[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5311":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5311":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1201","ECLI:NL:RBZWB:2026:5311","",64,"Breda","breda","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442494 \u002F HA ZA 25-650\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij] ,\n\nadvocaat: mr. D. Marcus,\n\ntegen\n\nSTICHTING [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nadvocaat: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. I.M. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 februari 2026 en de daarin vermelde stukken\n\n- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisende partij] heeft een autismespectrumstoornis (ASS). Hij is op 1 juli 2016 op grond van een zorg- en dienstverleningsovereenkomst bij [gedaagde partij] in zorg gekomen, laatstelijk op de locatie [locatie 1] in [woonplaats] . De locatie is toegerust voor personen met ASS. [eisende partij] bewoonde daar zelfstandig een appartement. [eisende partij] is per 18 februari 2021 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-1 toegekend en per 24 juni 2025 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-3.\n\n2.2.. Na 2021 is [eisende partij] klachten gaan uiten over de door [gedaagde partij] verleende zorg. [eisende partij] heeft hierover in november 2023 bij de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (hierna: de Geschillencommissie) een klacht ingediend tegen [gedaagde partij] . De klacht hield met name in dat door [gedaagde partij] te weinig werd gedaan om aan de zorgvraag van [eisende partij] te voldoen. De Geschillencommissie heeft op 22 maart 2024 een bindend advies uitgebracht. [gedaagde partij] heeft geen uitnodiging voor de zitting van de Geschillencommissie ontvangen. De Geschillencommissie heeft de klacht gegrond verklaard en daartoe onder andere het volgende overwogen.\n\n“De commissie overweegt dat cliënt een indicatie heeft op grond van de Wlz. Dit betekent onder meer dat de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor het opstellen én het uitvoeren van een zorgplan. Daarnaast dient de zorgaanbieder aan cliënt dagbesteding aan te bieden, dan wel de cliënt dient te ondersteunen bij zijn pogingen om aan zijn dagen een voor hem zinvolle invulling te geven. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op beide punten tekort is geschoten. Alhoewel er op de locatie dagelijks begeleiding aanwezig is, verricht deze niet dan wel onvoldoende inspanning om aan de zorgvraag van cliënt tegemoet te komen en het opgemaakte zorgplan uit te voeren. Dat in het verleden tussen cliënt en deze begeleiding strubbelingen zijn geweest, doet hier niet aan af. Van de zorgaanbieder als professionele organisatie mag immers worden verlangd dat hij zijn zorgtaken uitvoert zoals deze in het zorgplan staan vermeld. Daarbij merkt de commissie op dat bepaalde zorgtaken die wellicht minder passend zijn binnen deze locatie, zoals het assisteren bij het maken van video’s, kunnen worden uitgevoerd door vrijwilligers, die ook binnen de organisatie van de zorgaanbieder aanwezig en actief zijn. Het is aan de zorgaanbieder om dit voor cliënt te faciliteren. Gezien het vorenstaande zal de commissie de klachten van cliënt gegrond verklaren.\n\nDe commissie begrijpt dat de zorgaanbieder het vertrouwen van cliënt heeft beschaamd, gezien het ontbreken van persoonlijke begeleiding op de locatie en een dagstructuur, en dat cliënt om die reden op zoek is naar een andere begeleid wonen voorziening. De commissie geeft de zorgaanbieder in overweging om in contact te treden met het zorgkantoor, teneinde het vinden van een passende woonruimte te bespoedigen.”\n\n2.3.. In de periode daarna heeft uitvoerige (e-mail)correspondentie plaatsgevonden tussen partijen.