Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5192

Tribunal

Tilburg

Date

3 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Tilburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

rECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11944348 \ CV EXPL 25-5468

Vonnis van 3 juni 2026

in de zaak van

[eiser] , H.O.D.N. [bedrijf 1],

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [bedrijf 1] ,

gemachtigde: mr. J.M.A. Koole,

tegen

OPTISPORT MAASDRIEL B.V.,

te Tilburg,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Optisport,

gemachtigde: mr. L.R.J.M. Boer.

1. De zaak in het kort

1.1..
[bedrijf 1] wilde haar festival organiseren op een locatie van Optisport, maar Optisport heeft uiteindelijk laten weten de locatie niet ter beschikking te stellen. [bedrijf 1] vordert daarom schadevergoeding, primair op grond van wanprestatie, subsidiair op grond van een onrechtmatige daad en meer subsidiair vanwege het onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen. Optisport betwist de vorderingen en voert aan dat er geen overeenkomst is gesloten omdat [bedrijf 1] heeft gehandeld met een onbevoegd persoon. Daarnaast stond het Optisport vrij om de onderhandelingen af te breken. De kantonrechter volgt dit verweer en wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.

2. De procedure

2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 27 mei 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

  • de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1.. De heer [eiser] (hierna: [eiser] ) heeft namens [bedrijf 1] de locatie van Optisport bezocht. [eiser] heeft daar gesproken met mevrouw [teamleider horeca] ( teamleider horeca bij Optisport, hierna: [teamleider horeca] ) over het concept van het door [bedrijf 1] te organiseren festival. Op 25 januari 2024 hebben [eiser] en [teamleider horeca] via Whatsapp contact gehad omtrent het maken van een afspraak.

3.2.. Op 26 januari 2024 heeft [teamleider horeca] via Whatsapp haar zakelijke e-mailadres verstrekt aan [eiser] . [eiser] heeft aangegeven het draaiboek te zullen verzenden en [teamleider horeca] heeft hierop laten weten dat zij de plattegronden op zou zoeken.

3.3.. Op 6 februari 2024 hebben [eiser] , [teamleider horeca] en de heer [manager] (manager bij Optisport, hierna: [manager] ) een gesprek gehad op de locatie van Optisport.

3.4.. Op 8 februari 2024 heeft [teamleider horeca] aan [bedrijf 1] de volgende schriftelijke offerte uitgebracht:

[schriftelijke offerte]

Ook is in de offerte het volgende opgenomen:

“Aalscholver is de vergaderzaal. In overleg met de Organisatie wordt deze ruimte gebruikt voor de catering van de medewerkers van [bedrijf 2] .

De sportzaal wordt ingericht als festivalruimte.

De prijzen zijn inclusief gebruik van de hal en de sluis.

De kosten voor stroom, gas en extra beheer zijn op nacalculatie.”

3.5.. In het begeleidende e-mailbericht bij de offerte heeft [teamleider horeca] aan [eiser] het volgende bericht:

“Goedemorgen [eiser] ,

Hierbij de offerte voor de gegeven datums. Ik moest even wachten op een akkoord.

Lees het even goed door, zodat er geen verwarring ontstaat.

Van [manager] moet ik er wel de volgende kanttekening bij maken:

  • Voor evenementen rekenen we eigenlijk andere prijzen, maar we willen jullie de commerciële prijzen van de zaalhuur bieden.

  • Daarnaast is dit een berekening voor 21 t/m 25 augustus (5 dagen totaal), het is dan niet mogelijk om een dag minder te huren en als jullie dit wel willen, blijft dit wel de vaste prijs.

Ik hoop je zo voldoende te hebben geïnformeerd! We houden contact!

Met vriendelijke groet,

[teamleider horeca]”

3.6.. Bij e-mailbericht van 1 maart 2024 heeft [eiser] hierop als volgt gereageerd:

“Hi [teamleider horeca] ,

Sorry voor de verlate reactie.

Hierbij gaan wij akkoord met de verstuurde offerte voor het huren van de locatie zoals benoemd.

Wat is de procedure voor betaling? Wordt het geheel in rekening gebracht na afloop van het festival aangezien er elementen op nacalculatie zijn of wensen jullie een aanbetaling?

