruis hield en daarna dat de verdachte zijn hand naar zijn, verdachtes, slaap bracht en daarbij schietbewegingen maakte. Deze gebaren zijn ook opgenomen door camera’s van [bedrijf] . In het strafdossier is beschreven dat op deze beelden is te zien dat de verdachte zijn hand bij zijn broeksband hield, vervolgens zijn rechterhand naar zijn voorhoofd boog en met twee vingers naar zijn hoofd wees en hierbij wat riep. Het verweer van de verdachte dat hij zijn hand met twee vingers naar zijn hoofd bewoog om te kennen te geven dat de aangever gek is, wordt – gelet op de beschrijving van de (ook op zitting getoonde) beelden – verworpen.\n\nGelet op de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze zijn begaan, is de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.2.3.3.. Vrijspraak (feiten 1 en 4)\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen. Evenmin is de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.\n\nDe aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar in zijn woning bij haar keel heeft gegrepen, dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en dat hij haar hierna heeft geslagen tegen haar hoofd. De verdachte heeft dit alles ontkend. De verklaring van de aangeefster vindt te weinig steun in de overige bewijsmiddelen. In het dossier bevindt zich weliswaar een getuigenverklaring van de buurman van de verdachte, maar hij heeft de verweten handelingen niet gezien. Hij beschrijft voornamelijk de gemoedstoestand van de aangeefster kort nadat zij de woning van de verdachte had verlaten. Wat hij heeft verklaard over hetgeen in de woning van de verdachte zou zijn voorgevallen, heeft hij ‘van horen zeggen’. Over zijn waarneming dat de aangeefster toen een rood hoofd had, is hij niet nader bevraagd door de politie. De verklaring van de getuige wordt hierom niet gebruikt als steunbewijs. Het is de rechtbank overigens opgevallen dat de partner van de getuige, die toen ook in hun woning was, niet is gehoord. Ten aanzien van de diverse foto’s van de aangeefster in het dossier geldt dat niet steeds duidelijk is wanneer (en door wie) de foto’s zijn gemaakt. Reeds hierom kan hetgeen op een aantal foto’s door de politie is waargenomen niet zonder meer worden gekoppeld aan de ten laste gelegde datum. In het procesdossier bevinden zich kortom onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat de verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.\n\nFeit 4\n\nDe verdachte wordt ook vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 4. De rechtbank licht dit toe.\n\nDe opsteller van de tenlastelegging is ervan uitgegaan dat het onder de verdachte in beslag genomen vuurwapen een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) is. Deze tenlastelegging is klaarblijkelijk gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant, die opgeleid en bevoegd is tot het juridisch beschrijven van slag-steek-of stootwapens, imitatiewapens, gasbusjes, gas-alarmwapens of stroomstootwapens. Uit dit proces-verbaal volgt het volgende. De verbalisant heeft niet het daadwerkelijke inbeslaggenomen goed onderzocht, maar heeft diens beoordeling gebaseerd aan de hand van foto’s hiervan. Op de diverse foto's van het inbeslaggenomen goed heeft hij gezien dat het gaat om een alarmpistool dat een bruin beslag op de handgreep bevatte, met hierbij een duidelijk aanwezige schietbeker. Dit laatste is een externe loop, die op verschillende manieren op een alarm- of gaspistool bevestigd wordt, maar tot doel heeft om een voorwerp af te schieten. Doorgaans zijn dit seinkogels of andere vuurwerk gerelateerde stoffen, aldus de verbalisant. Omdat er een loop in de vorm van een schietbeker aanwezig was, valt dit alarmpistool zijns inziens onder de categorie vuurwapen.\n\nHet voorgaande is – bij gebrek aan nadere informatie over de categorie waaronder dit vuurwapen zou vallen – onvoldoende om vast te stellen dat het in dit geval gaat om een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wwm. Immers wordt enerzijds beschreven dat het ook na het toevoegen van de schietbeker een alarmpistool (categorie III onder 4 van de Wwm) betreft, maar anderzijds dat het desalniettemin thans beschouwd moet worden als een vuurwapen. Daarbij wordt slechts de algemene definitie van een vuurwapen weergegeven zoals ook vermeld in artikel 1 onder 3 van de Wwm, maar er is niet gespecificeerd of het dan een vuurwapen van de categorie II (onder 1 tot en met 4) zou betreffen of een vuurwapen van de categorie III onder 1. Bij gebrek aan nadere informatie is de ten laste gelegde categorisering niet wettig en overtuigend bewezen.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n 2 hij in de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 te Schiedam en te Rotterdam,\n\nwederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door - een groot aantal tekstberichten, spraakberichten, foto's en video's naar die [aangeefster] te sturen, - die [aangeefster] meermaals te (video)bellen, en - meermaals naar het werk van die [aangeefster] te gaan, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, tedulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\n3 hij op 31 mei 2025 te Rotterdam, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door naar zijn broeksband en onder zijn shirt te grijpen en vervolgens schietbewegingen met zijn hand te maken;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 2: belaging\n\nFeit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 18 december 2025. De verdachte moet daarnaast worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren. Tevens moet de zogenoemde 38v-maatregel aan de verdachte worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangeefster. Dit contactverbod dient dadelijk uitvoerbaar verklaard te worden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft er (uiterst) subsidiair op gewezen dat de verdachte reeds 32 dagen in voorarrest heeft gezeten, dat hij geschorst is onder voorwaarden en dat er dientengevolge geen ruimte meer gezien wordt voor een aanvullende straf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging. Hij heeft op verschillende manieren veelvuldig en indringend contact gezocht met de aangeefster, zijn ex-partner. Dit deed hij nadat zij aan hem te kennen had gegeven geen contact meer te willen en hem had geblokkeerd op haar telefoon. Daarnaast heeft de verdachte de aangeefster meerdere keren opgezocht bij haar werk en haar verblijfplaats. Door aldus te handelen, heeft de verdachte de grens van het toelaatbare overschreden en stelselmatig een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.