[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-7914":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-7914":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1507","ECLI:NL:RBROT:2026:7914","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-04-21T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 71-399555-24\n\nDatum uitspraak: 21 april 2026\n\nDatum zitting: 7 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] : [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] .\n\nAdvocaten van de verdachte: mrs. S. Weening en T.T.M. Bekx\n\nOfficier van justitie: mr. M. van Nes\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. M.R.M. Schaap\n\nLeeswijzer\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van betrokkenheid in 2020 bij een poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade, subsidiair uitlokking van bedreiging en meer subsidiair van bedreiging, telkens van het slachtoffer [slachtoffer] (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij in 2019 en 2020 als mededader betrokken is geweest bij de invoer van vier grote partijen cocaïne met een totaalgewicht van ruim 1.700 kilogram, subsidiair dat hij betrokken is geweest bij de voorbereiding en bevordering van die invoer (feiten 3 tot en met 6) en dat hij zich in 2025 heeft beziggehouden met voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van cocaïne (feit 2). De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.\n\nDe officier van justitie mag de verdachte vervolgen. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 uitgelegd.\n\nDe feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 zijn bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren\n\nstaan in hoofdstuk 3. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1.\n\nFeit 2 is niet bewezen. De argumenten die tot vrijspraak van dit feit hebben geleid staan ook in hoofdstuk 3.\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 56 maanden. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.\n\nIn hoofdstuk 6 staan de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen.\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering wordt deels toegewezen. In hoofdstuk 7 wordt deze beslissing uitgelegd.\n\nIn hoofdstuk 9 staan alle beslissingen in het kort.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\nfeit 1 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en\u002Fof inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en\u002Fof die personen\n\ndaartoe de:\n\n* adresgegevens en\u002Fof\n\n* een signalement en\u002Fof een foto van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer]\n\nheeft verstrekt;\n\nfeit 1 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en\u002Fof inlichtingen, heeft bewogen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling van [slachtoffer] , door die [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] :\n\n* de adresgegevens en\u002Fof\n\n* een signalement en\u002Fof een foto van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] te verstrekken;\n\nfeit 1 meer subsidiair\n\nde verdachte op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] te richten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, de trekker van een\u002Fdat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en\u002Fof de slede van een\u002Fdat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)naar achter te halen;\n\nfeit 2\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 6 januari 2025 tot en met 10 januari 2025 te Barendrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof\n\n- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\ndoor met een telefoon chatberichten te sturen en te communiceren over:\n\n* bedrijven die producten importeren vanuit Ghana en\u002Fof\n\n* het kunnen importeren van machines en\u002Fof onderdelen en\u002Fof\n\n* 'groene' lijnen en\u002Fof lopende lijnen\n\n* het 'zwanger' maken van een bestaande lijn en\u002Fof\n\n* het beschikbaar hebben van een Duits en\u002Fof Nederlands bedrijf en\u002Fof\n\n* het importeren van hogedruk onderdelen vanuit China en\u002Fof\n\n* machines met een stash erin;\n\nfeit 3 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nopzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 3 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 februari 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 259 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 4 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nopzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 4 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 5 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 7 april 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 6\n\nde verdachte op of omstreeks 12 maart 2020, te Breda en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie2.1.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVoor de feiten 3 tot en met 6 is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Er is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat de feiten 3 tot en met 6 in het tegen de verdachte gewezen Belgische vonnis van 17 juni 2021 al zijn gebruikt voor de bewijsconstructie van de in dat vonnis bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie. Als de rechtbank dit standpunt van de verdediging niet volgt, wordt verzocht om de officier van justitie opdracht te geven het Belgische strafdossier bij de stukken te voegen, zodat duidelijk wordt op welke feiten de Belgische strafzaak zag.2.