Laat ook even weten welke gegevens jullie van ons nodig hebt.

Nog een aantal aanvullende vragen:

  • Is het nog mogelijk om aanvullende documenten te ontvangen zoals constructietekeningen van het complex (DWG)? Deze zijn benodigd voor de vergunningsaanvraag.

  • Is er ook meer informatie/ een tekening met stroomvoorzieningen, zoals krachtstroom etc.

  • Is het mogelijk om een hoogwerker naar binnen te rijden in de zaal voor het opbouwen van o.a. het podium?

  • Wat is de draaglast van de vloer?”

3.7.. Op 24 maart 2024 heeft [teamleider horeca] het e-mailbericht van [eiser] van 1 maart 2024 doorgestuurd aan [manager] , waarbij [teamleider horeca] het volgende aan [manager] heeft bericht:

“Zou jij hierop kunnen reageren? Ik weet namelijk niet hoe dit allemaal zit.”

3.8.. In zijn reactie op 24 maart 2024 heeft [manager] aangegeven de openstaande punten op korte termijn te willen bespreken en hiervoor een afspraak in te plannen.

3.9.. Op 26 maart 2024 heeft [manager] per e-mail het volgende bericht aan [eiser] :

“Dag [eiser]

Belangrijk is denk ik eerst even alle afspraken goed op papier te zetten want die heb ik even niet meer helemaal helder op dit moment.

Kunnen jullie aangeven wat volgens jullie nu de afspraken zijn en dan met name die wat regelt zodat hier geen misverstand over is.

Als dit geheel duidelijk is dan stellen wij het contract op voor het festival.

Met sportieve groet,

[manager]”

3.10.. Hierop heeft [eiser] op 27 maart 2024 het volgende gereageerd:

“Goedemorgen [manager] ,

Dit is wel een klein beetje teleurstellend. Volgens mij hebben wij van jullie een offerte gekregen, die we reeds akkoord hebben gegeven.

Hierop staat alles benoemd wat de afspraken zijn...

Het enige wat wij aanvullend nog gevraagd hebben, zie mail naar [teamleider horeca] ;

  • Is het nog mogelijk om aanvullende documenten te ontvangen zoals constructietekeningen van het complex (DWG)?

Deze zijn benodigd voor de vergunningsaanvraag.

  • Is er ook meer informatie/ een tekening met stroomvoorzieningen, zoals krachtstroom etc.

  • Is het mogelijk om een hoogwerker naar binnen te rijden in de zaal voor het opbouwen van o.a. het podium?

  • Wat is de draaglast van de vloer?

Nogmaals, dit hebben wij onder andere nodig voor de vergunning aanvraag dus het zou fijn zijn dit zo snel mogelijk te ontvangen aangezien wij hier nu op aan het wachten zijn.”

3.11..
[manager] heeft [eiser] vervolgens op 30 maart 2024 het volgende bericht:

“Dag [eiser]

De vraag naar jou toe was vooral vanwege het feit dat [teamleider horeca] op dit moment op vakantie is en ik hierop snel wilde handelen.

Let er wel even op dat er pas een volledig en bindend akkoord is als het contract van beide kanten is ondertekend.

Ik hoop aankomende week alles duidelijk te krijgen vanuit [teamleider horeca] waarna wij hierop naar jullie kunnen reageren.

Ik snap uiteraard dat jullie snel duidelijkheid willen hebben en ik zal daar naar streven om deze dinsdag te geven.

Wbt de tekeningen, ik kan deze zelf op dit moment niet vinden, in de aanvragen in het verleden hebben wij deze ook niet ingediend zie ik als ik de aanvragen terugkijk.

Ik zal de organisaties van de laatste grote evenementen contacten om hier meer info over te vragen.

IK kom snel terug met een reactie

Met sportieve groet,

[manager]”

3.12..
[eiser] heeft hierop op 1 april 2024 als volgt gereageerd:

“Hi [manager] ,

Begrijpelijk en het wordt gewaardeerd dat je snel wilt handelen. Dat wensen wij ook omdat wij de aanvraag z.s.m. bij de gemeente neer willen leggen.

De constructie tekeningen vragen wij dan ook niet alleen aan voor de vergunning maar juist ook voor de opbouw van het festival.

