ECLI:NL:RBZWB:2026:5038
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Arbeidsrecht
Uitspraak
Tilburg
RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12078654 \ AZ VERZ 26-11
Beschikking van 11 mei 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. T.T. van Woensel,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
procederend in persoon, vertegenwoordigd door [gemachtigde] (bestuurder).
1. De zaak in het kort
[werknemer] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding wegens opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] . [werkgever] erkent een transitievergoeding verschuldigd te zijn, maar beroept zich op verrekening met ongeoorloofde verzuimuren. De kantonrechter wijst het beroep van [werkgever] op verrekening af en wijst de vastgestelde transitievergoeding toe.
2. De procedure
2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties dat op 30 januari 2026 ter griffie is ontvangen;
de akte houdende wijziging van het verzoek, tevens overlegging aanvullende producties;
de door [werkgever] overgelegde producties;
de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
de spreekaantekeningen van [werknemer] , met daarin een eiswijziging.
2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De feiten
3.1..
[werknemer] , geboren [geboortedag] 2006, is per 1 juli 2022 in dienst getreden bij [werkgever] als algemeen medewerker voor de duur van veertien maanden. Per 1 augustus 2023 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten (voor 36 maanden). Die arbeidsovereenkomst was gekoppeld aan een opleidingsovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, gesloten tussen [werknemer] , [werkgever] en het [mbo-school] .
3.2..
[werknemer] ontving van [werkgever] een loon van laatstelijk € 1.645,94 bruto per maand voor de overeengekomen duur van 38 uur per week.
3.3.. Op de gesloten arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing.
3.4.. Bij brief van 29 september 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd wegens tekortkomingen in het functioneren en dat met een opzegtermijn van één maand de laatste werkdag van [werknemer] op 31 oktober 2025 zal zijn.
3.5..
[werknemer] heeft berust in de opzegging van [werkgever] .
3.6.. De gemachtigde van [werknemer] heeft aan [werkgever] verzocht om verstrekking van loonstroken en de jaaropgave alsmede betaling van de transitievergoeding. [werknemer] heeft inmiddels toegang tot de loonstroken en jaaropgave, maar de transitievergoeding heeft hij niet ontvangen.
4. Het verzoek en het verweer
4.1..
[werknemer] verzoekt de kantonrechter (na schriftelijke eiswijziging ter zitting) om [werkgever] te veroordelen om aan hem te betalen het netto-equivalent van € 2.241,81 bruto aan verschuldigde transitievergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [werkgever] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2..
[werknemer] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. Door opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] is [werkgever] de transitievergoeding verschuldigd. De transitievergoeding moet worden berekend tot 1 augustus 2026 omdat [werkgever] de arbeidsovereenkomst tegen die datum regelmatig kon opzeggen.
4.3..
[werkgever] voert verweer. Zij voert het volgende aan. Op de verschuldigde transitievergoeding dient in mindering te worden gebracht 45 uur ongeoorloofde verzuimuren op school. [werkgever] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de ter zitting gewijzigde eis van [werknemer] .
5. De beoordeling
Transitievergoeding
5.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werkgever] een transitievergoeding verschuldigd is aan [werknemer] . [werkgever] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de ter zitting gewijzigde eis van [werknemer] en is hierdoor ook niet in haar verweer benadeeld.
5.2.. Omdat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet op initiatief van [werkgever] is zij op grond van de wet een transitievergoeding verschuldigd.De kantonrechter dient de transitievergoeding ambtshalve te berekenen.De hoogte van de transitievergoeding dient te worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig (met de juiste opzegtermijn) zou hebben opgezegd.Bij regelmatige beëindiging (uitgaande van toestemming van het UWV tot opzegging) kon [werkgever] de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 1 lid 2 van de arbeidsovereenkomst (productie 3 verzoekschrift) tussentijds beëindigen met een opzegtermijn van één maand.De transitievergoeding wordt daarom berekend over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 oktober 2025. Uitgaande van het door [werknemer] gestelde bruto maandloon van € 1.645,94 – welk loon [werkgever] niet betwist – en vermeerderd met 8% vakantietoeslag, bedraagt de door [werkgever] verschuldigde transitievergoeding € 1.975,13 bruto.
5.3..
[werkgever] beroept zich op verrekening met ongeoorloofde verzuimuren van [werknemer] . [werknemer] betwist echter dat sprake is van ongeoorloofd verzuim en [werkgever] heeft niet met overzichten inzichtelijk gemaakt wanneer dan sprake zou zijn geweest van ongeoorloofd verzuim. [werkgever] heeft daarmee onvoldoende gesteld voor een mogelijke vordering van haar op [werknemer] . Omdat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zal de kantonrechter op grond van de wet aan het beroep op verrekening voorbij gaan.
5.4.. Het voorgaande leidt ertoe dat aan transitievergoeding het bedrag van € 1.975,13 bruto toewijsbaar is.
Wettelijke rente
5.5.. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
Proceskosten
5.6.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat [werkgever] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten) plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
6.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het netto-equivalent van € 1.975,13 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van de gehele betaling,
6.2.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
Artikel 7:673 Burgerlijk Wetboek (BW)
Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365
Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286 r.o. 3.3.9
Artikel 16 CAO en artikel 7:672 BW
Artikel 6:136 BW
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.