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De beschuldiging in feiten 3 tot en met 6 ziet op andere strafbare feiten dan waarvoor de verdachte in België is veroordeeld. Er kan niet worden vastgesteld dat er samenhang bestaat tussen de feiten 3 tot en met 6 en de bewezenverklaring in het Belgische vonnis.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nToevoeging van het Belgische procesdossier vindt de rechtbank niet noodzakelijk. Het Belgische vonnis maakt deel uit van het dossier. Voor de rechtbank is voldoende duidelijk uit dit vonnis gebleken welke informatie de Belgische rechter aan zijn beslissingen ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank acht zich daarmee voldoende ingelicht. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen.2.3.2.. \n\nGeen schending ne bis in idem beginsel\n\nDe verdachte is door de Belgische rechter veroordeeld voor de invoer, de uitvoer en het vervoer van 2 partijen cocaïne van respectievelijk 1842,4 kilogram en 2316,8 kilogram en voorts voor deelneming aan een criminele organisatie.De bewezenverklaring van deze feiten door de Belgische rechter is gebaseerd op de resultaten van de observaties en doorzoekingen op 22 en 23 april 2020 in onder meer (en voor zover relevant) de loods die de verdachte in Antwerpen huurde en (overige) bevindingen van de Belgische opsporingsdiensten en douane met betrekking tot deze 2 partijen cocaïne. De feiten 3 tot en met 6 waarvan de verdachte thans wordt beschuldigd hebben samenhang met de bewezenverklaring in het Belgische vonnis, omdat de verdenking ziet op nagenoeg dezelfde periode en ook de loods van de verdachte bij de verdenking een prominente plaats in neemt, evenals in de Belgische zaak. Dat betekent echter nog niet dat de vervolging voor de feiten 3 tot en met 6 in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. Dat is alleen in bijzondere omstandigheden het geval.Daarvan is hier geen sprake. Uit het Belgische vonnis kan niets anders worden afgeleid dan dat ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard dat hij deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die naast de invoer, uitvoer en het vervoer van de 2 eerdergenoemde partijen cocaïne, een duplicaatcontainer met een lading inktvis heeft aangeboden. De drugstransporten die de verdachte thans als feiten 3 tot en met 6 worden verweten, worden niet concreet in het Belgische vonnis genoemd. Ook anderszins kan niet uit het Belgische vonnis worden afgeleid dat de vervolging van de verdachte in België ook het begaan van de feiten 3 tot en met 6 omvatte. Er is dus geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel door de officier van justitie met de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.\n\nDe conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.3. Bewijs3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 kunnen worden bewezen verklaard. Het standpunt van de officier van justitie zal verder, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.3.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 subsidiair aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.3.3.. Oordeel van de rechtbank3.3.1.. \n\nVrijspraak feit 2\n\nVolgens de officier van justitie heeft de verdachte in januari 2025 voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet gepleegd door met [persoon A] Signal-berichten uit te wisselen die zien op het opzetten van transportlijnen voor de invoer van verdovende middelen.\n\nDe verdediging heeft niet betwist dat de verdachte degene is geweest die de Signal-berichten heeft uitgewisseld met [persoon A] . Volgens de verdediging waren het echter slechts globale gesprekken op een abstract niveau en kunnen deze berichten geen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet opleveren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit de Signal-chatberichten die door de verdachte zijn verstuurd tussen 6 tot en met 10 januari 2025 onmiskenbaar volgt dat wordt gesproken over invoer van verdovende middelen, zoals cocaïne. De rechtbank is evenwel van oordeel dat met het wisselen van deze chatberichten nog geen sprake is geweest van strafbare voorbereiding van de invoer van cocaïne. De berichten zijn onvoldoende concreet om te kunnen spreken van daadwerkelijke voorbereidingshandelingen en lijken een meer oriënterend karakter te hebben. Er wordt gesproken over potentiële landen van waaruit invoer kan plaatsvinden. De verdachte benoemt dat hij een Duits en een Nederlands bedrijf heeft en dat hij goederen exporteert uit China. In de berichten wordt enkel in zijn algemeenheid gesproken over producten die via die bedrijven besteld kunnen worden en over wat voor soort producten verhandeld worden. Tenslotte schrijft de verdachte dat hij mogelijk een kennis heeft die naar Ghana gaat, en dat hij bij iemand heeft nagevraagd of hij of zij openstaat voor handel vanuit Ghana, maar ook hieruit blijkt niets concreets. Er is sprake van kennis- en informatieuitwisseling, waardoor men blijft hangen in het voorstadium van strafbare voorbereiding.\n\nOmdat dus niet kan worden bewezen dat de verdachte strafbare voorbereidingshandelingen heeft gepleegd en evenmin dat sprake is geweest van strafbare bevorderingshandelingen, wordt de verdachte vrijgesproken van feit 2.3.3.