Wij willen weten wat de draagkracht van zowel de vloer als het dak is, zodat wij kunnen voorkomen dat er schade of ongevallen ontstaan.

Daarin zijn de vragen of dat er een hoogwerker naar binnen kan etc. ook van belang voor wat er mogelijk is qua opbouw.

Graag vernemen wij morgen je reactie,

[eiser]”

3.13.. Op 2 april 2024 heeft [manager] aan [eiser] per e-mail bericht dat hij de tekeningen niet in zijn bezit heeft. Diezelfde dag heeft [teamleider horeca] per e-mail het draaiboek voor het festival gestuurd aan [manager] .

3.14.. Op 6 april 2024 heeft [eiser] via een Whatsapp-bericht op het privénummer van [teamleider horeca] gevraagd of zij aanwezig wil zijn bij het gesprek met de beveiliging. Diezelfde dag heeft [eiser] [teamleider horeca] verzocht om de gegevens voor de sociale hygiëne te verstrekken.

3.15.. Op 16 april 2024 heeft [eiser] per e-mail het volgende bericht aan [manager] :

“Hi [manager] ,

Is het alsnog mogelijk de tekening van de tribune/ bovenverdieping te ontvangen?

Hier willen wij namelijk ook gebruik van maken en hebben wij nodig richting de gemeente om aanvraag te doen.

Daarnaast hebben wij nog geen contract ontvangen nadat wij de offerte hebben ondertekend.

Wanneer kunnen wij deze verwachten?

Wat betreft de constructietekeningen, deze zijn inderdaad niet noodzakelijk maar zoals je zelf ook aangeeft, is het spannend wanneer wij niet weten wat belastbaar is.

Wij willen diverse technische onderdelen aan het dak weghangen en zal er ook een dusdanig gewicht op de vloer geplaatst worden waarbij het handig is hier wel meer informatie over te hebben.

Mocht hierin mogelijkheid zijn om er meer informatie over te ontvangen, horen wij dat graag.

Verneem graag je reactie,

[eiser]”

3.16.. Op 18 april 2024 hebben [eiser] en [teamleider horeca] via Whatsapp contact gehad over een rioleringsput.

3.17.. Bij e-mailbericht van 20 april 2024 heeft [manager] het volgende aan [eiser] bericht:

“Dag [eiser]

De afgelopen maanden is er met [teamleider horeca] afgetast welke mogelijkheden er zijn voor een samenwerking om tot een evenement in augustus te komen.

Dit heeft geleidt tot een offerte vanuit ons, hierbij is wel aangegeven dat er nog geen zekerheid is totdat het contract getekend is.

Helaas moet ik aangeven dat wij afzien van het faciliteren van het evenement in augustus.

Ik snap dat dat een teleurstelling is voor jullie ook omdat jullie al veel ideeën hebben hierover.

De reden van het niet door laten gaan van dit evenement vanuit onze kant is omdat wij tegen het einde van ons contact aanlopen en wij daarom geen extra evenementen aannemen.

Daarnaast hebben wij steeds minder collega’s in dienst waardoor wij hier niet goed op kunnen in spelen en wij onze vaste huurder alle mogelijkheden willen geven om gebruik te maken van de ruimtes..

Onze excuses voor het ongemak en hopelijk vinden jullie toch een plekje om dit mooie project op te zetten.

Met sportieve groet,

[manager]”

3.18..
[eiser] heeft daarop op 24 april 2024 het volgende gereageerd:

“Goedemorgen [manager] ,

Er is naar mijn weten niet ‘afgetast’ wat de mogelijkheden zijn, er is concreet besproken en besloten wat onze samenwerking zou inhouden.

Dit is vastgelegd in een offerte waarbij er geen sprake was van twijfel of het door kon gaan.

Deze offerte is door ons akkoord bevonden en daarmee een vastlegging van onze samenwerking.

Hierin hebben wij meerdere malen om diverse documentatie en ook een contract gevraagd waarin vanuit jullie nauwelijks tot geen reactie is gekomen.

2 maanden na akkoord bevinden van een offerte en het niet versturen van een contract, melden dat jullie er vanaf zien is niet alleen teleurstellend.