\n\n2.4.. Bij brief van 20 juni 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een eerste waarschuwing gegeven in verband met zijn taalgebruik en houding ten opzichte van haar medewerkers. Daarbij heeft [gedaagde partij] medegedeeld dat als deze waarschuwing niet leidt tot verbetering er weer een waarschuwing zal volgen en dat bij de derde en tevens laatste waarschuwing zal worden overgegaan tot beëindiging van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst. Daarbij heeft [gedaagde partij] aangegeven dat in dat geval ook de beschikbaarheid van het door [eisende partij] bewoonde appartement vervalt.\n\n2.5.. In juli 2024 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] verblijf aangeboden op haar locatie [locatie 2] in [plaats 1] . [eisende partij] heeft dit aanbod afgewezen.\n\n2.6.. \n [gedaagde partij] heeft bij brief van 5 november 2024 aan [eisende partij] een tweede waarschuwing gegeven in verband met de beschadigde vertrouwensrelatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat zij, om uit deze lastige situatie te komen, hem nog één keer een andere voorziening binnen [gedaagde partij] aanbiedt en dat, als hij die optie weigert, dat gevolgen heeft voor zijn verblijf binnen [gedaagde partij] . Zij zal dan het proces starten om tot beëindiging van de zorgovereenkomst te komen, wat tot gevolg zal hebben dat er voor hem geen woonplek meer beschikbaar is en hij de locatie [locatie 1] moet verlaten.2.7.. Op 18 december 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een woonplek aangeboden in een appartement aan de [locatie 3] te [woonplaats] . Zij heeft daarbij meegedeeld dat dit haar laatste aanbod is en dat [eisende partij] , als hij daar geen gebruik van wil maken, niet langer in zorg kan blijven bij [gedaagde partij] en de zorgovereenkomst zal worden beëindigd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft [gedaagde partij] herhaald dat als [eisende partij] onvoldoende meewerkt aan de zorglevering en de aangeboden zorg blijft weigeren, zij genoodzaakt is om de zorgovereenkomst te beëindigen en [eisende partij] door te verwijzen naar een andere zorgaanbieder.\n\n2.9.. \n [eisende partij] heeft de woning in de [locatie 3] niet geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] in januari 2025 nog een woning aangeboden in de [locatie 4] in [plaats 2] . Op 14 maart 2025 heeft zij hem een woning in de [locatie 5] in [plaats 3] aangeboden. [eisende partij] heeft het aanbod voor deze woonlocaties afgewezen.\n\n2.10.. Bij brief van 18 februari 2025 heeft [eisende partij] bij de Regionale Klachtencommissie Zorg de volgende klachten geuit over de zorgverlening door [gedaagde partij] .\n\n“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg\n\n [gedaagde partij] is bij bindend advies van de Geschillencommissie Zorg op 22 maart 2024 veroordeeld om passende zorg te leveren. Tot op heden heeft [gedaagde partij] deze uitspraak niet nageleefd. Ondanks toezeggingen om de uitspraak op te volgen, is er structureel zorgverzuim en weigert [gedaagde partij] uitvoering te geven aan de zorgdoelen.\n\n(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg\n\nIn plaats van herstelzorg te bieden en passende begeleiding te realiseren, heeft [gedaagde partij] een koers ingezet om mij uit de zorg te zetten. Dit blijkt onder meer uit dreigementen tot beëindiging van de zorgovereenkomst en het opleggen van onrechtmatige voorwaarden. Hierdoor ben ik onder druk gezet om te verhuizen naar een locatie waar geen passende zorg geboden kan worden.\n\n(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en Indicatie\n\nHet zorgplan is onzorgvuldig en eenzijdig aangepast, zonder voldoende overleg of instemming van mijn kant. Daarnaast wordt mijn Wlz-indicatie (GGZ-Wonen) niet correct nageleefd, aangezien essentiële ondersteuning wordt afgebouwd zonder overleg en onder dreiging van stopzetting van zorg.\n\n(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding\n\nOndanks herhaaldelijke verzoeken wordt er geen invulling gegeven aan de volgende noodzakelijke zorg:\n\n• Actieve begeleiding bij daginvulling, waaronder ondersteuning bij videografie en sociale\n\ninteractie.\n\n• Een zorgvuldig afgestemde aanpak om mijn dag\u002Fnachtritme te verbeteren.