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6\n\nBewezen is dat de verdachte:\n\nfeit 1 primair\n\nin de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , door het verschaffen van inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en die personen daartoe de:\n\n* adresgegevens en\n\n* een foto van [slachtoffer] en\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] heeft verstrekt;\n\nfeit 3 primair\n\nin de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 4 primair\n\nin de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 5 primair\n\nin de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 6\n\nop 12 maart 2020, te Breda en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.3.3.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.3.3.4.. \n\nNadere bewijsmotivering feit 1 primair\n\nOp 15 april 2020 is [slachtoffer] voor zijn woning benaderd door een onbekende man met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Op 15 september 2020 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de rechtbank veroordeeld voor hun betrokkenheid bij dit feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] degene is geweest die het (nep)vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht en hem met het wapen op zijn hoofd heeft geslagen en dat [medeverdachte 2] de vluchtauto bestuurde. In het vonnis tegen [medeverdachte 1] is bewezenverklaard dat hij zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. [medeverdachte 2] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan deze bedreiging.\n\nLater zijn in de telefoon van de verdachte SkyECC-berichten aangetroffen die betrekking hebben op dit incident. De verdachte heeft bekend dat hij deze berichten heeft verstuurd en dat hij met anderen communiceerde via het SkyECC-account [accountnaam 1] .\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd met deze berichten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit te lokken om het slachtoffer zwaar te mishandelen, zoals is tenlastegelegd. Volgens de verdediging was de opzet van de verdachte alleen gericht op het bedreigen van het slachtoffer.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te bewegen om het slachtoffer zwaar te mishandelen met voorbedachten rade. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nHet incident vond plaats op 15 april 2020, omstreeks 6.10 uur. In de dagen daaraan voorafgaand communiceerde de verdachte via zijn SkyECC-account in een chatgroep waar, naast de verdachte, ook de medeverdachte [medeverdachte 3] en een andere onbekend gebleven SkyECC-gebruiker [accountnaam 2] aan deelnamen. Uit de berichten die [accountnaam 2] in de chatgroep zette, kan worden afgeleid dat hij (buiten de chatgroep) in direct contact stond met de uitvoerders. In deze chatgroep gaf de verdachte op 13 april 2020 aanvankelijk de opdracht om het slachtoffer “goed bang te maken”en“ervoor te zorgen dat hij weggaat bij zijn huidige baas”.Op de vraag van [accountnaam 2] wat er moest gebeuren, berichtte [medeverdachte 3] :“slopen, breek beide knieen ofs”. Daarna zette de verdachte desgevraagd een foto van [slachtoffer] in de chatgroep. Door [accountnaam 2] werd vervolgens gevraagd of er nog iets tegen [slachtoffer] gezegd moest worden, waarop [medeverdachte 3] negatief antwoordde en zei:“gwn total loss te slaan”en“beide benen te breken”. In berichten later die middag zette de verdachte nadere informatie over de honden en de auto van het slachtoffer in de chatgroep. Een dag later wisselden de deelnemers aan de chatgroep ook berichten over het slachtoffer uit, onder meer over waar hij zich die dag bevond en hoe laat hij naar zijn werk ging. De verdachte drong daarbij aan op actie, onder meer door in de chatgroep te berichtten:“dan wordt het vandaag eind van de dag ff langs zijn huis rijden broer”. In de vroege ochtend van 15 april 2020 werden de deelnemers aan de chatgroep door [accountnaam 2] ervan op de hoogte gesteld dat de uitvoerders klaarstonden.\n\nUit de inhoud van de chatberichten en het verloop daarvan volgt dat het aanvankelijk geopperde plan om het slachtoffer bang te maken is verlaten en dat de chatberichten uiteindelijk gericht waren op het zwaar mishandelen van [slachtoffer] en dat met voorbedachten rade. Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank dat ook de opzet van de verdachte op dit misdrijf gericht is geweest. [medeverdachte 3] heeft steeds gezegd wat er concreet moest gebeuren met het slachtoffer en de verdachte heeft daaraan in ruime mate bijgedragen. Enerzijds door dat niet te weerspreken en anderzijds door actief informatie over [slachtoffer] te blijven verschaffen en aan te dringen op het realiseren van de plannen. Dat uiteindelijk een ander misdrijf is gepleegd door de uitvoerders, maakt dat de handelwijze van de verdachte en zijn medeverdachten moet worden gezien als een poging tot uitlokking.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1 primair\n\nmedeplegen van poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade;\n\nfeit 3 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 4 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 6\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf5.