Met de reden dat wij er al ruim 2 maanden vanuit gaan ons festival bij de [locatie] te laten plaatsvinden, hebben wij al ruime kosten gemaakt ter voorbereiding, het is immers nog maar 4 maanden tot het plaatsvinden van het festival.

Hopelijk kunnen jullie het huizen van het evenement nog eens in heroverweging nemen aangezien een akkoord bevonden offerte een bindend document is.

Mochten jullie definitief van de samenwerking afzien, zullen wij hierin andere stappen ondernemen om onze gemaakte kosten wellicht te kunnen verhalen.

Vernemen graag je reactie,

[eiser]”

3.19.. Bij e-mailbericht van 6 mei 2024 heeft [manager] het volgende aan [eiser] bericht:

“Dag [eiser]

Dank voor je mail.

Uiteraard snap ik je mailtje.

Naar mijn idee was het op dit moment nog niet verder gekomen dan aftasten en was ik niet op de hoogte van de offerte die verstuurd was, hiervoor mijn excuses.

Ik kom hier begin volgende week graag even op terug

Met vriendelijke groet,

[manager]”3.20.. Op 18 mei 2024 heeft [eiser] per e-mail aan [manager] medegedeeld dat hij nog geen reactie had ontvangen, met het verzoek of [manager] die week nog van zich wilde laten horen.

3.21.. In antwoord daarop heeft [manager] op 20 mei 2024 per e-mail toegezegd die week nog te zullen antwoorden.

4. Het geschil

4.1..
[bedrijf 1] vordert - samengevat – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. Voor recht te verklaren dat gedaagde toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en derhalve aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW;

II. Gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

III. Voor recht te verklaren dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en derhalve gehouden is de schade van eiser te vergoeden van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair:

IV. Voor recht te verklaren dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden door het zich op onaanvaardbare wijze terugtrekken uit de precontractuele onderhandelingen van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;

bij dit alles:

V. Gedaagde te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.893,18;

VI. Gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

4.2..
[bedrijf 1] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de huur van de festivallocatie. Optisport heeft een offerte uitgebracht die als een aanbod moet worden gekwalificeerd, welk aanbod door [bedrijf 1] is aanvaard. [bedrijf 1] is naar aanleiding daarvan gestart met voorbereidingswerkzaamheden voor het festival. Optisport heeft nadien bevestigd dat het evenement doorgang kon vinden, maar heeft uiteindelijk toch laten weten de locatie niet ter beschikking te stellen. Door op een later moment af te zeggen, heeft [bedrijf 1] aanzienlijke schade geleden. [bedrijf 1] wil dan ook dat Optisport deze schade vergoedt.

4.3.. Optisport voert verweer. Volgens Optisport is geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen omdat [bedrijf 1] contact heeft gehad met een persoon die niet bevoegd was om Optisport te vertegenwoordigen. Daarnaast stelt Optisport dat het haar vrijstond om de onderhandelingen af te breken.

4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Is een overeenkomst tot stand gekomen?

5.1..
[bedrijf 1] baseert haar primaire vordering op de stelling dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. [bedrijf 1] stelt daartoe het volgende. De wilsovereenstemming tussen partijen blijkt voldoende uit de offerte, de daaropvolgende aanvaarding en het handelen van beide partijen. [teamleider horeca] heeft namens Optisport op 1 maart 2024 een voldoende bepaalbaar aanbod tot verhuur van de betreffende locatie gedaan in de vorm van een offerte, welk aanbod door [bedrijf 1] ondubbelzinnig is aanvaard. Voorafgaand aan het toezenden van deze offerte heeft [teamleider horeca] intern overleg gevoerd en akkoord gekregen van [manager] . Bovendien hebben partijen nadien doorlopend contact gehad over praktische zaken en constructieve voorzieningen. Dat er geen schriftelijk contract is, doet daar niet aan af. Verder beroept [bedrijf 1] zich op het vertrouwensbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Optisport heeft door haar uitingen en gedragingen bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij met [bedrijf 1] een definitieve overeenkomst is aangegaan. Optisport heeft daarbij nagelaten enig voorbehoud te maken bij het uitbrengen van haar aanbod. Bij gebreke van enig expliciet voorbehoud is het aanbod als onvoorwaardelijk aan te merken waardoor [bedrijf 1] heeft mogen vertrouwen op de rechtsgeldigheid en uitvoerbaarheid van de gemaakte afspraken.