\n\n(5) Onrechtmatige druk en dreigementen\n\nIk ervaar dat [gedaagde partij] misbruik maakt van haar zorgpositie door zorg onder voorwaarden te stellen, mij onder druk te zetten om akkoord te gaan met een onvolledig zorgplan, en door waarschuwingsbrieven te sturen waarin wordt gesuggereerd dat zorg beëindigd zal worden als ik niet meewerk aan de eisen van [gedaagde partij] .”\n\n2.11.. \n [gedaagde partij] heeft hierop als volgt gereageerd.\n\n“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg\n\nVerweer: [gedaagde partij] heeft passende zorg geboden aan de heer [eisende partij] . Wij verwijzen hierbij naar de Tijdlijn in Bijlage 1. Hierin is te lezen op welke manier wij aanhoudend zorg hebben aangeboden en wij voortdurend in gesprek zijn gebleven met de heer [eisende partij] .\n\nOmdat de heer [eisende partij] steeds opnieuw onvrede uitte over de begeleiding, beschuldigingen deed over de zorg en over de rapportage, klachten indiende bij onze interne Klachtenfunctionaris en begeleiders manipuleerde is het wederzijds vertrouwen tussen hem en het team begeleiders van de [locatie 1] dermate geschaad, dat met hem is afgesproken om te zoeken naar een andere zorgaanbieder, dan wel een ander verblijf elders binnen [gedaagde partij] . Zie ook de uitspraak van de geschillencommissie, waar in de samenvatting staat: ‘cliënt wenst een andere woonruimte’. In het hele traject daarna heeft de heer [eisende partij] verschillende keren begeleiders aan de kant gezet, omdat hij de zorg van hen niet accepteerde en heeft hij andere woonruimte geweigerd. Ondanks alles, hebben diverse begeleiders steeds opnieuw getracht de begeleidingsrelatie te herstellen en vorm te geven.\n\n(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg\n\nVerweer: De zorg, ondersteuning en bemiddeling die [gedaagde partij] heeft aangeboden heeft niet geleid tot het herstel van vertrouwen in de hulpverleningsrelatie en heeft niet geleid tot werkbare afspraken tussen de heer [eisende partij] en de begeleiding.\n\n [gedaagde partij] heeft een aantal keren een passend alternatief verblijf aangeboden. Daarnaast zijn er mogelijkheden bij andere zorgaanbieders onderzocht. De heer weigert medewerking tot overplaatsing. Omdat de heer geen of nauwelijks gebruik maakt van de aangeboden zorg, omdat de heer ontevreden blijft over de zorg, omdat er geen zorgplan tot stand komt, c.q. afspraken over de zorgverlening achterwege blijven, is het onmogelijk dat de heer nog langer verblijft op de huidige locatie de [locatie 1] . De heer [eisende partij] heeft eind 2024 een advocaat ingeschakeld, heeft het Zorgkantoor ingeschakeld en heeft een cliëntondersteuner van MEE ingeschakeld. [gedaagde partij] heeft met deze instanties en personen overlegd om tot een oplossing te komen. [gedaagde partij] heeft de heer een laatste passend aanbod gedaan, onder voorwaarde dat de heer akkoord gaat met het opgestelde zorgplan. Indien de heer dit aanbod weigert, dan gaat [gedaagde partij] over tot het traject ‘einde zorg’.\n\n(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en indicatie\n\nVerweer: Het zorgplan is keer op keer besproken, op de schaarse momenten dat de heer dit toeliet, waarbij door de heer [eisende partij] aan begeleiders onmogelijke en voortdurend wisselende eisen werden gesteld. Er is geen duurzaam akkoord op het zorgplan tot stand gekomen.\n\nHet is in de zorg gebruikelijk dat de Wlz GGz 1 in een ambulante vorm met 24-uurs bereikbaarheid wordt uitgevoerd. Het zorgkantoor heeft dit naar ons bevestigd. Een deskundig team heeft de situatie en hulpvraag van de heer beoordeeld en is gekomen tot een pakket van passende zorg die binnen deze indicatie past én die passend is voor de persoonlijke hulpvraag van de heer [eisende partij] , gezien zijn gebruik van zorg en gezien zijn problematiek. Deze zorg wordt aangeboden.\n\n(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding\n\n [gedaagde partij] biedt passende zorg aan. De heer [eisende partij] weigert deze zorg af te nemen. Afspraken, als deze al tot stand komen, worden geweigerd en afgezegd.