\n\nVerder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Door het plegen van deze bedreiging heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de aangever, een collega van zijn ex-partner en bij gasten van [bedrijf] , nu de bedreiging zich ook voor hen zichtbaar heeft afgespeeld. De verdachte heeft daarvoor geen oog gehad, wat de rechtbank hem aanrekent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nHoewel uit de Screening Assessment for Stalking and Harassment (SASH)zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte een geschiedenis van (relationeel) geweld jegens anderen heeft, blijkt uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 februari 2026 dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nReclasseringsadvies\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 18 december 2025 staat onder meer het volgende.\n\nDe reclassering concludeert dat de verdachte in zijn huidige sociaal-maatschappelijke situatie beschikt over enkele beschermende factoren zoals een stabiele band met zijn ouders, zus en zoon. Tegelijkertijd ziet de reclassering risico-verhogende omstandigheden. Sinds vorig jaar is de verdachte zonder werk en is hij afhankelijk van een Ziektewetuitkering. Het ontbreken van een dagbesteding heeft geleid tot een verstoord dag- en nachtritme, een gebrek aan structuur en een verergering van zijn psychische problematiek. De verdachte heeft in het verleden contact gehad met psychologische zorginstellingen, maar er is geen sprake van een afgerond diagnostisch traject. Verdere diagnostiek acht de reclassering noodzakelijk om zicht te krijgen op onderliggende psychische problematiek, die mogelijk een rol speelt in het gedrag van de verdachte en zijn relationele patronen. De reclassering adviseert om te investeren in het creëren van een stabiel mentaal fundament. Dit omvat een uitgebreid diagnostisch onderzoek, gevolgd door passende behandeling, waaronder ook medicamenteuze ondersteuning. Wanneer er meer stabiliteit is bereikt, kan worden ingezet op het opbouwen van dagstructuur, het verkrijgen van werk of dagbesteding en het versterken van sociale en praktische vaardigheden. Dit kan bijdragen aan het verminderen van risico’s en het vergroten van het zelfinzicht van de verdachte en zijn handelings-mogelijkheden in toekomstige relaties en stressvolle situaties.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\n• Meldplicht bij de reclassering (na afspraak);\n\n• Ambulante behandeling en\n\n• Contactverbod.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van de feiten rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, nu de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert, ziet de rechtbank in de bewezenverklaring van slechts twee van de vier ten laste gelegde feiten en de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte openstaat voor hulp, op dit moment al aan traumabehandeling is begonnen en bereid is om mee te werken aan verdere diagnostiek. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nDe rechtbank ziet gelet op de huidige houding van de verdachte ten opzichte van hulpverlening geen meerwaarde in het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet evenmin meerwaarde in het opleggen van een 38v-maatregel, inhoudende het opleggen van een contactverbod met de aangeefster . Dit reeds om de reden dat de rechtbank een contactverbod met haar effectueert door middel van het opleggen van bijzondere voorwaarden.\n\nDe rechtbank zal daarnaast, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf. Echter, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 1 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht, komt zij tot de oplegging van een taakstraf die qua aantal uren lager is dan gevorderd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285, 285b Sr.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feiten 1 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3, zoals onder 2 omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden:\n\n1. Meldplicht bij reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\n2. Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door [zorginstelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op grensoverschrijdend gedrag in relationele context. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n3. Contactverbod\n\nDe verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1991 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ;\n\nverstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:\n\nde verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\nde verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;\n\ngeeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat (nog) 16 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. D.F. Smulders, voorzitter,\n\nen mrs. D. van der Sluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.\n\nMr. E.P. de Jong is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernummer] , pagina’s 1 - 110.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 18 maart 2026.\n\n Pagina’s 20-23.\n\n Pagina’s 61-66.\n\n Pagina 67.\n\n Pagina’s 34-36.\n\n Pagina’s 8-11.\n\n Pagina’s 37-39.\n\n Pagina 110\n\nPagina 107","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7862","ecli-nl-rbrot-2026-7862",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]