5.2.. Optisport betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en voert daartoe het volgende aan. De offerte is zodanig summier, dat deze niet de basis kan vormen voor een overeenkomst. Omdat verschillende onderwerpen die van wezenlijk belang zijn niet zijn geregeld, is geen sprake van overeenstemming over de essentialia van de huur. De offerte kan bovendien niet worden aangemerkt als een aanbod in de zin van artikel 6:217 BW, omdat bij Optisport de daartoe vereiste wil ontbrak. Het vermeende aanbod is namelijk niet op een voor Optisport gebruikelijke wijze gedaan. Als de offerte wel wordt aangemerkt als aanbod, voert Optisport aan dat er alsnog geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat het aanbod is gedaan door [teamleider horeca] terwijl zij daartoe niet bevoegd was. Optisport stelt dat, zoals ook volgt uit het handelsregister, enkel de (indirect) bestuurder van Optisport, de heer [bestuurder] , bevoegd is om Optisport te vertegenwoordigen.

5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor het ontstaan van een overeenkomst is een aanbod en de aanvaarding daarvan vereist (artikel 6:127 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat [teamleider horeca] de offerte heeft uitgebracht. Deze offerte vormt volgens [bedrijf 1] het aanbod. [bedrijf 1] heeft ter zitting erkend dat [teamleider horeca] niet zelfstandig bevoegd was om Optisport te vertegenwoordigen, maar stelt dat sprake is van schijn van volmachtverlening. De kantonrechter zal daarom hierna beoordelen of de offerte van [teamleider horeca] aan Optisport kan worden toegerekend als een geldig aanbod op grond van die gewekte schijn.

Schijn van volmachtverlening

5.4..
[bedrijf 1] stelt in dit kader dat [teamleider horeca] door haar gedragingen en communicatie jegens [bedrijf 1] de schijn heeft gewekt dat zij namens Optisport handelde, terwijl Optisport deze schijn heeft laten voortbestaan. [bedrijf 1] voert ter onderbouwing daarvan de volgende omstandigheden aan. Direct bij aankomst op de locatie van Optisport heeft [eiser] gevraagd of er iemand aanwezig was om mee te spreken. Vervolgens is [teamleider horeca] naar [eiser] toegekomen en heeft zij zich voorgesteld als leidinggevende, waarna zij met [eiser] heeft gesproken over het festivalplan van [bedrijf 1] . Door deze benadering mocht [bedrijf 1] ervan uitgaan dat [teamleider horeca] daartoe bevoegd was. Daarnaast impliceert de functie van [teamleider horeca] als teamleider horeca de verantwoordelijkheid over praktische, operationele en vergunningsaspecten van de locatie. In die hoedanigheid heeft [teamleider horeca] de offerte gestuurd, voerde zij logistiek overleg (zowel intern met Optisport als met derden) en organiseerde zij de aanwezigheid van derden op de locatie. Verder bleek uit e-mailcorrespondentie dat [teamleider horeca] handelde in afstemming met haar leidinggevende, [manager] . Zo had [manager] vooraf akkoord gegeven voor het doorgeven van een prijsindicatie aan [bedrijf 1] en was de offerte blijkens het begeleidende e-mailbericht in overleg met [manager] opgesteld, nu [manager] een aantal kanttekeningen plaatste bij de offerte. [manager] was bovendien nauw betrokken bij het proces. Hij is steeds uitgenodigd voor overleggen en locatiebezoeken en had zelf contact met [bedrijf 1] . Tot slot heeft Optisport voorafgaand aan deze procedure nooit gesteld dat [teamleider horeca] onbevoegd was, ook niet toen zij zich terugtrok. Volgens [bedrijf 1] heeft Optisport hiermee als organisatie de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt. Voor zover er sprake was van een beperkte volmacht, had Optisport dit moeten melden. Het risico van een onduidelijke of gebrekkige volmachtstructuur ligt immers bij Optisport. [bedrijf 1] wijst er in dit verband op dat uit het handelsregister een voor derden onoverzichtelijke structuur van verschillende rechtspersonen blijkt. [bedrijf 1] concludeert dan ook dat Optisport op grond van de gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de overeenkomst is gebonden.