\n\n(5) Onrechtmatige druk en dreigementen\n\nDe voorwaarden die [gedaagde partij] aan de zorg stelt zijn aller sinds redelijk. Enige medewerking van cliënten in de uitvoering is vereist. De medewerking van de heer [eisende partij] missen de begeleiders volledig.\n\nRegelmatig gaat de heer [eisende partij] over de grens van begeleiders heen, waarop wij hem een\n\nwaarschuwing hebben gegeven. Begeleiders ervaren geen medewerking. Er wordt geen druk uitgeoefend, laat staan dreigementen geuit. [gedaagde partij] vraagt medewerking aan zorguitvoering van de heer [eisende partij] .”\n\n2.12.. \n [gedaagde partij] heeft vanaf maart 2025 de begeleiding van [eisende partij] door het vaste team van de locatie [locatie 1] gestopt en in plaats daarvan een kernteam ingezet.\n\n2.13.. Bij brief van 9 april 2025 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] medegedeeld dat de zorgovereenkomst op 1 juni 2025 eindigt. Als redenen voor de beëindiging heeft [gedaagde partij] genoemd: de zorgweigering door [eisende partij] , zijn weigering om mee te werken aan overplaatsing naar een door deskundigen van [gedaagde partij] beoordeelde beter passende locatie, de wederzijdse vertrouwensbreuk en de weigering van [eisende partij] om mee te werken aan het aanpassen van zijn indicatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat hij per 1 juni 2025 geen recht meer heeft op begeleiding, ondersteuning en zorg van [gedaagde partij] en dat hij niet meer in de woning op de locatie [locatie 1] mag verblijven. Hij moet op zoek gaan naar andere huisvesting en begeleiding.\n\n2.14.. Bij vonnis van 28 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eisende partij] , die onder andere luidden [gedaagde partij] te verbieden de zorgverlening per 1 juni 2025 te beëindigen, [gedaagde partij] te gelasten de zorgverlening onverkort voort te zetten op de huidige woonlocatie ( [locatie 1] ) en te gelasten dat geen afschaling van zorg wordt doorgevoerd, [gedaagde partij] te gelasten integrale begeleiding aan [eisende partij] te bieden door het vaste team op locatie [locatie 1] , dan wel door een in overleg met [eisende partij] aan te wijzen persoonlijk begeleider en [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024, afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende overwogen.\n\n“conclusie\n\n6.14.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde partij] op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] niet heeft meegewerkt aan de geboden zorgverlening en zonder goede reden niet bereid is geweest een andere passende locatie te aanvaarden. Dit heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Dit zijn gewichtige redenen die de opzegging van de zorgovereenkomst – en daarmee ook de beëindiging van het verblijf van [eisende partij] in een appartement op een locatie van [gedaagde partij] – rechtvaardigen.\n\nzorgvuldigheid\n\n6.15.\n\nDe voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde partij] [eisende partij] herhaaldelijk (in brieven van 20 juni 2024, 5 november 2024 en 18 december 2024 aan [eisende partij] en in de email van 14 januari 2025 aan de advocaat van [eisende partij] ) heeft gewaarschuwd voor opzegging van de zorgovereenkomst als hij niet zou meewerken aan de zorgverlening en aan de verhuizing naar een andere locatie. Daarnaast heeft zij actief gezocht naar passende zorgverlening voor [eisende partij] op een andere locatie, zowel intern als extern. Dat [eisende partij] nu wel bereid is zijn medewerking te verlenen aan een hogere indicatie betekent niet dat [gedaagde partij] op de opzegging moet terugkomen. De andere twee redenen zijn ernstig en zwaarwegend genoeg. Het bindend advies staat aan opzegging niet in de weg vanwege de situatie zoals die zich daarna heeft ontwikkeld.”\n\n2.15.. Bij vonnis van 9 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder andere overwogen dat het vonnis van 28 mei 2025 niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en heeft hij de ontruimingsdatum bepaald op 1 september 2025.