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte een geldboete worden opgelegd van € 260.000,-, waarvan € 200.000,- als afroomboete en € 60.000,- als boete met een punitief karakter. De afroomboete is gebaseerd op de verdiensten die de verdachte zelf zegt te hebben ontvangen. Als rekening wordt gehouden met de Belgische veroordeling van de verdachte, dan heeft de verdachte weliswaar een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd gekregen, maar daarvan heeft hij niet meer dan drie jaar vastgezeten in België.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVoor feit 1 zou, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, hooguit een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd kunnen worden. Ten aanzien van feiten 3 tot en met 6 moet toepassing worden gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en zou hooguit een gevangenisstraf van twee jaren opgelegd moeten worden. Aan de verdachte moet geen geldboete worden opgelegd. De afroomboete is niet op feiten gebaseerd. De verdachte heeft een ruwe schatting van zijn verdiensten gemaakt, toen hij daar door de officier van justitie naar werd gevraagd op de zitting. Dit dient in een ontnemingsprocedure verder aan de orde te komen.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft in 2020 samen met anderen geprobeerd om personen te bewegen om het slachtoffer [slachtoffer] zwaar te mishandelen. De verdachte en het slachtoffer hadden een zakelijk conflict over de hoogte van het geldbedrag dat de verdachte het slachtoffer schuldig was. In de aangetroffen chatberichten wordt aan de uitvoerders de opdracht gegeven om het slachtoffer ‘total loss’ te slaan, en zijn benen of knieën te breken. Een van de uitvoerders is met een (nep)vuurwapen naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft de trekker meerdere malen overgehaald. Bij een worsteling die daarna is ontstaan tussen de uitvoerder en het slachtoffer heeft het slachtoffer een hoofdwond opgelopen. Hierdoor is op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de het slachtoffer en zijn gevoel van veiligheid. Uit de verklaring van het slachtoffer en de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat het gebeuren veel impact op hem en zijn gezin heeft gehad. Het gevoel van veiligheid dat iedereen in en rond zijn eigen huis moet hebben, is hierdoor ook ernstig geschaad. Dergelijke feiten veroorzaken veelal ook gevoelens van onrust in de directe omgeving en in de maatschappij in het algemeen. De verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte samen met anderen via de chatberichten heeft aangedrongen op het plegen van zwaar geweld is zeer verontrustend.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich eind 2019 en de eerste maanden van 2020 samen met anderen beziggehouden met de internationale handel in cocaïne. Hij heeft bijgedragen aan de invoer van drie grote partijen cocaïne met een gewicht van in totaal ruim 1.500 kilogram. Hij heeft deze cocaïne in containers via de Westerschelde ons land binnengebracht en deze vervolgens naar de haven van Antwerpen laten doorvoeren. Twee containers waarin de cocaïne was vervoerd, zijn aangetroffen in Antwerpen in de loods van de verdachte. Verder heeft de verdachte, ook in 2020, samen met anderen 200 kilogram cocaïne met auto’s vanuit België naar Nederland gebracht. De verdachte had een faciliterende rol bij de invoer van deze partijen cocaïne. Hij huurde in Antwerpen een loods waar de containers naartoe werden gebracht en de cocaïne eruit zou worden gehaald. Hij had daarvoor diverse machines (zoals een heftruck) en gereedschappen gekocht. Ook regelde hij mensen voor het lossen van de containers en was hij daarbij zelf ook veelal aanwezig. Tevens onderhield hij de contacten met zijn opdrachtgevers. Met zijn handelen is de verdachte dus een belangrijke schakel in de keten geweest om cocaïne in te voeren en op de illegale markt te brengen.\n\nDoor de invoer van meerdere grote partijen cocaïne, wat ook nog in een vrij korte periode plaatsvond, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Hiermee wordt schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was enkel uit op eigen financieel gewin.5.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland. Wel is de verdachte in 2021 in België veroordeeld, waarop hieronder zal worden ingegaan.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft last van mentale klachten vanwege zijn aanhouding in deze zaak. Zijn detentie valt hem zwaar. De verdachte is van plan om na zijn detentie weer te werken voor zijn eigen bedrijf. Zijn compagnon heeft voorlopig de leiding van het bedrijf op zich genomen.5.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan wordt rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook is rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten.\n\nDe rechtbank heeft zich afgevraagd welke straf passend zou zijn geweest als de feiten – per soort – afzonderlijk van elkaar aan de rechtbank zouden zijn voorgelegd. Voor het medeplegen van de poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade (feit 1) vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor artikel 302 Sr, meer specifiek de categorie onder d, namelijk: ‘het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen’. De rechtbank heeft daarbij niet alleen rekening gehouden met wat de afgesproken plannen waren, maar ook met wat er uiteindelijk is gebeurd, namelijk dat het slachtoffer ernstig is bedreigd met een wapen en een hoofdwond heeft opgelopen, wat een enorme impact op het slachtoffer heeft gehad. Dat het in dit geval bij een poging is gebleven, is vanwege omstandigheden die niet aan de verdachte te danken zijn. Hierin wordt dus geen reden gezien om aan de verdachte een lagere straf op te leggen. Als het aan de verdachte had gelegen was het slachtoffer zwaar mishandeld.