5.5.. Optisport betwist dat sprake is van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Zij voert aan dat het sluiten van verhuurovereenkomsten voor een festival van deze omvang niet past binnen de functie van een teamleider horeca . Voor zover al sprake zou zijn van enige schijn, is deze volgens Optisport uitsluitend gewekt door het handelen van [teamleider horeca] . Een beroep op de schijn van volmachtverlening kan echter alleen slagen als de schijn is opgewekt door iemand die bevoegd was Optisport te vertegenwoordigen. Optisport benadrukt dat ook [manager] niet bevoegd was om Optisport ter zake van een dergelijk evenement te vertegenwoordigen.

5.6.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) rusten de stelplicht en bewijslast van de schijn van volmachtverlening op [bedrijf 1] . Artikel 3:61 lid 2 BW bepaalt dat een partij toch gebonden kan zijn aan een overeenkomst of rechtshandeling die door een niet-vertegenwoordigingsbevoegde is gesloten of verricht, indien de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van die partij heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:142) kan voor toerekening van de schijn van volmachtverlening plaats zijn, in geval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de pseudogevolmachtigde. Daarvoor moet sprake zijn van (bijkomende) feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.

5.7.. Ten aanzien van gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid stelt de kantonrechter voorop dat een dergelijke schijn alleen gewekt kan worden door personen die bevoegd zijn Optisport rechtsgeldig te vertegenwoordigen, in dit geval [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ). Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder] met verklaringen of handelingen deze schijn heeft gewekt. Dat [teamleider horeca] [eiser] in het begin heeft benaderd, de offerte heeft gestuurd en daarna contact heeft gehad met [bedrijf 1] over praktische en logistieke zaken (zoals beveiliging, sociale hygiëne en riolering) is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van schijn van volmachtverlening. Al deze handelingen zijn immers verricht door [teamleider horeca] zelf. [bedrijf 1] wijst erop dat [teamleider horeca] handelde in afstemming met haar leidinggevende, [manager] . Dit blijkt volgens [bedrijf 1] onder meer uit het feit dat [manager] aanwezig was bij het gesprek op 6 februari 2024, dat [manager] aan [teamleider horeca] akkoord gaf om de prijsindicatie aan [bedrijf 1] te sturen, dat [manager] kanttekeningen plaatste bij de offerte en dat [teamleider horeca] blijkens de e-mail van 8 februari 2024 moest wachten op een akkoord van [manager] . Dat [bedrijf 1] hieruit heeft afgeleid dat [teamleider horeca] in afstemming met [manager] handelde, is begrijpelijk, maar leidt niet tot een ander oordeel. [manager] was immers ook niet zelfstandig bevoegd om Optisport te vertegenwoordigen bij een evenement van deze omvang. Omdat [manager] zelf onbevoegd was, kon zijn betrokkenheid bij het proces bij [bedrijf 1] niet het gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat [teamleider horeca] wél bevoegd was om Optisport te binden. De schijn kan immers niet worden gewekt door een eveneens onbevoegd persoon.

5.8.. Ook de overige stellingen van [bedrijf 1] slagen niet. De kantonrechter volgt [bedrijf 1] niet in haar standpunt dat uit het handelsregister een voor derden onoverzichtelijke structuur van rechtspersonen blijkt. Uit het handelsregister volgt dat Optisport Group B.V. de bestuurder van Optisport is, dat Optisport Holding B.V. op haar beurt de bestuurder van Optisport Group B.V. is en dat [bestuurder] de bestuurder van Optisport Holding B.V. is. Door een aantal uittreksels te raadplegen had [bedrijf 1] dus eenvoudig de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen controleren. Dit had ook van haar mogen worden verwacht, te meer gelet op de functietitel van [teamleider horeca] . In tegenstelling tot wat [bedrijf 1] aanvoert, mag uit de functie van teamleider horeca niet worden afgeleid dat [teamleider horeca] bevoegd was om Optisport te binden aan de organisatie van een festival. Deze functietitel had bij [bedrijf 1] juist tot extra oplettendheid moeten leiden. Dat Optisport niet eerder expliciet heeft gemeld dat [teamleider horeca] onbevoegd was, kan haar evenmin worden tegengeworpen. Optisport verkeerde immers in de veronderstelling dat partijen zich nog in een vrijblijvende verkenningsfase bevonden. Nu zij er niet van uitging dat er al een bindende overeenkomst was, bestond er voor haar ook geen aanleiding om de onbevoegdheid van [teamleider horeca] te melden. Sterker nog, toen [manager] in beeld kwam, heeft hij in het e-mailbericht van 30 maart 2024 direct kenbaar gemaakt dat nog geen sprake was van een bindend contract.