\n\n2.16.. \n [eisende partij] verblijft per 1 september 2025 op een zorglocatie in [plaats 4] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisende partij] vordert - samengevat - na vermindering van eis ter zitting om, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. te verklaren voor recht dat de zorgovereenkomst tussen partijen door [gedaagde partij] ten onrechte is beëindigd;\n\n2. [gedaagde partij] te gelasten de zorgovereenkomst te hervatten en passende begeleiding te bieden op een locatie van [gedaagde partij] binnen de gemeente [woonplaats] ;\n\n3. [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024;\n\n4. [gedaagde partij] te gelasten uitvoering te geven aan een viertal benoemde zorgdoelen;\n\n5. [gedaagde partij] te gelasten binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan het onder 2 t\u002Fm 4 gevorderde te voldoen;\n\n6. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van een dwangsom indien zij niet aan de op grond van 2 t\u002Fm 5 te geven veroordelingen voldoet;\n\n7. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 aan [eisende partij] als voorschot op schadevergoeding;\n\n8. te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] gehouden is schadevergoeding aan [eisende partij] te betalen op te maken bij staat;\n\n9. [gedaagde partij] te veroordelen binnen 3 dagen na betekening van het vonnis aan [eisende partij] te betalen € 15.346,00 als schadevergoeding;\n\n10. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten van [eisende partij] .\n\n3.2.. \n [eisende partij] heeft aan zijn vorderingen de volgende verwijten, die elkaar grotendeels overlappen, ten grondslag gelegd.\n\n [gedaagde partij] heeft haar zorgplicht jegens [eisende partij] geschonden door:\n\n- zorg af te schalen;\n\n- niet over te gaan tot zorgherstel na het bindend advies;\n\n- geen deugdelijk zorgplan te hebben;\n\n- ten onrechte de zorgovereenkomst op te zeggen;\n\n- geen zorgopvolging en\u002Fof zorgoverdracht te laten plaatsvinden.\n\n [gedaagde partij] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van het bindend advies op de punten:\n\n- het opstellen en uitvoeren van een zorgplan;\n\n- het aanbieden van dagbesteding dan wel het bieden van ondersteuning bij pogingen van [eisende partij] daartoe.\n\n [gedaagde partij] heeft de zorgovereenkomst onrechtmatig beëindigd vanwege:\n\n- beëindiging zonder passende overdracht naar een andere aanbieder;\n\n- structurele afbouw van zorg zonder indicatie-aanpassing of deugdelijke motivering;\n\n- ondeugdelijk, eenzijdig en juridiserend zorgplanproces zonder instemming;\n\n- framing van autistisch gedrag als verwijtbaar gedrag;\n\n- sturende verslaglegging zonder hoor en wederhoor vanaf juni 2024;\n\n- onvoldoende zorgvuldigheid bij voorstellen voor alternatieve locaties.\n\nHet handelen van [gedaagde partij] heeft tot diverse soorten van schade bij [eisende partij] geleid.\n\n3.3.. \n [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. De verweren van [gedaagde partij] worden bij de navolgende beoordeling en de motivering daarbij betrokken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [eisende partij] vordert enerzijds herstel van de zorgovereenkomst met [gedaagde partij] en hervatting van zorg op een locatie van [gedaagde partij] in de gemeente [woonplaats] . Daaraan ligt ten grondslag dat geen sprake is van gewichtige redenen die beëindiging van de zorgovereenkomst rechtvaardigen. Anderzijds vordert [eisende partij] schadevergoeding. Daaraan ligt ten grondslag dat [gedaagde partij] geen goede zorg heeft verleend en de zorgovereenkomst op ondeugdelijke gronden heeft beëindigd, en dat dit (wanprestatie en onrechtmatig handelen) schade voor [eisende partij] tot gevolg heeft gehad.