\n\nVoor de invoer van de vier partijen cocaïne van in totaal ruim 1.700 kilogram (feiten 3 tot en met 6) zou op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden passend zijn, gelet op de LOVS oriëntatiepunten en de ondersteunende rol van de verdachte in het geheel. De rechtbank ziet redenen om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten, gelet op de ouderdom van de bewezen feiten.\n\nVerder is van belang dat de verdachte op 17 juni 2021 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van € 32.000,- voor soortgelijke feiten. De rechtbank zal gelet hierop en gezien de overeenkomende aard van de feiten waarvoor de verdachte in België is veroordeeld, in strafmatigende zin rekening houden met deze veroordeling. Daarom vindt de rechtbank voor de feiten 3 tot en met 6 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend. Beperking van de gevangenisstraf tot twee jaar, zoals de verdediging heeft verzocht, doet onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.\n\nIn totaal komt de rechtbank dan uit op een gevangenisstraf van 56 maanden met aftrek van voorarrest. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 9 jaar vindt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te hoog. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe gevorderde geldboete vindt de rechtbank niet op zijn plaats. De verklaring van de verdachte op de zitting biedt onvoldoende concrete handvatten om de hoogte van de verdiensten van de verdachte vast te kunnen stellen. Het bepalen van de hoogte van een daarop gebaseerde geldboete wordt daarmee in zekere zin willekeurig. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om naast een gevangenisstraf van langere duur, ook nog een geldboete op te leggen. Daarbij weegt ook mee dat de verdachte in zijn financiële positie is getroffen door de veroordeling in België, omdat hij daar wel is veroordeeld tot een geldboete. Ten slotte weegt hierbij mee dat de officier van justitie voor het afnemen van de criminele verdiensten een ontnemingsvordering kan indienen, omdat hij deze op de zitting heeft aangekondigd.\n\nMet de officier van justitie ziet de rechtbank op dit moment geen noodzaak om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] op te leggen, gelet op de duur van de gevangenisstraf die de verdachte moet ondergaan. Indien nodig kan een contactverbod eventueel worden opgelegd als voorwaarde in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.6. In beslag genomen voorwerpen6.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen OMIX-telefoon wordt verbeurd verklaard en dat de crypto-ledger van het merk Nano S. wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat (nog) niet vastgesteld is dat de ledger van de verdachte is.6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om teruggave van de crypto-ledger van het merk Nano S aan de verdachte.6.3.. Oordeel van de rechtbank6.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank zal de teruggave van de in beslag genomen OMIX-telefoon (nummer 7) aan de verdachte gelasten, gelet op de vrijspraak van feit 2.\n\nDe rechtbank zal ook de teruggave van de in beslag genomen crypto-ledger van het merk Nano S (nummer 9) aan de verdachte gelasten. Deze crypto-ledger is in de woning van de verdachte aangetroffen. De officier van justitie heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de crypto-ledger niet zou toebehoren aan de verdachte.7. Vordering van de benadeelde partij7.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 schadevergoeding gevorderd. De vordering ziet op bedragen van € 6.505,- voor verhuiskosten, € 5.437,50 voor notariskosten, € 544,50 voor makelaarskosten en € 346,50 voor reiskosten, als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij voor zijn huis is aangevallen en dat de daders zijn adres wisten, waardoor hij zich niet meer veilig voelde in zijn huis. Hij heeft het huis daarom in oktober 2021 in de verkoop gezet en in de zomer van 2022 is hij verhuisd. De hiermee samenhangende kosten zijn te zien als schade die in direct verband tot het strafbare feit staat. Ook heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel door het strafbare feit opgelopen en heeft hij geestelijke gevolgen door het strafbare feit ondervonden. Hij is uiteindelijk in augustus en september 2025 uitgevallen op zijn werk, waarna hij zich heeft gemeld voor therapie. Hij heeft psychologische hulp gekregen voor PTSS-klachten die zijn ontstaan door het strafbare feit. Het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij is aangetast. Hij heeft de reiskosten moeten maken in verband met de therapiesessies. Ter onderbouwing van de vordering is namens de benadeelde partij gewezen op vergelijkbare zaken.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de gevorderde reiskosten. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering van de met de verhuizing samenhangende kosten, omdat onvoldoende is gebleken van causaal verband tussen de verhuizing en het strafbare feit. Niet is gebleken dat de benadeelde partij zich uit angst voor de verdachte genoodzaakt zag om te verhuizen. Enerzijds omdat uit verschillende berichten en uitlatingen van de benadeelde partij blijkt dat hij niet bang was voor de verdachte. Anderzijds omdat er chatberichten in het dossier zitten dat de benadeelde partij al vóór het strafbare feit bezig was met de aankoop van een nieuwe woning, zodat de wens om te verhuizen er al was. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is onvoldoende onderbouwd dan wel bovenmatig. De diagnose PTSS is niet bij de benadeelde partij gesteld. Dat de benadeelde klachten ervaart die passen bij PTSS kan niet worden gelijkgesteld met een vastgestelde stoornis. Daarnaast is in de strafzaken tegen twee andere verdachten een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- toegewezen, terwijl er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen dat de verdachte een hogere vergoeding dient te betalen. De vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBLIM:2023:7380) waarnaar is verwezen, komt niet overeen met deze zaak. Verzocht wordt hoofdelijke veroordeling voor het immateriële deel van de vordering, zodat de verdachte deze schadevergoeding samen met de andere verdachten moet voldoen.7.4.. Oordeel van de rechtbank7.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden bestaande uit reiskosten als gevolg van het onder 1 genoemde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De gevorderde reiskosten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor dit deel toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 346,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade in de vorm van makelaars-, notaris en verhuiskosten. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.7.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een hoofdwond. Voorts heeft het strafbare feit psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. De benadeelde partij is door het handelen van de verdachte niet alleen aangetast in zijn lichamelijke integriteit, maar ook in zijn persoonlijke levenssfeer omdat het strafbare feit plaatsvond bij zijn woonadres. Voor wat betreft de aard en ernst van het letsel houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de overgelegde medische informatie volgt dat sprake is geweest van oppervlakkig letsel aan het hoofd en dat de verdachte gezondheidsproblemen heeft die vallen onder de noemer PTSS, waardoor de benadeelde partij in 2025 voor een periode van twee maanden is uitgevallen op het werk. Dat deze klachten enkele jaren na het incident (in ernstigere mate) aanwezig zijn, is, gezien het verloop van de strafzaak, begrijpelijk. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de begroting van de schade die de uitvoerders aan de benadeelde partij hebben moeten vergoeden. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe verdachte heeft getracht anderen uit te lokken om de benadeelde partij zwaar te mishandelen. Daarmee heeft de verdachte zelf, dus los van aan die anderen te maken verwijten, onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld, zodat geen plaats is voor hoofdelijke veroordeling met de uitvoerders, zoals door de verdediging is verzocht.7.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 15 april 2020, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden. Wat de reiskosten betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt vanaf 1 oktober 2025 gedurende een periode van 6 maanden, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode, te weten vanaf 1 januari 2026, zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 57 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVoorvragen\n\nverklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair en feit 6, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 56 (zesenvijftig) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\nbeveelt de teruggave van de OMIX-telefoon (nummer 7) en de crypto-ledger van het merk Nano S. (nummer 9) aan de verdachte;\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 1.346,50, bestaande uit € 346,50 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het materiële schadebedrag vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over het immateriële schadebedrag vanaf 15 april 2020 tot de dag van volledige betaling;\n\nwijst af de vordering van het resterende deel van de immateriële schade;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering van de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat€ 1.346,50te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade van € 346,50 vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over de immateriële schade van € 1.000,- vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur vanmaximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. W.J. de Veld, voorzitter,\n\nen mrs. M.K. Asscheman-Versluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 april 2026.\n\nMr. Polet is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Vonnis Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen 17 juni 2021, pagina 41 e.v. van het zaaksdossier [dossiernaam] .\n\n HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, r.o. 3.3.1.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7914","ecli-nl-rbrot-2026-7914",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19}]