5.9.. Concluderend heeft Optisport dus geen verklaring of gedraging geuit op basis waarvan [bedrijf 1] redelijkerwijs een volmacht voor [teamleider horeca] mocht aannemen. Ook zijn er geen omstandigheden gesteld die voor risico van Optisport komen waardoor toerekening van schijn van volmachtverlening kan worden geconcludeerd. Van schijn van volmachtverlening is dus geen sprake waardoor er geen rechtsgeldig aanbod is gedaan en dus ook geen overeenkomst tot stand is gekomen.

Onrechtmatige daad door het ontbreken van de vereiste vergunning

5.10.. Subsidiair stelt [bedrijf 1] dat Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door zonder voorafgaand onderzoek naar de juridische en feitelijke (on)mogelijkheden, een aanbod te doen tot verhuur voor een festival terwijl zij niet beschikte over de vereiste gebruiksvergunning. De kantonrechter is van oordeel dat deze stellingen niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Voor zover deze stellingen juist zouden zijn, is hierdoor geen schade geleden. Het festival is niet doorgegaan, omdat Optisport de locatie niet ter beschikking heeft gesteld. Optisport hoefde de locatie ook niet ter beschikking te stellen, zoals is besproken bij de beoordeling van de primaire grondslag (wanprestatie). De vraag of Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door een aanbod te doen zonder te beschikken over de vereiste gebruiksvergunning, is dan ook niet relevant. De kantonrechter zal de subsidiaire stellingen daarom verder onbesproken laten.

Afgebroken onderhandelingen

5.11.. Meer subsidiair stelt [bedrijf 1] dat Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door zonder geldige rechtsgrond de onderhandelingen af te breken, terwijl [bedrijf 1] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de totstandkoming van de overeenkomst, waardoor sprake is van precontractuele aansprakelijkheid. Optisport heeft een concreet en voldoende bepaalbaar en intern afgestemd aanbod gedaan, bevestigde dit aan [bedrijf 1] en stemde in met praktische voorbereidingen zoals locatiebezoeken en overleggen over onder andere de catering en veiligheid. Optisport heeft geen voorbehoud gemaakt over het contracteren en trok het aanbod pas ruim twee maanden na acceptatie van het aanbod zonder objectieve of zwaarwegende redenen in. [bedrijf 1] heeft aanzienlijke kosten en verplichtingen gemaakt op basis van het aanbod en mocht er redelijkerwijs op vertrouwen dat de overeenkomst gesloten zou worden. Daarnaast mocht [bedrijf 1] aannemen dat Optisport bevoegd was de locatie beschikbaar te stellen en dat de benodigde vergunningen geregeld waren. Het ontbreken van een actuele gebruiksvergunning behoort tot de risicosfeer van Optisport en door dit gebrek te verzwijgen, heeft Optisport cruciale informatie achtergehouden en bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar verplichtingen kon nakomen. Het afbreken van de onderhandelingen zonder deze informatie te verstrekken is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