\n\n4.2.. \n\nDe vorderingen van [eisende partij] nopen tot beantwoording van de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst met [eisende partij] op goede gronden heeft mogen beëindigen. De rechtbank zal bij de beoordeling echter ook meteen de voor de schadevordering relevante vraag of [gedaagde partij] al dan niet goede zorg heeft verleend betrekken, omdat uit het debat tussen partijen duidelijk blijkt dat de beoordeling hiervan ook relevant is voor de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst mocht beëindigen.\n\nIn de kern gaat deze zaak over de vraag of zowel [gedaagde partij] als [eisende partij] de op hen rustende verbintenissen die voortvloeien uit de tussen hen bestaande zorgovereenkomst over en weer voldoende deugdelijk zijn nagekomen.\n\n4.3.. Bij de beoordeling of [gedaagde partij] en [eisende partij] hun verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst voldoende deugdelijk zijn nagekomen zijn de volgende juridische regels relevant.\n\nVolgens een van de kernbepalingen van de WGBO, artikel 7:453 BW, moet de hulpverlener ( [gedaagde partij] ) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Op grond van artikel 2 Wkkgz moet de zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Dat is zorg van goede kwaliteit en goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Ook moet de zorg voldoen aan de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. Daarnaast omvat goede zorg de plicht om de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht te nemen en de cliënt ook overigens respectvol te behandelen.\n\nOp grond van artikel 7:452 BW rust op de patiënt ( [eisende partij] ) de verplichting de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking te geven die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.\n\n4.4.. Voorgaande regels laten zich samenvatten in die zin dat [gedaagde partij] de zorg dient te verlenen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot dat zou hebben gedaan en dat [eisende partij] [gedaagde partij] daarbij behulpzaam moet zijn en medewerking moet verlenen om die zorg aan hem te kunnen verlenen. Daarbij gaat het voor [gedaagde partij] om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatsverplichting. Dit brengt mee dat, anders dan [eisende partij] bepleit, de enkele omstandigheid dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie gedurende de looptijd van de beëindigde zorgovereenkomst geen nieuw zorgplan, geen volledige uitvoering van een (oud of nieuw) zorgplan, geen dagbesteding zoals videografie en geen alternatieve huisvesting heeft gerealiseerd, nog niet de conclusie rechtvaardigt dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst.\n\n4.5.. De rechtbank constateert dat [eisende partij] zijn verwijten in de dagvaarding nader heeft toegelicht met de producties 8, 9 en 13 waarin hij zijn reactie op in die producties beschreven gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] geeft en concludeert dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie de zorg aan hem heeft afgeschaald, zich heeft gericht op het zoeken naar een andere zorglocatie voor [eisende partij] en hem in verslaglegging negatief laat overkomen. De rechtbank constateert dat [gedaagde partij] tegenover de in 3.2. weergegeven verwijten aan [gedaagde partij] op het punt van de zorg en tegenover voormelde producties van [eisende partij] bij conclusie van antwoord als productie 1 een (als vertrouwelijk aangeduide) tijdlijn met een beschrijving van gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] en van [eisende partij] heeft overgelegd.\n\n4.6.. Vanwege de aangeduide vertrouwelijkheid - vanwege patiëntinformatie - van productie 1 van [gedaagde partij] zal de rechtbank in de navolgende motivering hieruit niet citeren. De rechtbank ziet in de opmerkingen en conclusies van [eisende partij] in zijn producties 8, 9 en 13 zijn persoonlijke visie en beleving over\u002Fvan weergegeven gebeurtenissen en handelingen. Wat daarbij ontbreekt zijn echter feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde partij] geen inspanningen gericht op zorgverlening heeft verricht, dat [gedaagde partij] louter gericht is geweest op verplaatsing van [eisende partij] en dat [gedaagde partij] [eisende partij] in een kwaad daglicht heeft willen plaatsen. Wat resteert is dan de louter persoonlijke beleving van [eisende partij] op deze punten. Dat volstaat echter niet om aan die beleving ook rechtsgevolgen te kunnen verbinden.\n\n4.7.. \n [gedaagde partij] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het debat in het kort geding destijds is gevoerd op grond van dezelfde argumenten als die welke in deze bodemprocedure zijn vermeld, waaronder de door [gedaagde partij] opgestelde tijdlijn van 7 maart 2025. De rechtbank constateert dat de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 28 mei 2025 voor zijn motivering heeft geput uit feiten en omstandigheden zoals vermeld in die tijdlijn. Anders dan op de zitting van 2 juni jl. door [eisende partij] is betoogd, acht de rechtbank de motivering van de voorzieningenrechter, voor zover die ziet op onderwerpen die ook in deze bodemzaak aan de orde zijn, inzichtelijk en deugdelijk. Het gaat dan om de overwegingen over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het verlenen van zorg op grond van het bestaande (mondelinge) zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het opstellen en ondertekenen van een nieuw zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het vinden van een passende zorglocatie elders dan in de [locatie 1] en over het handelen van [gedaagde partij] rondom de beëindiging van de zorgovereenkomst. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 6.5. tot en met 6.16 van het kortgedingvonnis van 28 mei 2025 en neemt die over.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt aanvullend het volgende. De rechtbank komt op grond van de in 4.5. vermelde producties van beide partijen en uit hetgeen partijen in de processtukken en ter zitting naar voren hebben gebracht tot een aantal constateringen en overwegingen.\n\n4.9.. Allereerst overweegt de rechtbank dat de Geschillencommissie niet heeft beslist dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in het opstellen van een zorgplan. De overwegingen in de uitspraak van de commissie vermelden daarover niets. Integendeel, de commissie overweegt dat [gedaagde partij] haar zorgtaken dient uit te voeren zoals die in het zorgplan staan. Verder brengt het standpunt van [eisende partij] dat de uitspraak partijen bindt mee dat [gedaagde partij] ook de overweging dat [gedaagde partij] in overleg met het Zorgkantoor het vinden van een passende zorglocatie elders dient te bespoedigen, dient op te volgen. Reeds hierom is het verwijt van [eisende partij] dat [gedaagde partij] zich na de uitspraak heeft ingespannen een dergelijke zorglocatie te vinden ongegrond. Bovendien is [gedaagde partij] op grond van de zorgovereenkomst bevoegd [eisende partij] op een locatie elders binnen [gedaagde partij] woonruimte en zorg te bieden, welke bevoegdheid zij gelet op de kritiek op de zorg op de locatie de [locatie 1] in redelijkheid kon aanwenden.\n\n4.10.. \n [gedaagde partij] heeft met de op het gebied van ASS deskundige medewerkers voor [eisende partij] passende zorglocaties uitgezocht en deze aan hem voorgesteld. [eisende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze locaties niet passend zijn omdat hem niet de juiste zorg kan worden geboden. De rechtbank constateert dat dit standpunt niet is gemotiveerd met verwijzing naar een zorgplan, hetgeen zich laat verklaren doordat [eisende partij] het laatstelijk door [gedaagde partij] aangehouden zorgplan niet heeft geaccepteerd. Evenmin is het standpunt gemotiveerd met de bevindingen en conclusies van een in ASS gespecialiseerde beroepsbeoefenaar. De persoonlijke mening van [eisende partij] is ontoereikend om de conclusie te rechtvaardigen dat de voorgestelde zorglocaties niet passend zijn.