5.12.. Optisport betwist de stellingen van [bedrijf 1] en stelt zij de onderhandelingen terecht mocht afbreken. Op het moment dat Optisport zich op 20 april 2024 terugtrok uit de onderhandelingen, mocht [bedrijf 1] er niet zonder meer op vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Van totstandkomingsvertrouwen is met name sprake in gevallen waarin de onderhandelingen probleemloos verlopen, maar hier was juist sprake van grote onduidelijkheid, zoals blijkt uit de vele door [bedrijf 1] gestelde en onbeantwoorde vragen. Als gevolg hiervan was Optisport, ondanks herhaaldelijke verzoeken van [bedrijf 1] , niet in staat een contract op te stellen voor de verhuur van de ruimtes. Daarnaast is het faciliteren van een festival complex en vereist dat veel afstemming. Naarmate de te sluiten overeenkomst complexer is, mag er minder snel op worden vertrouwd dat een overeenkomst tot stand zou komen. [bedrijf 1] mocht er dan ook niet zomaar van uitgaan dat Optisport het festival zou faciliteren. Bovendien was er al geruime tijd geen vooruitgang in de onderhandelingen en was twee maanden na de offerte nog steeds geen overeenkomst, wat totstandkomingsvertrouwen vermindert. Voor zover al sprake zou zijn van totstandkomingsvertrouwen, is dat niet door toedoen van Optisport gewekt. [bedrijf 1] baseert het vertrouwen voornamelijk op uitingen van [teamleider horeca] , terwijl zij niet bevoegd was Optisport te vertegenwoordigen. Daar komt bij dat Optisport uitdrukkelijk en herhaaldelijk het voorbehoud heeft gemaakt dat slechts een overeenkomst tot stand kon komen na ondertekening door een daartoe bevoegd persoon. Verder had het [bedrijf 1] moeten opvallen dat de offerte zodanig summier was dat deze niet tot een overeenkomst kon leiden. Zelfs als sprake zou zijn geweest van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen, had Optisport zich terug mogen trekken uit de onderhandelingen, omdat zij niet zonder meer kon garanderen dat zij in staat zou zijn het festival te organiseren door praktische en organisatorische belemmeringen. Optisport had dus een gerechtvaardigd belang om de onderhandelingen af te breken en geen overeenkomst aan te gaan.

De maatstaf

5.13.. Het arrest [naam] van de Hoge Raad (HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337) is het standaardarrest met betrekking tot het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is om de onderhandelingen af te breken. Dit is slechts anders als (1) de wederpartij er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat de overeenkomst tot stand gaat komen of (2) als het afbreken van de onderhandelingen in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het bestaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Wat betreft het vertrouwen is doorslaggevend hoe daaromtrent op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit een tot terughoudendheid nopende maatstaf is. Daaraan zal dus niet al te snel zijn voldaan.

Het afbreken van de onderhandelingen was niet onaanvaardbaar

5.14.. Het is aan [bedrijf 1] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij het vertrouwen mocht hebben dat er een huurovereenkomst tussen haar en Optisport tot stand zou komen. [bedrijf 1] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld om dit aan te nemen, zoals hierna wordt toegelicht.

5.15.. De onderhandelingen zijn in eerste instantie gevoerd door [teamleider horeca] . Zoals hierboven is besproken, was zij niet bevoegd om een huurovereenkomst voor het festival te sluiten en is er door Optisport geen vertrouwen gewekt dat zij wel bevoegd was. Ditzelfde geldt voor [manager] , die in een latere fase bij de onderhandelingen is betrokken. Vanuit de wel bevoegde persoon is geen enkele bemoeienis geweest met de onderhandelingen. Om deze reden mocht [bedrijf 1] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen. [bedrijf 1] heeft ook geen omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar zou zijn. De stellingen van [bedrijf 1] omtrent de vergunningen kunnen onbesproken blijven. Nu het festival niet is doorgegaan op de locatie omdat Optisport deze niet ter beschikking heeft gesteld, is de vraag of er al dan niet een vergunning verleend kon worden niet meer relevant bij de beoordeling van de afgebroken onderhandelingen.

5.16.. De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het Optisport vrij stond de onderhandelingen met [bedrijf 1] op 20 april 2024 af te breken zonder schadevergoedingsverplichting. De vordering tot schadevergoeding kan daarom niet worden toegewezen.

Conclusie

5.17.. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van [bedrijf 1] afgewezen.

De wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten

5.18.. Nu de vorderingen worden afgewezen, worden ook de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

De proceskosten

5.19..
[bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Optisport worden begroot op:

  • salaris gemachtigde

2.020,00

(2 punten × € 1.010,00)

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.164,00

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.20.. Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskosten, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

6. De beslissing

De kantonrechter

6.1.. wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af,

6.2.. veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Plus de Décisions