\n\n4.11.. \n [gedaagde partij] heeft zich (voor en) na de uitspraak van de Geschillencommissie ingespannen om te komen tot het opstellen van een nieuw zorgplan en tot het verlenen van zorg inclusief de door [eisende partij] gewenste individuele dagbesteding, met name het maken van video’s. Dat [gedaagde partij] daadwerkelijk zorg heeft verleend blijkt genoegzaam uit de door [eisende partij] in zijn producties (zie 4.5.) vermelde zorgcontacten. Ook blijkt uit de door [gedaagde partij] overgelegde tijdslijn (productie 1) dat [gedaagde partij] naar meer zorgcontacten heeft gestreefd en een vrijwilliger voor het maken van video’s had gevonden. Tot slot blijkt uit die tijdslijn (en de producties van [eisende partij] ) ook dat [gedaagde partij] heeft gestreefd om met betrokkenheid van [eisende partij] te komen tot het tot stand brengen van een nieuw zorgplan. De rechtbank constateert dat [eisende partij] niet heeft weersproken dat hij meermalen bezoekers ten behoeve van zorgverlening niet heeft toegelaten en dat hij meermalen medewerking aan het tot stand brengen van een nieuw zorgplan heeft geweigerd of toezeggingen en afspraken daarover heeft gewijzigd of ingetrokken. Van bewust afschalen van zorg door [gedaagde partij] is niet gebleken; [gedaagde partij] heeft zich ingespannen passende zorg te bieden.\n\n4.12.. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat [gedaagde partij] aan de op haar op grond van de zorgovereenkomst rustende inspanningsverbintenis heeft voldaan, voor zover de houding en het gedrag van [eisende partij] dat mogelijk maakte. Dat oordeel van de rechtbank zou anders kunnen zijn geweest indien [eisende partij] aanknopingspunten zou hebben geboden die steun bieden voor zijn betoog dat de oorzaak voor zijn hierboven beschreven houding en gedrag is gelegen in zijn aandoening ASS. Dergelijke aanknopingspunten heeft [eisende partij] niet gegeven. Dat was in deze procedure wel van hem te vergen nu tussen partijen vaststaat dat [eisende partij] tot in 2021 vele jaren zonder problemen met dezelfde aandoening bij [gedaagde partij] heeft gewoond en in zorg is geweest en wel op een locatie die speciaal is toegerust voor personen met de aandoening ASS. De rechtbank honoreert daarom niet het verzoek om nu alsnog een deskundige op dit punt onderzoek te laten verrichten. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] wel is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis om aan de zorgverleners de van hem te vergen medewerking te verlenen.\n\n4.13.. Het gevolg van de houding en het gedrag van [eisende partij] is geweest dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] niet de zorg heeft kunnen geven die zij op grond van de zorgovereenkomst aan hem had willen geven, dat de verhoudingen op die locatie ernstig zijn verstoord en dat [gedaagde partij] ook geen plaatsing van [eisende partij] op een passende locatie binnen (of buiten) [gedaagde partij] heeft kunnen realiseren. Evenals de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat deze feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:460 BW voor [gedaagde partij] om de zorgovereenkomst te beëindigen.\n\n4.14.. \n [gedaagde partij] heeft de vereiste zorgvuldigheid betracht door voorafgaand aan de beëindiging meerdere duidelijke waarschuwingen te geven en intussen zich in te spannen om de noodzakelijke zorg te verlenen en een passende zorglocatie elders te zoeken.\n\n4.15.. De conclusie is dat [gedaagde partij] niet is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot het verlenen van goede zorg en dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen met betrekking tot de beëindiging van de zorgovereenkomst.\n\n4.15.. Waar geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatige daad is er ook geen grond voor schadevergoeding aan [eisende partij] .\n\n4.16.. De slotsom is dat alle vorderingen van [eisende partij] een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag ontberen en daarom moeten worden afgewezen.\n\n4.17.. \n [eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde partij] betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672,00\n\n(2 punten × € 836,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.856,00\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5311","ecli-nl-rbzwb-2026-5311",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]